Marokko tussen de Idrisiden en de Almoraviden: de laatste Zenata-emiraten aan de vooravond van een nieuwe politieke orde – deel 2

De laatste Zenata-emiraten in Marokko met de stad Fez, rivaliserende machtscentra en een naderende nieuwe orde

Met de dood van Ziri ibn Atiyya in 1001 en het uiteenvallen van het Omajjadische kalifaat in al Andalus begon voor Marokko een nieuwe politieke fase. De Maghrawa en Banoe Ifran beheersten invloedrijke steden, vruchtbare gebieden en strategische handelsroutes, maar konden niet meer terugvallen op één machtig hof dat hun onderlinge verhoudingen ordende.

In de eerste helft van de elfde eeuw groeiden Fez en Sijilmasa verder als zelfstandige centra van handel en bestuur. Achter die stedelijke kracht school echter een politieke kwetsbaarheid. De verschillende Zenata-emiraten werden bestuurd door concurrerende familietakken, beschikten over eigen regionale belangen en vonden geen duurzame vorm waarin zij hun macht konden bundelen.

Toen in het midden van de eeuw een georganiseerde beweging uit de Sahara naar het noorden oprukte, trof zij daarom geen leeg of ingestort land aan. Zij ontmoette gevestigde emiraten, groeiende steden en oude regionale machten, maar ook een politiek landschap waarin geen enkele dynastie de afzonderlijke machtscentra blijvend met elkaar had verbonden.

Na Ziri ibn Atiyya: wie erfde zijn macht?

Ziri ibn Atiyya had zijn positie opgebouwd door oorlog, diplomatie en een voortdurende afweging tussen samenwerking met Cordoba en politieke zelfstandigheid. Hij beheerste Fez, richtte Oujda in als nieuw machtscentrum en voerde campagnes tot diep in de centrale Maghreb. Zijn gezag berustte echter niet op een sterk gecentraliseerd staatsapparaat dat automatisch op zijn zoon kon overgaan.

Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon al Muizz ibn Ziri. Al Mansur erkende hem als bestuurder over een groot deel van Marokko, met uitzondering van Sijilmasa. Die uitzondering was belangrijk. Zij maakte duidelijk dat zelfs Cordoba de gebieden van de Maghrawa niet als één onverdeeld rijk behandelde. Sijilmasa werd bestuurd door een andere tak van dezelfde brede stamgroep, maar vormde een zelfstandige politieke macht.

Al Muizz erfde Fez en de naam van zijn vader, maar niet diens persoonlijke gezag over alle leiders van de Maghrawa. De bronnen vertellen aanzienlijk minder over zijn regering dan over die van Ziri. Dat zwijgen betekent niet noodzakelijk dat zijn bewind betekenisloos was. Het laat vooral zien dat kronieken meer aandacht besteden aan grote oorlogen en opvallende machtswisselingen dan aan jaren waarin een emir zijn gebied probeerde te behouden.

Ook over het einde van zijn regering bestaat geen volledige overeenstemming. Sommige reconstructies plaatsen zijn dood rond 1026, andere enkele jaren later. Daarna kwam Hamama ibn al Muizz ibn Atiyya aan de macht. Ondanks de overeenkomst in namen was Hamama geen zoon van de regerende al Muizz ibn Ziri, maar behoorde hij tot een andere tak van de familie van Atiyya. De opvolging verliep dus niet eenvoudig van vader op zoon, maar bewoog tussen verwante familietakken die elk aanspraak konden maken op het leiderschap.

Dit patroon zou de Maghrawa-emiraten blijven achtervolgen. Verwantschap schiep een dynastieke gemeenschap, maar leverde geen vaste opvolgingsregel op. Een sterke neef, oom of broer kon meer steun verzamelen dan de zoon van de overleden emir. Daardoor werd iedere troonswisseling een moment waarop oude bondgenootschappen opnieuw moesten worden opgebouwd.

De dood van al Mansur en de burgeroorlog in al Andalus

Ziri ibn Atiyya en al Mansur overleden kort na elkaar. Daarmee verdwenen twee mannen die, ieder vanuit zijn eigen positie, jarenlang de verhouding tussen Cordoba en de Zenata hadden bepaald.

Al Mansur was formeel geen kalief, maar beheerste tijdens het bewind van Hisham II vrijwel alle belangrijke politieke en militaire beslissingen in al Andalus. Hij ontving leiders van de Maghrawa aan het hof, verleende titels en stuurde Andalusische legers naar de overzijde van de Straat van Gibraltar. Voor de Zenata-emirs betekende zijn steun meer dan een symbolische erkenning door een verre heerser.

Na zijn dood in 1002 probeerden zijn zonen zijn positie voort te zetten. Zij slaagden er niet in dezelfde balans te bewaren tussen het kalifale huis, het leger, Arabische elites, Slavische hovelingen en troepen van Amazigh-afkomst. De spanningen liepen op en mondden vanaf 1009 uit in de grote Andalusische burgeroorlog (fitna).

Troepen van Amazigh-afkomst speelden daarin een belangrijke rol. Verschillende militaire groepen uit de Maghreb waren al eerder naar al Andalus overgebracht en hadden zich daar onder bescherming van het hof gevestigd. Tijdens de burgeroorlog sloten zij zich aan bij rivaliserende kandidaten voor het kalifaat of bouwden zij eigen machtsposities op.

