Wanneer de Idrisiden hun greep op Fez verliezen, verdwijnt Marokko niet uit de geschiedenis om pas weer te verschijnen met de Almoraviden. Integendeel. Juist in de lange periode tussen beide dynastieën verandert de westelijke Maghreb ingrijpend. Fez blijft bestaan zonder haar stichters, nieuwe Amazigh-dynastieën nemen steden over, oude families zoeken toevlucht in het noorden, handelsroutes blijven functioneren en twee rivaliserende kalifaten proberen van buitenaf invloed uit te oefenen op een gebied dat zich telkens weer aan volledige controle onttrekt.
Wie deze anderhalve eeuw overslaat, ziet de Almoraviden gemakkelijk als een beweging die een politiek vacuüm vulde. Maar het land dat zij in de elfde eeuw binnentrokken was allesbehalve leeg. In Fez hadden Miknasa, Maghrawa en Banoe Ifran elkaar opgevolgd. In het noorden behielden Idrisidische families nog lange tijd betekenis. Ceuta en Tanger waren nauw verbonden met al Andalus. Sijilmasa had al eeuwen een eigen dynastieke en commerciële geschiedenis. De Barghawata beheersten grote delen van Tamesna en in de Rif had Nekor een politieke traditie die ouder was dan veel van de vorsten die later om Fez zouden vechten.
Tussen al die gebieden liepen wegen waarover goud, zout, graan, huiden, paarden, slaven, brieven en politieke boodschappen werden vervoerd. Een emir kon Fez beheersen en tegelijk nauwelijks invloed hebben in Sijilmasa. Een vorst kon de naam van de kalief van Cordoba tijdens de vrijdagpreek laten noemen en zich in de praktijk vrijwel zelfstandig gedragen. Een dynastie kon een veldslag verliezen zonder uit haar regio te verdwijnen. Juist deze beweeglijkheid bepaalde het Marokko dat de Almoraviden later zouden aantreffen.
Een land zonder moderne grenzen
Het is verleidelijk de politieke kaart van de tiende eeuw te bekijken alsof het huidige Marokko al bestond en alleen nog een heersende dynastie nodig had. Middeleeuwse werkelijkheid werkte anders. Schrijvers gebruikten namen als de verste Maghreb (Maghreb al Aqsa), maar daarmee bedoelden zij geen staat met overal dezelfde grenzen, instellingen en wetten.
Fez, Tanger, Ceuta, de Rif, Tamesna, Sijilmasa, Aghmat, Sous en Draa konden allemaal tot dezelfde bredere westelijke wereld worden gerekend, terwijl hun politieke verbindingen sterk verschilden. Een vorst in Fez kon een gouverneur in een omliggend gebied benoemen, maar verderop werkte gezag misschien via een stamverbond, een lokale emir of slechts een vorm van tribuut. Wie een stad verloor, verloor bovendien niet automatisch iedere bondgenoot daarbuiten.
Ook het einde van de Idrisiden laat zich daarom moeilijk aan één datum ophangen. Hun zelfstandige positie in Fez werd in de eerste decennia van de tiende eeuw gebroken, maar de familie verdween daarmee niet. Vanuit noordelijke vestingen bleven Idrisidische leiders nog decennialang deelnemen aan de strijd om de westelijke Maghreb. Aan de andere kant valt ook de opkomst van de Almoraviden niet samen met één plotselinge verovering. Sijilmasa, Aghmat en verschillende zuidelijke gebieden kwamen eerder onder hun controle dan Fez, dat pas rond 1069 of 1070 definitief in hun handen kwam.
De overgang van Idrisiden naar Almoraviden was dus geen korte dynastieke pauze. Het was een eigen historische periode waarin de politieke verhoudingen van de westelijke Maghreb opnieuw werden gevormd.
Hoe reconstrueren we deze versnipperde periode?
Voor deze eeuw beschikken we niet over één kroniekschrijver die vanuit Fez jaar na jaar noteerde wat er gebeurde. Veel kennis komt uit verschillende hoeken van de islamitische wereld en moet als een mozaïek worden gelezen.
Ibn Hayyan schreef vanuit al Andalus en kende de Omajjadische politiek in de Maghreb goed. Zijn informatie is bijzonder waardevol wanneer Cordoba zich met Noord-Afrika bemoeide, maar zijn perspectief bleef vanzelfsprekend sterk Andalusisch. Al Bakri, die in de elfde eeuw schreef, geeft juist veel informatie over steden, wegen en economische omstandigheden. Hij bezocht waarschijnlijk niet alle plaatsen die hij beschreef, maar verzamelde kennis uit oudere geografische werken en van mensen die door de regio reisden.
Latere auteurs als Ibn Idhari en Ibn Abi Zar bewaarden verhalen en lijsten die anders verloren zouden zijn gegaan. Tegen de tijd dat zij schreven, had het politieke geheugen van Marokko zich echter verder ontwikkeld. Fez had een bijzondere plaats gekregen, de Idrisidische afkomst werd steeds belangrijker in het historische zelfbeeld van het land en het malikisme was veel sterker gevestigd dan in de tiende eeuw zelf. Dat beïnvloedde de taal waarmee oudere conflicten werden verteld.
Ibn Khaldun schreef nog later, maar zijn werk is voor de genealogieën en politieke geschiedenis van Amazigh-groepen nauwelijks weg te denken. Tegelijk keek ook hij eeuwen terug en werkte hij met tradities die al door vele generaties waren doorgegeven.
Munten, inscripties en archeologie hebben het beeld in moderne tijd breder gemaakt. Een munt kan laten zien welke kalief formeel werd erkend. Opgravingen maken zichtbaar dat een stad bleef produceren of groeien in jaren waarin kronieken vooral veldslagen noemen. In Sijilmasa of Aghmat vertelt de bodem daardoor soms iets wat een hofhistoricus nauwelijks belangrijk genoeg vond om op te schrijven.