Het is verleidelijk om daaruit af te leiden dat de Zenata-emiraten in Marokko massaal hun beste strijders verloren. Zo’n algemene conclusie gaat verder dan de beschikbare bronnen toelaten. Wel is duidelijk dat politieke en militaire energie naar al Andalus verschoof. Leiders en strijders van Maghrebijnse afkomst kregen daar nieuwe mogelijkheden, terwijl de oude verbinding met één stabiel hof in Cordoba verdween.

De oorlog leidde uiteindelijk tot de opkomst van afzonderlijke Andalusische stadstaten (taifa’s), die elk hun eigen heerser hadden. Ook families met een Zenata-achtergrond vestigden daar lokale dynastieën. Takken van de Banoe Ifran kwamen bijvoorbeeld aan de macht in Ronda. De politieke beweging liep dus niet meer uitsluitend van Cordoba naar Marokko. Mannen en families uit de Maghreb namen nu deel aan de verdeling van al Andalus zelf.

Voor de emirs van Fez betekende dit dat de overzijde van de zee een partner bleef, maar niet langer één centrale macht vertegenwoordigde. De titel of benoeming die ooit uit Cordoba kwam, verloor haar vroegere kracht toen niemand meer onbetwist namens het Omajjadische kalifaat kon spreken.

Van bondgenoten van Cordoba naar zelfstandige emirs

De ineenstorting van het Omajjadische kalifaat veranderde niet van de ene dag op de andere de manier waarop macht in Marokko werkte. Lokale emirs bleven behoefte houden aan religieuze erkenning, militaire bondgenoten en handelscontacten. Wat verdween, was het politieke centrum dat verschillende Zenata-heersers binnen één bredere hiërarchie had proberen te plaatsen.

Onder Abd al Rahman III en al Mansur kon een emir zich als bestuurder namens Cordoba laten benoemen. Dat gaf hem prestige tegenover plaatselijke rivalen en kon toegang bieden tot Andalusische troepen, wapens, geld en diplomatieke steun. Tegelijk legde die erkenning beperkingen op: een te zelfstandige emir kon door Cordoba worden bestraft, zoals Ziri ibn Atiyya had ervaren.

In de elfde eeuw werden deze verhoudingen losser. De heersers van Fez bleven contacten onderhouden met de taifa’s en met gemeenschappen aan de overzijde van de zeestraat, maar hun gezag rustte steeds meer op de steden, routes en strijdkrachten die zij zelf beheersten.

Die grotere zelfstandigheid bracht geen politieke eenheid. Fez, Sijilmasa en andere regionale centra ontwikkelden hun eigen dynastieke belangen. Nu geen kalifaal hof meer boven hen stond, werd het moeilijker om te bepalen welke emir rechtmatig boven de anderen kon worden geplaatst.

Sijilmasa na de Midrariden: een zelfstandige Maghrawa-staat

Terwijl in Fez de afstammelingen en verwanten van Ziri ibn Atiyya regeerden, ontstond in Sijilmasa een afzonderlijke Maghrawa-dynastie. Haar oorsprong lag bij Khazrun ibn Fulful, die in 976 een einde had gemaakt aan de Midraridische heerschappij.

Na de dood van Khazrun kwam zijn zoon Wanudin aan de macht. Hij moest Sijilmasa aanvankelijk verlaten toen de Sanhaja-heerser Buluqqin ibn Ziri oprukte. Rond het jaar 1000 wist hij de stad terug te winnen.

Al Muizz van Fez probeerde vervolgens Sijilmasa aan zijn gezag te onderwerpen. Wanudin versloeg hem. De oorlog was bijzonder veelzeggend: twee Maghrawa-heersers streden om een stad die door geen van beiden als vanzelfsprekend bezit van de hele stamgroep werd beschouwd.

In 1016 verklaarde Wanudin zijn onafhankelijkheid. Hij breidde zijn invloed uit in de richting van de Moulouya en Sefrou en maakte van Sijilmasa een van de sterkste Maghrawa-emiraten van die tijd.

De stad beschikte over een andere machtsbasis dan Fez. Haar rijkdom was verbonden met de oases van de Tafilalt en met de karavaanroutes naar de Sahara en West-Afrika. De emir kon inkomsten halen uit markten, tol, bescherming en handel. Tegelijk was hij afhankelijk van de veiligheid van lange routes en van samenwerking met gemeenschappen die de woestijn doorkruisten.

Na Wanudin kwam zijn zoon Masoed ibn Wanudin aan de macht. Hij bestuurde geen verzwakte buitenpost, maar een oude stad met eigen elites, religieuze instellingen en handelsbelangen. Juist daardoor zou de latere confrontatie met de beweging uit de Sahara een betekenis krijgen die verder reikte dan het lot van één emir.

Fez en Sijilmasa: twee Maghrawa-machten die zich niet verenigden

Fez en Sijilmasa werden beide bestuurd door Maghrawa-families. Toch vormden zij nooit één samenhangende staat. Hun gedeelde Zenata-achtergrond was onvoldoende om dynastieke en economische belangen te overbruggen.

De twee steden lagen aan verschillende uiteinden van een belangrijke noord-zuidverbinding. Sijilmasa ontving goederen en goud uit de Saharawereld. Fez verwerkte, verhandelde en verspreidde goederen verder naar het noorden, de centrale Maghreb en al Andalus.

Dat maakte hun economieën onderling afhankelijk, maar afhankelijkheid leidt niet automatisch tot politieke samenwerking. Wie Sijilmasa beheerste, wilde zelf profiteren van de karavaanhandel en kon proberen zijn invloed verder naar het noorden uit te breiden. De emir van Fez had er belang bij de zuidelijke routes te beveiligen, maar wilde niet afhankelijk zijn van een andere Maghrawa-familie die steeds machtiger werd.

Wanudin breidde zijn gebied uit tot in de richting van Sefrou en bedreigde daarmee de invloedssfeer van Fez. Al Muizz had hem eerder met geweld proberen te onderwerpen. Deze voorgeschiedenis maakte een gelijkwaardig bondgenootschap moeilijk.

Er is onvoldoende bewijs om te stellen dat economische rivaliteit alleen hun vereniging verhinderde. Familiegeschiedenis, regionale machtsbases en het ontbreken van een algemeen erkende leider waren minstens even belangrijk. Wel versterkte de handel het politieke belang van iedere stad en daarmee de weigering haar zelfstandigheid op te geven.

Een duurzame samenwerking tussen Fez en Sijilmasa had mogelijk een sterke noord-zuidmacht kunnen vormen. In werkelijkheid bestond er geen gezamenlijke schatkist, geen gedeeld leger en geen bestuurlijke organisatie die de handelsroute als één politiek geheel beschermde.

Dat betekende niet dat de inwoners van beide steden geen economische banden hadden. Handelaars konden blijven reizen, krediet verlenen en familiecontacten onderhouden terwijl hun heersers elkaar wantrouwden. De politieke grens viel niet volledig samen met de economische wereld.

Juist daarin lag een structurele zwakte: de handelsruimte was groter dan de staat die haar moest beschermen.

De Banoe Ifran tussen Salé, Chellah en Tadla

Terwijl de Maghrawa Fez en Sijilmasa bestuurden, vormden de Banoe Ifran een derde belangrijke Zenata-macht in het westen van de Maghreb. Zij waren geen nieuwkomers. Hun politieke geschiedenis reikte terug tot de vroege kharidjitische bewegingen in Noord-Afrika en tot emiraten in de centrale Maghreb.

In Marokko bouwden zij een machtsbasis op rond Salé, Chellah, Tadla en delen van de Atlantische vlakten. Deze ligging gaf hun toegang tot de kust, de wegen naar Fez en de overgangsgebieden in de richting van Tamesna.

Salé was zowel een kustplaats als een toegangspoort tot het binnenland. Chellah lag strategisch bij de rivier en kon dienen als residentie en militair centrum. Tadla verbond de Atlantische gebieden met de routes naar het Atlasgebergte. Een macht die deze plaatsen beheerste, kon Fez vanuit het westen en zuidwesten onder druk zetten.

De bekendste heerser van de Banoe Ifran in deze periode was Aboe al Kamal Tamim ibn Ziri. Sommige bronnen schrijven hem campagnes tegen de Barghawata in Tamesna toe en stellen dat hij delen van hun bevolking verdreef of tot slavernij bracht. De berichten zijn afkomstig uit tradities die de Barghawata sterk vijandig beschrijven en kunnen daarom niet zonder kritiek worden overgenomen.

Wel staat vast dat Tamim zijn machtsgebied verder naar het westen uitbreidde en vervolgens sterk genoeg werd om de strijd om Fez aan te gaan. Hij trad niet op als een toevallige plunderaar uit een afgelegen gebied, maar als het hoofd van een regionaal emiraat met eigen steden, troepen en politieke ambities.

De Banoe Ifran en de Maghrawa waren beide onderdeel van de Zenata. Dat maakte hun strijd niet minder hevig. Zij richtten zich op dezelfde steden, handelsroutes en vruchtbare gebieden. Hun gedeelde achtergrond leverde geen gemeenschappelijke staat op, maar betekende wel dat beide partijen uit vergelijkbare netwerken strijders en bondgenoten konden aantrekken.

Waarom konden de Banoe Ifran Fez innemen?

In 1033 wist Tamim ibn Ziri Fez op Hamama te veroveren. Dat succes kan niet alleen worden verklaard door de militaire kracht van de Banoe Ifran. Het hield ook verband met de kwetsbaarheid van de Maghrawa-heerschappij.

Hamama had de macht overgenomen binnen een dynastie die uit meerdere concurrerende familietakken bestond. Zijn gezag buiten Fez was niet overal onbetwist. De verbindingen met Cordoba konden hem niet langer dezelfde bescherming bieden als in de tijd van Ziri ibn Atiyya. Bovendien bezaten de Banoe Ifran steunpunten dicht genoeg bij Fez om de stad langdurig onder druk te zetten.

De geschreven bronnen vertellen weinig over de houding van de stedelijke bevolking tijdens de aanval. Daardoor weten we niet in welke mate Tamim hulp kreeg van groepen binnen Fez. Middeleeuwse steden werden zelden uitsluitend door hun muren verdedigd. Familierivaliteit, ontevredenheid over belastingen, samenwerking met poortwachters of steun van een bepaalde wijk konden het verschil maken tussen een mislukte belegering en een geslaagde inname.