Dat verschil is cruciaal voor deze periode. De politieke kaart veranderde vaak, maar de samenleving begon niet telkens opnieuw wanneer een andere familie een stadspoort binnenkwam.
De Idrisiden verliezen Fez, maar verdwijnen niet
De Idrisidische staat was al vóór het verlies van Fez minder samenhangend geworden. Na Idris II was het territorium onder familieleden verdeeld en waren verschillende regionale takken ontstaan. Fez bleef het belangrijkste symbool van de dynastie, maar de macht van de Idrisiden steunde steeds meer op lokale relaties die niet overal even sterk waren.
De stichting van het Fatimidische kalifaat in Ifriqiya in 909 bracht een nieuwe speler in de westelijke Maghreb. De Fatimiden beschikten over een sterk leger, een religieuze missie en bondgenoten onder Amazigh-groepen die zelf redenen hadden om tegen de Idrisiden op te treden.
Masala ibn Habus, een belangrijke leider van de Miknasa en bondgenoot van de Fatimiden, trok in de eerste decennia van de tiende eeuw naar het westen. Yahya IV van de Idrisiden werd gedwongen de nieuwe machtsverhouding te erkennen. Fez bleef niet onmiddellijk permanent verloren, maar de oude dynastie kon haar vroegere positie niet meer herstellen.
Rond 921 of 922 kwam de stad onder nieuwe controle. Hasan al Hajjam, een Idrisidische prins, wist Fez later tijdelijk terug te nemen. Zijn succes toont hoe weinig definitief zulke overwinningen konden zijn. Een stad kon van heerser wisselen terwijl de tegenpartij in de omliggende regio troepen, verwanten en sympathisanten behield.
Musa ibn Abi al Afiya heroverde Fez rond 925. Daarmee verloor de Idrisidische familie haar oude hoofdstad opnieuw, maar zij trok zich terug naar het noorden en bleef politiek relevant. Hadjar an Nasr en andere versterkte plaatsen boden bescherming, terwijl de nabijheid van de kust nieuwe contacten met al Andalus mogelijk maakte.
De geschiedenis van de Idrisiden eindigt daarom niet aan de poorten van Fez. Zij wordt daarna alleen minder centraal en meer regionaal.
Waarom bleef het noorden zo sterk met al Andalus verbonden?
In Noord-Marokko lag de zee nooit ver weg. Ceuta en Tanger waren geen perifere steden aan de rand van een binnenlands rijk, maar knooppunten van een wereld die beide oevers van de Straat van Gibraltar omvatte.
Voor Abd al Rahman III van Cordoba werd Ceuta in de tiende eeuw van groot strategisch belang. Rond 931 kwam de stad stevig onder Omajjadische invloed. Daarmee beschikte Cordoba over een steunpunt vanwaaruit het de Fatimidische aanwezigheid in de Maghreb kon volgen en lokale bondgenoten kon ondersteunen.
Die controle betekende niet dat heel Noord-Marokko voortaan vanuit al Andalus werd bestuurd. De kust, de Rif en de berggebieden hadden eigen machtsstructuren. Maar Ceuta veranderde wel het bereik van de Omajjadische politiek. Een bondgenoot aan de Afrikaanse zijde kon nu veel sneller worden geholpen met soldaten, geld of wapens.
De Idrisidische families maakten zelf deel uit van die nieuwe werkelijkheid. Hun afstamming behield aanzien, ook nadat hun oude staat was uiteengevallen. Dat werd aan het begin van de elfde eeuw bijzonder zichtbaar bij de Hammudiden.
De Hammudiden: Idrisidische afkomst in een nieuwe politieke wereld
De Hammudiden stamden volgens de gevestigde genealogische traditie af van Idris II. Hun macht groeide niet vanuit Fez, maar vanuit het noorden en de nauwe verbinding met al Andalus.
Tijdens de burgeroorlogen die het Omajjadische kalifaat van Cordoba uiteenscheurden, kregen Ali ibn Hammud en zijn broer al Qasim invloed in Ceuta, Tanger en andere plaatsen rond de Straat. In 1016 trok Ali vanuit Noord-Afrika naar Cordoba, versloeg zijn tegenstander en liet zich daar tot kalief uitroepen.
Daarmee werd de oude Idrisidische staat niet hersteld. De wereld waarin Ali ibn Hammud opereerde was een andere. Cordoba zelf was verzwakt, Amazigh-legers speelden een grote rol in de Andalusische burgeroorlogen en verschillende families maakten aanspraak op de hoogste politieke positie.
Toch is het opvallend dat Idrisidische afkomst meer dan een eeuw na Idris II nog politieke waarde had. Afstamming van de familie van Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) gaf de Hammudiden een vorm van legitimiteit die niet iedere militaire leider kon opeisen. Zij konden hun macht niet alleen presenteren als het resultaat van soldaten en bondgenootschappen, maar ook verbinden met een afkomst die binnen de islamitische samenleving aanzien genoot.
Hun kalifaat bleek niet duurzaam. Voor de geschiedenis van Marokko is hun optreden vooral belangrijk omdat het laat zien hoe nauw het noorden met al Andalus verweven was en hoe lang de Idrisidische erfenis politieke betekenis behield nadat Fez verloren was gegaan.
Waarom bleef Fez het belangrijkste politieke doelwit?
De voortdurende strijd om Fez kan de indruk geven dat wie Fez bezat ook de westelijke Maghreb beheerste. Dat was zelden het geval.
Fez had uitzonderlijke voordelen. De stad lag aan de vruchtbare Saisvlakte, beschikte over water en ambachten en stond via wegen in verbinding met Taza, Tlemcen, de kust en het zuiden. Wie Fez beheerste, kreeg toegang tot belastinginkomsten, markten en prestige.
Maar verder naar het zuiden lag Sijilmasa, met haar eigen dynastieke traditie en de karavaanroutes naar West-Afrika. Aan de Atlantische zijde hielden de Barghawata een zelfstandige orde in Tamesna in stand. Aghmat groeide aan de voet van de Hoge Atlas. Nekor vormde in de Rif een ander machtscentrum en Ceuta leefde politiek bijna net zo sterk naar de overkant van de Straat als naar Fez.