De verovering ging gepaard met ernstig geweld tegen de Joodse bevolking. Latere historische werken spreken over plundering, gevangenneming van vrouwen en duizenden doden. Het vaak herhaalde aantal van zesduizend slachtoffers komt uit een laat overgeleverde traditie en kan niet als een moderne telling worden gecontroleerd. De precieze omvang blijft daarom onzeker, maar de kern van de overlevering is te consistent om het geweld als een latere verzinning terzijde te schuiven.

Het is belangrijk deze gebeurtenis niet te reduceren tot een korte voetnoot in een dynastieke machtsstrijd. De Joodse gemeenschap maakte deel uit van het economische en sociale leven van Fez. Confiscatie van bezit en geweld tegen gezinnen betekenden niet alleen menselijk verlies, maar ontwrichtten ook handelsnetwerken, ambachten en stedelijke relaties.

Evenmin mag het geweld automatisch worden verklaard vanuit een onveranderlijke religieuze identiteit van alle Banoe Ifran. De aanval vond plaats binnen een strijd om politieke macht waarin een kwetsbare bevolkingsgroep doelwit werd van roof en onderdrukking. De bronnen schrijven Tamim een sterke religieuze houding toe, maar laten niet toe de volledige gebeurtenis tot één leerstellige oorzaak te herleiden.

Hamama keert terug: de herovering van Fez

Na het verlies van Fez trok Hamama zich terug naar het oosten. Turkstalige academische studies noemen Oujda en Tenes als plaatsen waar hij opnieuw steun verzamelde. Die terugtocht laat zien dat zijn macht niet uitsluitend van Fez afhing. De Maghrawa beschikten over verwante groepen en bondgenoten langs de wegen naar de centrale Maghreb.

Vier jaar na de verovering keerde Hamama terug. Rond 1037 of 1038 verdreef hij Tamim uit Fez. De heerser van de Banoe Ifran trok zich terug naar Salé en behield daar een regionale machtsbasis.

De herovering betekende niet dat de Banoe Ifran waren uitgeschakeld. Hun gebieden ten westen en zuiden van Fez bleven bestaan. Hamama herwon de hoofdstad, maar niet het monopolie op politieke macht in Marokko.

Zijn volgende stappen tonen dat hij grotere ambities had. Rond 1038 of 1039 ondernam hij een campagne tegen de Hammadiden in de centrale Maghreb. Deze Sanhaja-dynastie was ontstaan uit de bredere Ziridische machtswereld en beheerste een gebied dat zich ten oosten van de Zenata-emiraten uitstrekte.

Volgens de overlevering ontmoette de Hammadidische emir al Qaid het leger van Hamama en wist hij strijders van de Maghrawa met geld tot overlopen te bewegen. Hamama trok zich daarop terug naar Fez en erkende de Hammadidische emir. Het is moeilijk vast te stellen hoe ver die onderwerping in de praktijk ging. Waarschijnlijk ging het eerder om een politieke erkenning na een mislukte campagne dan om een volledige opname van Fez in het Hammadidische bestuur.

De gebeurtenis laat wel zien dat de Maghrawa niet konden handelen alsof de centrale Maghreb buiten hun politieke wereld lag. De Hammadiden beschikten over voldoende middelen om bondgenoten binnen de Zenata te beïnvloeden en zouden later opnieuw rechtstreeks in Fez optreden.

Hamama overleed tussen ongeveer 1039 en 1042. Zijn regering had de macht van de Maghrawa hersteld, maar ook haar beperkingen zichtbaar gemaakt. Hij kon Fez terugwinnen, maar niet de Banoe Ifran uitschakelen, Sijilmasa onderwerpen of de druk uit het oosten blijvend terugdringen.

Dunas ibn Hamama: een periode van orde en groei

Na Hamama kwam zijn zoon Dunas ibn Hamama aan de macht. De bronnen geven verschillende jaartallen voor het precieze begin van zijn regering, maar verbinden hem consequent met een langere periode van stabiliteit en stedelijke ontwikkeling.

Dunas wordt minder vaak genoemd in verhalen over grote veldslagen dan zijn voorgangers. Dat is juist een deel van zijn historische betekenis. Hij vertegenwoordigt een vorm van Zenata-heerschappij die niet uitsluitend op verovering was gericht, maar ook op het beheren en uitbreiden van een bestaande stad.

Onder zijn bewind groeide de bevolking van Fez. Nieuwe wijken ontstonden buiten de oudere muren, waarna delen van deze bebouwing met nieuwe verdedigingswerken werden omgeven. Dunas liet moskeeën, badhuizen en handelsverblijven bouwen of ondersteunen.

De bouw van zulke voorzieningen had zowel een sociale als een politieke functie. Een moskee bood ruimte voor gebed, onderwijs en openbare bekendmakingen. Een badhuis was een noodzakelijk onderdeel van het stedelijke leven. Een handelsverblijf bood kooplieden en hun dieren een veilige plaats en maakte toezicht op goederen en belastingen mogelijk.

Dunas moest zijn gezag niet alleen aan krijgers tonen, maar ook aan bewoners die veiligheid, water en toegang tot markten verwachtten. Zijn regering steunde daarom op de economische kracht van Fez. De stad was aantrekkelijk voor immigranten, handelaars, ambachtslieden en geleerden uit al Andalus, Kairouan en andere delen van de Maghreb.

Dat Fez in deze tijd groeide, betekent niet dat oorlog en ongelijkheid verdwenen. De emir moest rivalen binnen zijn familie en daarbuiten in bedwang houden. Belastingen en gedwongen arbeid kunnen eveneens een rol hebben gespeeld bij bouwprojecten. De bronnen, die vooral de zichtbare resultaten prijzen, vertellen weinig over de lasten die gewone bewoners droegen.

Toch is het beeld duidelijk genoeg om de gangbare voorstelling van een donker tijdperk tussen twee grote dynastieën te corrigeren. Dunas bestuurde geen ruïne. Hij regeerde over een stad die zo snel groeide dat haar infrastructuur moest worden aangepast.

Fez onder Dunas: bestuur, wijken en stedelijke uitbreiding

Fez bestond nog altijd uit twee stedelijke delen aan weerszijden van de rivier. De ene zijde werd verbonden met de gemeenschap van de Kairouaniërs, de andere met die van de Andalusiërs. Beide hadden eigen moskeeën, markten, poorten en invloedrijke families.

Tijdens de regering van Dunas groeiden de bebouwde gebieden naar elkaar toe. Nieuwe huizen vulden delen van de ruimte tussen de oudere kernen. Bruggen verbonden de twee oevers en maakten het dagelijkse verkeer eenvoudiger. Deze ontwikkeling bracht Fez dichter bij een geïntegreerde stad, maar schafte de oude verschillen niet af.

De twee zijden bleven bestuurlijk en politiek herkenbaar. Een emir moest daarom meerdere stedelijke gemeenschappen tevreden houden. Een conflict binnen de regerende familie kon gemakkelijk aansluiten bij bestaande rivaliteiten tussen wijken, families of economische groepen.

Ook de waterinfrastructuur werd verder ontwikkeld. Fez beschikte door haar ligging over stromend water dat naar huizen, moskeeën, werkplaatsen, molens en badhuizen kon worden geleid. De exacte toeschrijving van ieder kanaal en iedere brug aan één emir is moeilijk, omdat veel voorzieningen later werden hersteld of uitgebreid. De bredere ontwikkeling onder Zenata-heerschappij is echter goed zichtbaar.

Een groeiende stad vroeg om organisatie van markten, wegen en veiligheid. De emir beschikte waarschijnlijk over bestuurders die toezicht hielden op belastingen en orde, terwijl rechters en religieuze geleerden geschillen behandelden. Lokale vooraanstaanden behielden invloed omdat zij toegang hadden tot geld, personeel en sociale netwerken.

Het bestuur was daardoor geen eenvoudige piramide waarin alle bevelen uit het paleis kwamen. Dunas kon bouwen en belasting heffen, maar had de samenwerking van stedelijke gemeenschappen nodig. Zijn macht was sterker dan die van een tijdelijke militaire bezetter, maar minder alomvattend dan die van een moderne centrale staat.

Onder Dunas bleek dat Fez voldoende economische middelen bezat om politieke wisselingen te overleven. Tegelijk werd juist de groeiende stad een steeds grotere prijs in de strijd om de opvolging. Hoe rijker Fez werd, hoe meer rivaliserende familieleden te winnen hadden door een deel ervan in handen te krijgen.

De laatste fase van de Banoe Ifran, Aghmat en Tamesna

De Banoe Ifran behielden hun regionale basis

Nadat Hamama Fez had heroverd, verdwenen de Banoe Ifran niet uit het politieke landschap. Zij bleven verbonden met Salé, Chellah, Tadla en omliggende gebieden.

Hun emiraat bezat niet dezelfde grote stedelijke kern als Fez, maar beheerste routes tussen de Atlantische kust, Tamesna en het binnenland. Daardoor konden zij invloed uitoefenen zonder de hoofdstad permanent in handen te hebben.

De Banoe Ifran werden eveneens gehinderd door dynastieke verdeeldheid en de verspreiding van familietakken. Sommige verwanten vestigden zich in al Andalus en namen daar deel aan de politiek van de taifa’s. Andere groepen bleven in de centrale Maghreb actief.

In Marokko vormden zij een zelfstandige tegenmacht tegenover de Maghrawa. Hun bestaan verhinderde dat een overwinning in Fez automatisch gezag over de westelijke vlakten opleverde. Tegelijk slaagden zij er niet in hun regionale basis om te vormen tot een project dat Fez, Sijilmasa en andere machtscentra kon verenigen.

Aghmat vóór de komst van de nieuwe macht

Aghmat lag aan de voet van de Hoge Atlas en was een belangrijk centrum voor landbouw en handel. De stad verbond de vlakten met bergpassen, Sous, Draa en de wegen naar de Sahara.

Ibn Khaldun vermeldt een Maghrawa-emiraat in Aghmat, maar zegt dat hij de namen van de vroegere emirs niet kon vaststellen. Dat is een belangrijke waarschuwing. De politieke geschiedenis van Aghmat kan niet met dezelfde reeks namen worden verteld als die van Fez.

Het ontbreken van bekende emirnamen betekent niet dat de stad zonder bestuur was. Aghmat bezat lokale elites, handelaars, landbouwbelangen en banden met omliggende Masmuda-groepen. De macht kan er sterker verdeeld zijn geweest tussen een emir, stedelijke vooraanstaanden en regionale leiders.

In het midden van de elfde eeuw wordt Laggoet ibn Yusuf genoemd als laatste heerser van de Maghrawa-lijn in Aghmat. Zijn precieze afkomst en de grenzen van zijn gebied zijn niet volledig duidelijk. Zijn positie laat wel zien dat de macht van de Zenata zich verder naar het zuiden uitstrekte dan Fez en Sijilmasa alleen.