Een kaart van deze eeuw zou daarom niet één groot rijk laten zien dat telkens van kleur verandert, maar verschillende machtsgebieden die soms met elkaar verbonden waren en soms nauwelijks. De ene dynastie kon sterk zijn in Fez, de andere langs de Saharaanse routes en een derde aan de kust.
De steden zelf hadden bovendien een eigen leven dat niet volledig samenviel met dat van hun vorsten. Dat gold nergens duidelijker dan in Fez.
Twee kalifaten zoeken bondgenoten
De rivaliteit tussen de Fatimiden en de Omajjaden van Cordoba gaf de politieke strijd in de tiende eeuw een extra laag.
De Fatimiden hadden vanaf 909 hun eigen kalifaat opgebouwd in Ifriqiya. Hun imam-kalief stond binnen de ismaïlitische traditie centraal en de staat beschouwde zich als een alternatief voor zowel de Abbasiden als andere rivaliserende machthebbers.
Toen Abd al Rahman III in 929 eveneens de titel van kalief aannam, kreeg de westelijke Maghreb twee grote politieke centra die allebei invloed zochten. Toch stonden Fatimidische en Omajjadische legers daar niet voortdurend rechtstreeks tegenover elkaar. De strijd verliep meestal via lokale dynastieën.
De Fatimiden werkten eerst sterk met de Miknasa en later ook met Sanhaja-machten. Cordoba vond bondgenoten onder de Maghrawa, Banoe Ifran, Idrisidische groepen en andere lokale leiders. Die samenwerking was nooit vanzelfsprekend blijvend. Een emir kon van kamp wisselen wanneer zijn positie daar beter van werd.
De grote campagne van Jawhar as Siqilli en Ziri ibn Manad tussen 958 en 960 toont hoe diep een macht van buiten de regio kon doordringen. Fez en Sijilmasa werden ingenomen en tegenstanders uitgeschakeld of gevangengenomen. Maar zodra een groot leger weer vertrok, keerde de politieke ruimte terug waarin lokale families hun macht konden herstellen.
Geen van beide kalifaten wist de verste Maghreb langdurig rechtstreeks te regeren. Hun invloed was groot, maar zij waren afhankelijk van lokale vorsten die hun eigen dynastieën belangrijker vonden dan de ambities van een ver hof.
Hoe kon een kalief aanwezig zijn zonder zelf te regeren?
Politieke trouw was in deze periode niet alleen zichtbaar op het slagveld. Zij werd ook gehoord en gelezen.
Tijdens de vrijdagpreek kon de naam van een kalief worden genoemd. Wanneer een emir die naam veranderde, was voor de aanwezigen duidelijk dat zijn formele politieke loyaliteit was verschoven. Ook munten droegen namen en titels en bewogen vervolgens via markten en handelsroutes door een veel groter gebied.
Toch moet zulke erkenning niet met moderne provinciale gehoorzaamheid worden verward. Een lokale vorst kon de naam van een verre kalief gebruiken en tegelijkertijd zijn eigen leger leiden, belastingen innen en zelfstandig oorlog voeren.
Geschenken, mantels, paarden en eretitels maakten deel uit van hetzelfde politieke verkeer. Vanuit Cordoba kon een machtige leider in Fez met groot ceremonieel worden erkend. De boodschap was duidelijk: de kalief stond boven hem. Voor de lokale heerser lag de betekenis soms anders. Hij kreeg prestige en steun zonder noodzakelijk te aanvaarden dat hij slechts een ambtenaar was.
Ziri ibn Atiyya zou later bijna het schoolvoorbeeld van die spanning worden.
Religie bepaalde veel, maar verklaart niet alles
Ook religie maakte de politieke wereld complexer. De Fatimiden waren verbonden met het ismaïlitische sjiisme. Het hof in Cordoba presenteerde zich als soennitisch en had sterke banden met de malikitische rechtstraditie. In Noord-Afrika bestonden daarnaast nog oudere kharidjitische stromingen, waaronder de sufritische en ibaditische tradities.
De Midrariden van Sijilmasa waren bijvoorbeeld verbonden met het sufritische milieu. De Rustamiden van Tahert waren ibaditisch. De Idrisiden kwamen uit een Alidische traditie waarin afstamming van de familie van de Profeet ﷺ centraal stond, maar hun precieze leerstellige positie laat zich niet zonder meer gelijkstellen aan latere vormen van sjiisme.
In de tiende en elfde eeuw won het malikisme steeds meer terrein. Kairouan en al Andalus speelden daarbij een belangrijke rol. Geleerden, studenten en juridische werken bewogen tussen verschillende steden en creëerden een netwerk dat veel duurzamer kon zijn dan de heerschappij van één emir.
Dat betekent niet dat iedere oorlog tussen dynastieën een strijd om geloofsleer was. Dezelfde vorst kon uit politieke noodzaak samenwerken met een macht waarvan hij niet alle religieuze uitgangspunten deelde. Een stam kon van bondgenoot veranderen zonder dat de bevolking van de ene op de andere dag van rechtsschool veranderde.
Religieuze legitimiteit was belangrijk, maar zij werkte naast andere krachten: afkomst, handel, veiligheid, familiebanden, militaire macht en het vermogen een stad daadwerkelijk te besturen.
De Miknasa vóór hun heerschappij over Fez
De Miknasa vormden een van de grote groepen binnen de Zenata-wereld. Hun gemeenschappen waren verspreid over verschillende delen van de Maghreb en vormden geen enkele staat.
Een tak van de Miknasa had al vroeg een eigen dynastie opgebouwd in Sijilmasa. Andere leiders waren sterk aanwezig verder naar het noorden en oosten. Aan het begin van de tiende eeuw werden Masala ibn Habus en Musa ibn Abi al Afiya belangrijke bondgenoten van de Fatimiden.