Tamesna bleef een eigen politieke wereld

In Tamesna hield de macht van de Barghawata stand. Hun religieuze traditie en vroegere geschiedenis hoeven hier niet opnieuw volledig te worden verteld om hun politieke betekenis in de elfde eeuw te begrijpen.

De vruchtbare Atlantische vlakten boden landbouwgrond, bevolking en routes langs de kust. De Barghawata hadden eeuwen van aanvallen en rivaliteit overleefd en waren geen los verband dat bij de eerste externe druk uiteen zou vallen.

Hun verhouding met de Banoe Ifran was complex. Er waren gewelddadige campagnes en territoriale botsingen, maar de beschikbare bronnen maken het moeilijk om een ononderbroken grens of een eenvoudige oorlog tussen twee gesloten staten te tekenen.

De drie gebieden — het emiraat van de Banoe Ifran, Aghmat en Tamesna — vormden geen gezamenlijk politiek blok. Zij hadden elk een eigen geschiedenis, machtsstructuur en geografische basis. Wat hen verbond, was vooral dat geen van hen duurzaam onder het gezag van Fez stond.

Daarom kon een nieuwe macht Marokko niet verenigen door slechts één hoofdstad in te nemen. Zij moest afzonderlijk omgaan met de Zenata-emiraten, de stedelijke elites van Aghmat, de regionale macht van de Banoe Ifran en de langdurige weerstand van de Barghawata.

De val van Sijilmasa: de eerste grote breuk in het bestaande politieke stelsel

In 1053 of 1054 werd Sijilmasa ingenomen door de beweging die later als de Almoraviden bekend zou worden. Vanuit het standpunt van de bestaande Zenata-emiraten was dit geen gewone grensaanval.

Sijilmasa was een gevestigde stad en het centrum van een zelfstandig Maghrawa-emiraat. Haar heerser Masoed ibn Wanudin beschikte over inkomsten uit handel, landbouw en belastingheffing. De stad had eerdere Fatimidische, Sanhaja- en Zenata-conflicten overleefd.

De nieuwe tegenstander kwam vanuit de Saharawereld waarmee Sijilmasa juist haar rijkdom had opgebouwd. Dat betekende dat de aanvallers niet uitsluitend van buiten de handelsroutes kwamen. Zij kenden het terrein, de karavaanverbindingen en de groepen die tussen de noordelijke steden en West-Afrika bewogen.

De precieze gang van de eerste verovering verschilt in de bronnen. Latere verhalen presenteren een ordelijke religieuze campagne waarin de inwoners werden opgeroepen hun bestuur te hervormen. Andere reconstructies benadrukken de economische en militaire waarde van de stad. Waarschijnlijk waren beide dimensies aanwezig: religieuze hervorming en politieke controle konden binnen deze beweging niet van elkaar worden gescheiden.

De val van Sijilmasa beëindigde niet onmiddellijk alle Zenata-heerschappij in Marokko. Dunas regeerde nog in Fez, de Banoe Ifran behielden hun gebieden, Aghmat had eigen leiders en Tamesna bleef onder de Barghawata. Zelfs Sijilmasa zelf werd niet door één overwinning zonder verdere strijd volledig onderworpen.

Toch was dit de eerste grote breuk in het bestaande stelsel. Voor het eerst werd een van de belangrijkste stedelijke Zenata-emiraten uitgeschakeld door een macht die niet voortkwam uit de oude rivaliteit tussen Maghrawa, Banoe Ifran, Fatimiden, Omajjaden of Hammadiden.

De gebeurtenis veranderde ook het economische evenwicht. Wie Sijilmasa beheerste, kreeg toegang tot een centrale karavaanroute en tot middelen waarmee verdere campagnes konden worden ondersteund. Fez en Aghmat konden de nieuwe beweging daarom niet langer behandelen als een conflict dat zich ver weg in de Sahara afspeelde.

De dood van Dunas en de crisis van de opvolging

Dunas overleed rond 1059 of 1060. Zijn dood beëindigde een periode waarin één emir beide delen van Fez onder een herkenbaar gezag had gehouden.

Er bestond geen opvolgingsregeling die door alle leiders van de Maghrawa vanzelfsprekend werd aanvaard. Zijn zonen Futuh en Ajisa maakten beiden aanspraak op de macht. In plaats van één gezamenlijke regering ontstond een verdeling van Fez.

Futuh beheerste een van de twee stedelijke delen, terwijl Ajisa zich in het andere vestigde. De precieze koppeling van iedere broer aan een bepaalde oever verschilt soms in moderne overzichten. De bredere gebeurtenis staat minder ter discussie: de dubbele stedelijke structuur werd de basis voor een dubbele dynastieke macht.

De bronnen zijn evenmin volledig eens over de namen en familierelaties. Een traditie noemt Futuh en Ajisa als zonen van Dunas. Een andere overlevering geeft een afwijkende naam of plaatst een andere verwant naast Futuh. Deze verschillen komen voort uit laat samengestelde kronieken, varianten in handschriften en de herhaling van dezelfde namen binnen de familie.

De historische kern is belangrijker dan een schijnzeker stamboomschema. Na de dood van Dunas kon geen erfgenaam onmiddellijk de volledige stad opeisen. Het gezag werd opgesplitst en beide partijen gebruikten de bestaande muren, poorten en wijkgemeenschappen om hun eigen positie te verdedigen.