Voor de Fatimiden waren zij nuttig omdat zij lokale militaire netwerken bezaten. Voor de Miknasa-leiders bood de nieuwe kalifale macht een kans om oude rivalen te verslaan en hun eigen invloed uit te breiden.
Masala werd een belangrijke bestuurder en legerleider. Musa ibn Abi al Afiya groeide in zijn schaduw, maar zou uiteindelijk een veel zelfstandiger koers varen. Zijn loopbaan laat beter dan bijna iedere andere figuur uit deze eeuw zien hoe een lokale emir de grote rivaliteit tussen Fatimiden en Omajjaden kon gebruiken zonder aan één van beide volledig trouw te blijven.
Musa ibn Abi al Afiya en de grenzen van bondgenootschap
In latere Marokkaanse geschiedschrijving kreeg Musa ibn Abi al Afiya een donkere reputatie. Vooral zijn strijd tegen de Idrisiden werd scherp herinnerd. Wanneer we dichter bij de politieke omstandigheden van zijn eigen tijd blijven, verschijnt daarnaast een andere Musa: een machtige regionale vorst die tussen verschillende bondgenootschappen bewoog en vooral zijn eigen positie probeerde te behouden.
Met Fatimidische steun kon hij zijn macht uitbreiden. Nadat Hasan al Hajjam Fez tijdelijk voor de Idrisiden had teruggewonnen, slaagde Musa erin de stad rond 925 opnieuw in handen te krijgen. Daarmee kreeg hij toegang tot een stedelijk centrum dat zijn positie ver boven die van een gewone stamleider kon verheffen.
Fez was echter nooit eenvoudig bezit. Binnen de stad bestonden verschillende groepen en belangen, buiten de muren bleven rivalen actief en in het noorden hielden Idrisidische families stand. Musa’s macht moest voortdurend militair en politiek worden verdedigd.
Zijn oorlog tegen de Idrisiden was hard. De latere kronieken vertellen daar soms in sterk moraliserende taal over. Een deel daarvan kan werkelijk teruggaan op gewelddadige gebeurtenissen, maar de latere bijzondere plaats van de Idrisiden in het Marokkaanse historische geheugen heeft waarschijnlijk ook invloed gehad op de manier waarop hun tegenstander werd herinnerd.
Voor Musa was er in ieder geval een duidelijk politiek probleem: zolang Idrisidische leiders vestingen, verwanten en plaatselijke steun behielden, bestond naast zijn eigen heerschappij een alternatieve bron van legitimiteit. De strijd om Hadjar an Nasr en andere noordelijke posities moet ook vanuit dat perspectief worden begrepen.
Waarom koos Musa uiteindelijk voor Cordoba?
In 929 veranderde Musa van politieke kamp. Hij verbrak zijn trouw aan de Fatimiden en erkende Abd al Rahman III van Cordoba. De verandering viel vrijwel samen met de nieuwe kalifale aanspraak van Abd al Rahman en met de groeiende Omajjadische belangstelling voor Noord-Afrika.
Voor Musa was Cordoba een bruikbaar tegengewicht geworden. Fatimidische steun had hem geholpen sterk te worden, maar dezelfde staat kon zijn zelfstandigheid beperken of andere lokale rivalen tegen hem steunen. De overkant van de Straat bood nu een alternatief.
Deze overstap illustreert hoe weinig zin het heeft om de lokale dynastieën als eenvoudige verlengstukken van grote kalifaten te beschrijven. Musa koos niet één groot ideologisch blok voor de rest van zijn leven. Hij bewoog binnen een politieke wereld waarin overleven betekende dat bondgenootschappen opnieuw konden worden gewogen.
De Fatimiden reageerden uiteindelijk door andere leiders tegen hem te steunen. Musa verloor Fez en zag een deel van zijn netwerk uiteenvallen. Hij bleef actief tot zijn dood in 938, maar bereikte zijn vroegere macht niet meer.
Zijn loopbaan zegt veel over de eeuw waarin hij leefde. Een emir kon dankzij een kalief opklimmen, vervolgens een andere kalief erkennen en ondertussen proberen een eigen regionale staat te behouden. Precies die vrijheid maakte zulke vorsten machtig, maar tegelijk kwetsbaar.
Zenata: verwantschap zonder politieke eenheid
De namen Miknasa, Maghrawa en Banoe Ifran worden vaak samengebracht onder Zenata. Dat is nuttig om bredere genealogische en historische verbanden te begrijpen, maar gevaarlijk wanneer het woord wordt behandeld alsof Zenata één staat of één politiek volk was.
Zenata-groepen leefden verspreid over grote delen van Noord-Afrika. Zij konden verwantschap herkennen en vergelijkbare sociale tradities delen, terwijl hun dynastieën elkaar tegelijk bevochten.
De strijd om Fez laat dat duidelijk zien. Miknasa, Maghrawa en Banoe Ifran konden allemaal als Zenata worden aangeduid, maar dat voorkwam geen oorlog om dezelfde steden en routes. Familiedynastieën en concrete regionale belangen wogen in veel situaties zwaarder dan een brede genealogische identiteit.
Ook het oude beeld van de Zenata als uitsluitend rondtrekkende krijgers doet onvoldoende recht aan hun geschiedenis. Hun vorsten bestuurden steden, lieten belastingen innen, beheersten landbouwgebieden en onderhielden diplomatieke contacten met verre hoven.
De naam Zenata helpt dus een historische wereld te herkennen, maar verklaart niet vanzelf wat haar verschillende dynastieën deden.
De Maghrawa trekken naar het westen
De Maghrawa waren al vóór hun heerschappij in Fez een belangrijke macht. Hun vroegere zwaartepunt lag verder naar het oosten, rond gebieden tussen Tlemcen en de Chelif.
In de tiende eeuw werden zij steeds nauwer verbonden met Cordoba. Muhammad ibn Khazar behoorde tot de tegenstanders van Musa ibn Abi al Afiya en erkende Abd al Rahman III. De Maghrawa konden daarmee steun vinden bij de Omajjaden, terwijl Cordoba in hen een tegenwicht tegen Fatimidische en Sanhaja-machten zag.
De verhouding bracht geen permanente veiligheid. Tijdens de campagne van Jawhar werden ook Maghrawa-posities zwaar getroffen. Latere Sanhaja-aanvallen oefenden opnieuw druk uit op hun gebieden.
Een deel van de politieke beweging van de Maghrawa verschoof daardoor verder westwaarts. Fez en Sijilmasa werden steeds belangrijker voor verschillende familietakken. Wat aanvankelijk een dynastie uit de centrale Maghreb was geweest, werd zo een van de grote spelers in de geschiedenis van het huidige Marokko.
Ziri ibn Atiyya en de vraag wie werkelijk boven wie stond
Tegen het einde van de tiende eeuw was Ziri ibn Atiyya een van de machtigste Maghrawa-vorsten. Hij beheerste Fez en erkende formeel de Omajjaden van Cordoba, maar zijn werkelijke positie was veel sterker dan die van een gewone provinciale gouverneur.
Na zware strijd met Sanhaja-legers wist hij zijn macht te herstellen. In 985 behaalde hij een belangrijke overwinning bij Fez. Voor Cordoba werd hij daardoor steeds waardevoller.
Toen hij in 989 naar de Andalusische hoofdstad reisde, ontving het hof hem met kostbare geschenken en hoge eer. Voor Cordoba was dat een manier om een machtige bondgenoot binnen een hiërarchie van loyaliteit te plaatsen. Ziri kon dezelfde ceremonie lezen als erkenning van de macht die hij zelf had opgebouwd.
Daar lag de kiem van het latere conflict. Wie had hem eigenlijk gemaakt: het Omajjadische hof of zijn eigen leger?
Ziri had zijn territorium niet simpelweg als benoemde ambtenaar ontvangen. Hij beschikte over een dynastieke achterban, voerde eigen oorlogen en kon steden innemen zonder dat Cordoba iedere stap bepaalde. Rond 993 groeide de spanning openlijk en ontwikkelde hij Oujda als nieuw machtscentrum.
Een eerste Andalusische aanval werd afgeslagen. Een grotere campagne bracht hem in 997 uiteindelijk een zware nederlaag toe. Fez kwam opnieuw onder directere Omajjadische invloed.
Ziri herstelde later een vorm van relatie met Cordoba, maar bleef in de centrale Maghreb op eigen initiatief oorlog voeren. Tot zijn dood rond 1001 bleef daardoor onduidelijk waar bondgenootschap ophield en zelfstandigheid begon.
Dat was niet alleen Ziri’s persoonlijke probleem. Het was een structurele zwakte in de manier waarop verre kalifaten in de Maghreb macht probeerden uit te oefenen. Zij hadden sterke lokale leiders nodig, maar hoe sterker die leiders werden, hoe minder gemakkelijk zij zich als ondergeschikten lieten behandelen.
De Banoe Ifran: een andere Zenata-macht
De Banoe Ifran hadden eveneens een lange geschiedenis in Noord-Afrika. Verschillende takken waren verbonden geweest met vroege kharidjitische bewegingen en met de sufritische traditie.
Yala ibn Muhammad bouwde in de tiende eeuw een aanzienlijk machtsgebied op. Hij veroverde Oran en werkte op verschillende momenten samen met tegenstanders van de Fatimiden. Zoals meer lokale vorsten uit deze eeuw veranderde ook hij van politieke erkenning toen omstandigheden dat aantrekkelijk maakten.
Toen Jawhar in 958 met een groot Fatimidisch leger naar het westen kwam, probeerde Yala zijn positie aan te passen. Jawhar vertrouwde hem niet en liet hem doden.
Daarmee verdwenen de Banoe Ifran niet. Zijn zoon Yaddoe keerde later vanuit al Andalus terug en wist zelfs Fez in te nemen. Ziri ibn Atiyya heroverde de stad vervolgens weer.
Andere familietakken bouwden macht op rond Salé en Tadla. Sommigen trokken naar al Andalus, waar een tak uiteindelijk een eigen emiraat in Ronda vestigde.
Hun strijd met de Maghrawa om Fez werd in latere kronieken soms in zeer gewelddadige details verteld. Dat de machtswisselingen bloedig konden zijn is niet moeilijk voorstelbaar, maar de verhalen over extreme wreedheid moeten niet allemaal als neutrale ooggetuigenverslagen worden gelezen.
Belangrijker is wat onder die verhalen zichtbaar blijft: de Banoe Ifran waren geen korte onderbreking in een Maghrawa-verhaal. Zij bezaten een eigen politieke geschiedenis die van de centrale Maghreb tot Marokko en al Andalus reikte.
Fez overleefde haar vorsten
Bijna iedere dynastie die in deze eeuw sterk genoeg werd, wilde Fez bezitten. Dat zegt minstens zoveel over de stad als over de vorsten die haar bevochten.
Fez was gebouwd rond water, landbouw en wegen. De rivier voedde een netwerk van kanalen dat huizen, tuinen, badhuizen, molens en werkplaatsen bediende. De omliggende Saisvlakte leverde landbouwproducten en de wegen verbonden de stad met het noorden, oosten en zuiden.
Een politieke nederlaag betekende daarom niet dat Fez ophield te functioneren. Een nieuwe emir trof markten, ambachtslieden, juristen, kooplieden en families aan die er vaak al generaties woonden.
De stad kende bovendien nog altijd haar twee historische oevers. Aan de ene zijde lagen gemeenschappen die sterk verbonden waren met migranten uit Kairouan en Ifriqiya, aan de andere kant groepen met Andalusische wortels. Beide delen hadden eigen moskeeën, markten, wijken en elites.
Rivaliteit tussen de oevers kon politieke gevolgen krijgen. Een heerser moest meer doen dan alleen de stadsmuur beheersen. Hij moest omgaan met lokale families die toegang hadden tot geld, religieus aanzien of invloed over wijken.