Daarmee veranderde een familieconflict in een stedelijke burgeroorlog. De rivalen streden niet alleen om een titel, maar beheersten elk belastinginkomsten, markten, soldaten en een deel van de bevolking.

Futuh en Ajisa: twee broers verdelen Fez

De strijd tussen Futuh en Ajisa duurde volgens verschillende reconstructies ongeveer drie jaar. Iedere broer versterkte zijn eigen deel van de stad en probeerde de toegang tot de andere oever te beheersen.

De rivier, die Fez economisch en geografisch met elkaar verbond, werd nu een militaire grens. Bruggen konden worden afgesloten of bewaakt. Poorten bepaalden welke troepen en goederen een wijk bereikten. De bewoners konden niet buiten het conflict blijven, omdat hun voedselvoorziening, veiligheid en handel afhingen van de partij die hun omgeving bestuurde.

De namen van beide broers leven volgens een bekende traditie voort in Bab Futuh en Bab Guissa. Bab Futuh ligt aan de zuidoostelijke zijde van de oude stad; Bab Guissa aan de noordkant. De oudere naam van Bab Guissa wordt vaak met Ajisa verbonden.

Deze uitleg is aannemelijk, maar niet volledig onproblematisch. De huidige poorten zijn in latere perioden verbouwd en de verhalen over hun namen zijn overgeleverd door geschiedschrijvers die na de gebeurtenissen leefden. Het is daarom zorgvuldiger te zeggen dat de stedelijke herinnering de poorten met beide rivalen verbond dan dat iedere zichtbare steen rechtstreeks uit hun regering dateert.

Uiteindelijk versloeg Futuh zijn broer. Sommige bronnen plaatsen de dood van Ajisa rond 1061. De overwinning herstelde formeel het gezag van één Maghrawa-heerser over Fez, maar het conflict had de stad en de dynastie verzwakt.

Futuh erfde geen rustig rijk. Hij kreeg een stad waarin wijken jarenlang tegenover elkaar hadden gestaan, soldaten verschillende loyaliteiten hadden opgebouwd en rivaliserende familietakken niet waren verdwenen. Zijn overwinning beëindigde de openlijke broederstrijd, maar loste het onderliggende opvolgingsprobleem niet op.

Een familietwist die de Maghrawa-staat verzwakte

De oorlog tussen Futuh en Ajisa was meer dan een persoonlijk conflict tussen twee ambitieuze broers. Zij tastte de middelen aan waarmee de emir van Fez zijn staat bestuurde.

Wanneer twee heersers ieder een deel van dezelfde stad beheersen, raakt ook de belastinginning verdeeld. Kooplieden kunnen bij meerdere poorten of markten worden belast. Wegen worden minder veilig en goederen bereiken de stad moeilijker. Bewoners verplaatsen hun bezit of stellen investeringen uit omdat niemand weet welke partij zal winnen.

Ook het leger raakt verdeeld. Strijders die hun positie en inkomen aan één broer te danken hebben, hebben weinig reden om de ander na diens overwinning onmiddellijk te vertrouwen. Een emir die de stad herenigt, moet voormalige tegenstanders ontwapenen, verzoenen of vervangen. Dat vraagt tijd en geld.

De oorlog verzwakte bovendien de greep van Fez op gebieden buiten de muren. Lokale leiders konden een opvolgingsstrijd gebruiken om belasting achter te houden of zelfstandiger te worden. Rivalen in Salé, Tadla of de centrale Maghreb zagen dat de emir zijn aandacht en strijdkrachten in de hoofdstad nodig had.

Het is daarom onjuist om de latere ondergang van de Maghrawa uitsluitend toe te schrijven aan de kracht van een nieuwe tegenstander. Die tegenstander trad op in een omgeving waarin de regerende familie haar eigen politieke centrum had verdeeld.

Even onjuist is het om deze verdeeldheid voor te stellen als een onveranderlijk gevolg van stamleven. Dynastieke burgeroorlogen kwamen ook voor in grote stedelijke kalifaten en koninkrijken. Het bijzondere probleem in Fez was dat de politieke instellingen onvoldoende sterk waren om de opvolging boven de rivaliteit tussen familietakken te plaatsen.

De rijkdom van de stad kon dit niet oplossen. Fez had markten, ambachtslieden, water en een groeiende bevolking, maar haar bestuurlijke samenhang bleef afhankelijk van het vermogen van één emir om de regerende familie en de stedelijke groepen bijeen te houden.

De laatste Maghrawa-heersers van Fez en de druk uit het oosten

De overwinning van Futuh betekende niet dat hij lang ongestoord kon regeren. In 1062 trok de Hammadidische emir Buluqqin ibn Muhammad vanuit de centrale Maghreb naar het westen en nam Fez tijdelijk in.

De Hammadiden waren geen onbekende buitenstaanders. Hamama had eerder met hun emir al Qaid te maken gehad. Hun nieuwe optreden bevestigde dat het politieke lot van Fez nog altijd verbonden was met machtsverschuivingen in de centrale Maghreb.

Buluqqins bezetting duurde slechts enkele maanden. Hij werd vermoord en zijn leger trok zich terug. Toch had de campagne duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar Fez na de burgeroorlog was. Een oostelijke macht kon de stad innemen zonder haar blijvend te hoeven besturen.