De Qarawiyyinmoskee en de Andalusiyyinmoskee waren in die wereld meer dan gebedsplaatsen. Zij werden centra van onderwijs en publieke religieuze aanwezigheid. Uitbreidingen en bouwprojecten konden daardoor tegelijk praktisch, religieus en politiek betekenis hebben.
De Qarawiyyin moet voor deze periode niet als een moderne universiteit worden voorgesteld. Onderwijs vond er wel degelijk plaats en haar intellectuele betekenis groeide, maar de instelling die latere generaties zouden kennen ontstond door een lang proces.
Fez groeide niet ondanks haar politieke geschiedenis, maar er middenin. De stad kon worden belegerd, van dynastie wisselen en vervolgens opnieuw handel drijven onder een andere naam tijdens de vrijdagpreek.
De mensen die zelden in kronieken centraal staan
Middeleeuwse geschiedschrijvers vertellen veel over emirs en legers omdat machtswisselingen zichtbaar en dramatisch zijn. De groepen die een stad dagelijks lieten functioneren komen veel minder vaak met naam in beeld.
In Fez waren dat onder anderen ambachtslieden, kooplieden, juristen en religieuze leraren. Hun belangen konden sterk verschillen, maar zij hadden allemaal belang bij een zekere mate van veiligheid. Geen heerser kon zijn belastinginkomsten behouden wanneer handel voortdurend onmogelijk werd gemaakt.
De groei van het malikisme verliep ook via zulke stedelijke netwerken. Juristen bouwden gezag op door onderwijs, rechtspraak en advies. Hun positie berustte niet uitsluitend op benoeming door vorsten en kon daardoor regimes overleven.
Ook Joodse families maakten deel uit van de economische en sociale wereld van Fez. Hun positie kon in tijden van conflict kwetsbaar worden, maar zij waren actief in ambachten en handel en verbonden lokale markten met bredere netwerken.
Wanneer men alleen de politieke kronieken leest, lijkt Fez soms ieder decennium opnieuw te worden gebroken. Wie naar haar sociale en economische geschiedenis kijkt, ziet eerder een stad die steeds opnieuw nieuwe machthebbers absorbeerde.
Toen de twee grote beschermheren hun greep verloren
Aan het einde van de tiende eeuw waren zowel de Fatimiden als de Omajjaden nog grote krachten. Kort daarna veranderde de politieke omgeving ingrijpend.
De Fatimiden hadden Egypte in 969 veroverd en hun hoofdstad naar Caïro verplaatst. Ifriqiya bleef belangrijk, maar het westelijke deel van hun rijk werd steeds meer bestuurd via andere dynastieën, vooral de Ziriden.
Cordoba bereikte ongeveer tegelijkertijd een periode van uitzonderlijke macht. Onder Abd al Rahman III, al Hakam II en later al Mansur kon het hof diep in de politiek van de Maghreb ingrijpen.
Na de dood van al Mansur in 1002 begon die stabiliteit te breken. Vanaf 1009 werd al Andalus getroffen door een langdurige burgeroorlog. In 1031 verdween het Omajjadische kalifaat van Cordoba definitief.
Voor vorsten in Marokko betekende dat meer vrijheid, maar ook minder externe steun. Een lokale dynastie kon zich gemakkelijker onafhankelijk gedragen wanneer geen sterke kalief voortdurend druk uitoefende. Tegelijk verdween daarmee ook de macht die een bondgenoot soms had geholpen om rivalen te verslaan.
De regionale emiraten kwamen daardoor meer op eigen benen te staan. Dat maakte de politieke kaart niet automatisch stabieler.
Sijilmasa had haar eigen geschiedenis
Sijilmasa wordt vaak pas interessant gemaakt op het moment dat de Almoraviden haar veroveren. De stad had toen echter al bijna drie eeuwen politieke en commerciële geschiedenis achter zich.
Zij was in de achtste eeuw ontstaan in de Tafilalt en werd verbonden met Miknasa-groepen uit een sufritische omgeving. Uit die gemeenschap kwam de Midraridische dynastie voort.
De Midrariden heersten veel langer over Sijilmasa dan veel van de latere families die in Fez aan de macht kwamen. Hun stad ontwikkelde muren, markten, moskeeën en bestuurlijke gebouwen en werd een belangrijk centrum aan de noordelijke rand van de Sahara.
Hun geschiedenis kende interne conflicten en opvolgingsproblemen. Toch bleef de dynastie opvallend lang bestaan. Pas in de tiende eeuw werd de druk van grote machten zo sterk dat haar zelfstandigheid definitief begon te verdwijnen.
De Fatimiden wilden invloed op de handelsroutes naar het zuiden. Tijdens hun campagnes kwam Sijilmasa onder hun controle en in 958 werd de stad opnieuw getroffen door de grote expeditie van Jawhar.
Rond 976 verdween de Midraridische dynastie als zelfstandige macht. Sijilmasa zelf bleef bestaan en bleef waardevol genoeg om telkens opnieuw door nieuwe vorsten te worden begeerd.
Waarom was de Sahara geen lege ruimte?
De rijkdom van Sijilmasa hing sterk samen met de handel door de Sahara. Goud uit West-Afrika bereikte via zuidelijke routes de Maghreb en al Andalus. Maar de karavaanhandel was breder dan goud alleen.
Zout, koper, textiel, paarden, graan, huiden en andere goederen bewogen in verschillende richtingen. Ook mensen werden tot slaaf gemaakt en verhandeld. De romantische voorstelling van eindeloze karavanen door een lege woestijn verbergt daardoor zowel de economische complexiteit als de hardheid van deze wereld.
De Sahara zelf was bovendien bewoond en politiek georganiseerd. Gemeenschappen kenden waterplaatsen, routes en seizoenen. Zij beheersten doorgangen en konden bescherming bieden of tol eisen.
Sanhaja-groepen als Lamtuna, Gudala en Massufa maakten deel uit van die zuidelijke wereld. Dat is belangrijk voor wat later gebeurde. De Almoraviden kwamen niet vanuit een politiek niets naar Sijilmasa. Zij kwamen uit dezelfde bredere Saharaanse ruimte waarvan de stad al eeuwen economisch afhankelijk was.
Aghmat en het zuiden vóór de stichting van Marrakesh
Ook Aghmat verdwijnt gemakkelijk uit het verhaal wanneer men de geschiedenis van Marokko vooral rond Fez organiseert. Toch was de stad vóór de opkomst van Marrakesh een van de belangrijkste stedelijke centra in het zuiden.
Aghmat lag in een vruchtbare omgeving aan de voet van de Hoge Atlas. Water, landbouw en de nabijheid van bergpassen maakten haar geschikt als markt en regionaal centrum.
Vanuit Aghmat liepen verbindingen naar Sous, Draa en routes die verder zuidwaarts gingen. De stad stond in een wereld waarin lokale elites, Masmuda-gemeenschappen, kooplieden en boeren elkaar ontmoetten.
Dat de Almoraviden Aghmat later als vroege basis konden gebruiken, kwam juist doordat er al veel aanwezig was. Zij hoefden geen stad uit niets op te bouwen om toegang tot de Atlas en zuidelijke landbouwgebieden te krijgen.
Ook Draa en Sous hadden eigen nederzettingen en handelsverbindingen. De Atlas vormde daarbij geen harde grens. Bergpassen waren verkeersaders en de gemeenschappen die ze beheersten waren cruciaal voor iedereen die troepen of goederen tussen noord en zuid wilde verplaatsen.
De stichting van Marrakesh zou deze zuidelijke wereld later een nieuw politiek centrum geven, maar stedelijk leven begon daar niet met de Almoraviden.
De Barghawata waren meer dan een voetnoot
Van de Barghawata is vooral hun religieuze afwijking bekend gebleven. In veel latere teksten verschijnen zij als de gemeenschap die uiteindelijk door de Almoraviden moest worden bestreden.
Maar voordat hun geschiedenis eindigde, hadden zij eeuwenlang een eigen politieke orde in Tamesna in stand gehouden.
Hun gebied strekte zich over grote delen van de Atlantische vlakten uit. De precieze grenzen veranderden, maar hun staat overleefde verschillende dynastieën in Fez.
Hun oorsprong wordt verbonden met de grote Amazigh-opstanden van de achtste eeuw en met sufritische invloeden. Later ontwikkelde de gemeenschap een eigen religieuze traditie. Middeleeuwse auteurs schrijven Salih ibn Tarif een profetische aanspraak toe en noemen een eigen heilige tekst en bijzondere rituele voorschriften.
Een groot deel van die informatie bereikt ons via buitenstaanders. Daarom is voorzichtigheid nodig wanneer we iedere afzonderlijke leerstelling willen reconstrueren. Modern onderzoek heeft erop gewezen dat het beeld van de Barghawata in latere bronnen steeds sterker door polemiek kan zijn gevormd.
Die voorzichtigheid hoeft hun eigenheid niet weg te verklaren. De aanwijzingen voor een bijzondere religieuze orde zijn te sterk om de gemeenschap eenvoudig als een gewone soennitische dynastie te behandelen die door vijanden verkeerd werd begrepen.
Politiek is hun lange voortbestaan minstens zo belangrijk als hun leer. Een staat die eeuwen standhoudt in vruchtbare gebieden aan de Atlantische zijde kan niet alleen als curiositeit worden behandeld.
Toen de Almoraviden later Tamesna binnentrokken, ontmoetten zij daarom geen vergeten randgebied. De strijd tegen de Barghawata werd zwaar en Abdullah ibn Yasin verloor er uiteindelijk zijn leven.
Nekor en een andere geschiedenis van de Rif
De Rif kende eveneens een eigen dynastieke traditie. Het emiraat Nekor, verbonden met de Banoe Salih, bestond al sinds de achtste eeuw.
De dynastie onderhield contacten met al Andalus en stond in verbinding met de Middellandse Zeehandel. De stad en haar omgeving werden verschillende keren aangevallen, onder andere door Noormannen en later door legers die vanuit de centrale Maghreb kwamen.
Toch wist de lokale dynastie zich na zware nederlagen geregeld te herstellen. Daardoor moeten verhalen waarin één veldtocht onmiddellijk het definitieve einde van Nekor zou hebben gebracht met enige voorzichtigheid worden gelezen.
Musa ibn Abi al Afiya behaalde waarschijnlijk een belangrijke overwinning in het gebied. Andere bronnen laten echter zien dat Salihidische machthebbers daarna nog terugkeerden of bleven bestaan.
De Rif was daarmee geen geïsoleerde bergwereld die slechts af en toe door grote dynastieën werd bezocht. Havens en wegen verbonden haar met al Andalus en met de rest van de Maghreb.
Pas tegen de Almoravidische periode verdween de oude politieke positie van Nekor definitief.
Zenata, Masmuda en Sanhaja waren geen drie gesloten blokken
De grote Amazigh-namen Zenata, Masmuda en Sanhaja zijn nuttig, maar kunnen gemakkelijk te veel verklaren.
Zenata-groepen waren sterk aanwezig in het noorden, oosten en de centrale Maghreb. Masmuda-gemeenschappen worden vooral verbonden met delen van westelijk en zuidelijk Marokko en de Atlas. Sanhaja-groepen leefden zowel in de centrale Maghreb als diep in de Sahara.
Binnen iedere brede groep bestonden grote verschillen. De Ziriden in Ifriqiya en de Lamtuna in de Sahara konden allebei Sanhaja worden genoemd zonder daarmee dezelfde politieke wereld te vormen. Ook Miknasa en Maghrawa konden verwant worden genoemd terwijl hun vorsten elkaar bevochten.