Na het vertrek van de Hammadiden kozen de Maghrawa opnieuw een leider uit de bredere familie van Ziri ibn Atiyya. Zijn naam wordt in de bronnen en moderne reconstructies verschillend weergegeven, onder meer als Muannasir en Muansar. Die onzekerheid is meer dan een klein spellingverschil: zij weerspiegelt varianten in handschriften en latere genealogische reconstructies.

Muannasir probeerde de macht van de Maghrawa te herstellen, maar regeerde in een omgeving waarin de dynastie al verschillende zware klappen had gekregen. Na hem kwam Tamim aan de macht. Ook over de precieze jaren van hun regering bestaat geen volledige overeenstemming.

Latere kronieken laten deze laatste heersers vooral verschijnen in verhalen over de komst van de Almoraviden. Daardoor weten we minder over hun gewone bestuur dan over hun verzet en dood. Het risico bestaat dat zij uitsluitend worden voorgesteld als laatste obstakels vóór een onvermijdelijke nieuwe dynastie.

Voor hen was de toekomst echter niet vooraf bepaald. De Hammadidische bezetting was voorbijgegaan, de Maghrawa hadden Fez opnieuw in handen en de stad behield haar economische kracht. Zij konden hopen dat ook de druk uit het zuiden tijdelijk zou blijken. Pas in de daaropvolgende jaren werd duidelijk dat de nieuwe beweging uit de Sahara anders was georganiseerd dan een voorbijtrekkend leger.

Waarom konden de Zenata-emiraten geen duurzame politieke eenheid vormen?

De kwetsbaarheid van de Zenata-emiraten lag niet in het ontbreken van steden, rijkdom of bestuurlijke ervaring. Fez, Sijilmasa, Salé en Aghmat beschikten over markten, belastinginkomsten, regionale netwerken en eigen politieke elites. Het probleem was dat deze middelen binnen afzonderlijke emiraten bleven en niet werden samengebracht in een duurzame overkoepelende orde.

De brede naam Zenata schiep verwantschap, maar geen gemeenschappelijk staatsverband. De Maghrawa en Banoe Ifran konden elkaar juist als directe concurrenten beschouwen, terwijl ook binnen de Maghrawa verschillende familietakken om voorrang streden. Er bestond geen algemeen erkende opvolgingsregel en geen instelling die een dynastiek conflict kon beslechten voordat het in oorlog veranderde.

De geografie versterkte deze zelfstandigheid. Fez was gericht op het noorden, het binnenland en de verbinding met al Andalus. Sijilmasa ontleende haar macht aan de Sahara en de karavaanhandel. Aghmat was verbonden met de Atlas, Sous en Draa, terwijl Salé en Chellah een Atlantische positie bezaten. Iedere regio had daarom eigen belangen die niet vanzelf samenvielen met die van de andere machtscentra.

Ook de militaire organisatie bleef sterk afhankelijk van persoonlijke trouw. Een succesvolle emir kon strijders, familieleden en regionale bondgenoten om zich heen verzamelen, maar dat netwerk was kwetsbaar bij zijn dood of nederlaag. Zonder een stabiele schatkist, een gemeenschappelijk leger en een vaste bestuurlijke hiërarchie moest iedere opvolger de macht grotendeels opnieuw opbouwen.

De ineenstorting van Cordoba maakte deze zwakte zichtbaarder. Zij bevrijdde de emirs van een verre politieke voogd, maar verwijderde tegelijk een bron van geld, titels en militaire ondersteuning. De nieuwe Andalusische stadstaten konden afzonderlijke contacten onderhouden, maar boden geen gemeenschappelijk kader meer waarbinnen de Zenata-heersers hun onderlinge verhouding konden regelen.

Ten slotte ontbrak een religieus-politiek project dat boven de afzonderlijke families stond en door verschillende steden als blijvende orde kon worden aanvaard. De emiraten beschikten over religieuze instellingen en relaties met geleerden, maar geen van hun heersers wist daaruit een beweging te vormen die dynastieke loyaliteit, militaire discipline en regionale uitbreiding binnen één breder programma samenbracht.

Dat betekent niet dat hun nederlaag onvermijdelijk was. Krachtige heersers hadden eerder bewezen dat grote gebieden tijdelijk konden worden verbonden. Maar tegen het midden van de elfde eeuw stonden de belangrijkste emiraten naast elkaar zonder gezamenlijk verdedigingsverband. Hun steden bleven rijk en hun regionale machten bleven reëel, maar ieder centrum moest afzonderlijk reageren op een tegenstander die juist zijn kracht ontleende aan organisatie, samenhang en een bredere politieke richting.

Met de val van Sijilmasa was die tegenstelling voor het eerst scherp zichtbaar geworden. Fez bleef nog in handen van de Maghrawa en ook de Banoe Ifran, Aghmat en de Barghawata waren niet verslagen. Toch was duidelijk geworden dat de bestaande emiraten niet alleen met een nieuwe rivaal te maken hadden, maar met een ander model van machtsvorming.

De vraag was daarom niet langer uitsluitend welke familie Fez, Salé of een andere stad zou beheersen. Steeds dringender werd de vraag of een landschap van afzonderlijke emiraten stand kon houden tegenover een beweging die religieuze hervorming, militaire organisatie en controle over de Sahararoutes binnen één groeiend politiek project wist te verenigen.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.