De latere strijd tussen Almoraviden en Zenata-dynastieën moet daarom niet worden voorgesteld als een eeuwenoude botsing tussen twee onveranderlijke volkeren. De Almoraviden waren een concrete beweging met een eigen religieuze en militaire organisatie. Hun tegenstanders waren concrete dynastieën met hun eigen belangen.
Genealogische namen boden identiteit en konden bondgenootschappen beïnvloeden, maar zij bepaalden de geschiedenis niet alleen.
Waarom ontstond onder de Zenata-dynastieën geen duurzaam rijk?
De vele Zenata-vorsten waren goed in staat steden te besturen en regionale staten op te bouwen. Zij beheersten markten, benoemden bestuurders, verzamelden legers en onderhandelden met de machtigste hoven van hun tijd.
Hun moeilijkheid lag ergens anders. Fez, Sijilmasa, de Rif, Tamesna en het zuiden hadden elk eigen economische en politieke netwerken. Een overwinning in één gebied gaf geen automatische toegang tot het andere.
Dynastieke macht rustte bovendien vaak sterk op persoonlijke relaties. Een succesvolle emir kon verschillende families en steden onder zijn gezag brengen. Wanneer hij stierf of zwaar werd verslagen, bleek niet altijd een instelling aanwezig die dat hele netwerk kon overnemen.
Ook de rivaliteit binnen dezelfde brede Zenata-wereld werkte tegen langdurige eenheid. Een overwinning van de Maghrawa betekende niet dat de Banoe Ifran of Miknasa zich daarmee vanzelf verbonden voelden.
Buitenlandse steun hielp soms een dynastie boven haar rivalen uit te stijgen, maar kon hetzelfde evenwicht later opnieuw verstoren. Cordoba of de Fatimiden konden een verslagen partij weer middelen geven om terug te keren.
Geen van deze factoren maakte politieke eenheid onmogelijk. Er bestond alleen geen vanzelfsprekende weg ernaartoe.
Tegen de elfde eeuw was de westelijke Maghreb daardoor gevuld met ervaren regionale machten, maar zonder één dynastie die gedurende langere tijd de verschillende politieke werelden tussen Sahara, Atlas, Atlantische kust, Rif en Fez bijeen kon houden.
Wat deden de Almoraviden anders?
De Almoraviden kwamen uit de Sahara, maar hun succes lag niet alleen in hun afkomst of in militaire kracht. De beweging groeide in een omgeving waarin religieuze hervorming, tribale samenwerking en controle over handelsroutes bij elkaar begonnen te komen.
Abdullah ibn Yasin gaf de beweging een duidelijke religieuze richting die sterk verbonden was met de malikitische traditie. Rond hem ontstond een gedisciplineerde achterban. Militaire leiding werd ondertussen gedragen door andere figuren, onder wie Yahya ibn Omar, Aboe Bakr ibn Omar en later Yusuf ibn Tashfin.
Die verdeling maakte de beweging minder afhankelijk van één vorst dan veel regionale dynastieën vóór haar.
Sijilmasa was een logisch vroeg doelwit. Wie die stad beheerste, kreeg toegang tot een oude stedelijke economie en tot routes die diep de Sahara in liepen.
Daarna kwamen Draa, Sous en Aghmat steeds meer binnen het bereik van de beweging. De Almoraviden bouwden hun macht dus niet vanuit één beslissende veldslag op. Zij voegden achtereenvolgens bestaande centra aan hun gebied toe en kregen daarmee telkens nieuwe economische middelen en politieke verantwoordelijkheden.
De strijd tegen de Barghawata liet zien dat deze expansie allesbehalve gemakkelijk was. Abdullah ibn Yasin kwam tijdens die campagne om het leven. Ook de Zenata-vorsten in het noorden gaven hun steden niet zonder strijd op.
Toch slaagden de Almoraviden erin een combinatie op grotere schaal vast te houden die eerder vaak verspreid was geweest: een religieus programma, militair leiderschap, Saharische verbindingen en toegang tot stedelijke economieën.
Dat maakte hun beweging niet onkwetsbaar en hun overwinning evenmin onvermijdelijk. Tussen hun eerste grote successen en de definitieve inname van Fez lagen jaren van strijd, heroveringen en verschuivend leiderschap.
Toen Fez rond 1069 of 1070 uiteindelijk blijvend onder Almoravidisch gezag kwam, werd daarom niet simpelweg orde opgelegd aan een land dat meer dan een eeuw in chaos had verkeerd. De nieuwe staat bouwde voort op steden die al lang bestonden, op handelsroutes die ouder waren dan de beweging zelf en op religieuze en bestuurlijke ontwikkelingen die onder eerdere dynastieën waren begonnen.
Wat veranderde, was de schaal waarop deze elementen konden worden verbonden.
De lange periode tussen Idrisiden en Almoraviden krijgt daardoor een andere betekenis. Zij was geen leegte tussen twee belangrijke hoofdstukken. Fez leerde in deze eeuw te leven met wisselende dynastieën. Sijilmasa behield haar plaats tussen Maghreb en Sahara. De Rif, Tamesna en het zuiden hielden eigen politieke tradities in stand. Fatimiden en Omajjaden ontdekten hoe moeilijk de verste Maghreb vanuit de verte te beheersen was, terwijl lokale vorsten leerden die rivaliteit voor hun eigen ambities te gebruiken.
De Almoraviden zouden veel van die regionale machten uiteindelijk verslaan. Maar juist doordat er vóór hen al steden, handelsnetwerken, geleerden, oude dynastieën en politieke ervaringen bestonden, konden zij later een staat bouwen die veel verder reikte dan hun oorspronkelijke Saharaanse omgeving.
Wie de opkomst van de Almoraviden werkelijk wil begrijpen, moet daarom niet beginnen bij het moment waarop zij Fez binnentrokken. Het verhaal begint eerder, in een Marokko dat al generaties lang zonder één centrum leefde en waarin iedere nieuwe macht eerst moest leren omgaan met de vele werelden die zij wilde verenigen.
Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.
Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam











