Marokko tussen de Idrisiden en de Almoraviden: de laatste Zenata-emiraten aan de vooravond van een nieuwe politieke orde – deel 2

De laatste Zenata-emiraten in Marokko met de stad Fez, rivaliserende machtscentra en een naderende nieuwe orde

Met de dood van Ziri ibn Atiyya rond 1001 verloor de Maghrawa-wereld een van haar krachtigste vorsten. Een jaar later stierf ook al Mansur, de man die vanuit Cordoba jarenlang de politieke verhouding met de westelijke Maghreb had beïnvloed. Binnen enkele jaren verdwenen daarmee twee figuren die ieder op hun eigen manier een groot netwerk van macht bijeen hadden gehouden.

Wat daarna gebeurde, was geen plotselinge ineenstorting. Fez bleef een rijke stad, Sijilmasa bleef de noordelijke poort naar de Sahara en de Banoe Ifran behielden hun gebieden aan de Atlantische zijde. De Zenata-dynastieën hadden steden, handelsroutes en legers in handen en waren allerminst uitgeput. Maar de politieke omgeving waarin zij opereerden veranderde. Cordoba zou uiteenvallen, familietakken binnen dezelfde dynastie kregen steeds meer ruimte om elkaar te bestrijden en regionale steden gingen sterker voor hun eigen belangen leven.

Juist in die eerste helft van de elfde eeuw werd zichtbaar hoe dicht kracht en kwetsbaarheid naast elkaar konden bestaan. Fez kon groeien terwijl de dynastie die haar bestuurde intern verdeeld raakte. Sijilmasa kon rijk worden zonder zich met Fez te verenigen. Een emir kon een verloren hoofdstad heroveren en toch andere gebieden buiten zijn bereik zien blijven. Toen vanuit de Sahara een nieuwe beweging naar het noorden begon te trekken, kwam zij daarom niet tegenover een stervend land te staan, maar tegenover een landschap van gevestigde machten die ieder sterk genoeg waren om zichzelf te verdedigen en te verdeeld om gezamenlijk te handelen.

Na Ziri ibn Atiyya: wie kon zijn macht werkelijk erven?

Ziri ibn Atiyya had zijn positie niet geërfd als leider van een strak gecentraliseerde staat. Hij had haar zelf opgebouwd door oorlog, familiebanden, diplomatie en zijn ingewikkelde verhouding met Cordoba. Fez was zijn belangrijkste stad geworden en Oujda had hij ontwikkeld als een tweede machtscentrum, maar zijn gezag hing sterk samen met zijn persoonlijke reputatie en met de bereidheid van andere Maghrawa-leiders hem te volgen.

Zijn zoon al Muizz ibn Ziri nam een deel van die erfenis over. Vanuit Cordoba werd hij erkend als bestuurder over een groot gebied, maar Sijilmasa viel daar nadrukkelijk buiten. Dat ene detail zegt veel over de politieke werkelijkheid van die jaren. Sijilmasa werd eveneens door een Maghrawa-familie bestuurd, maar niemand behandelde de hele Maghrawa-wereld alsof zij vanzelfsprekend één staat vormde.

Over de regering van al Muizz vertellen de bronnen veel minder dan over de spectaculaire loopbaan van zijn vader. Dat hoeft niet te betekenen dat er weinig gebeurde. Middeleeuwse kronieken hebben nu eenmaal meer oog voor een veldslag, opstand of dynastieke val dan voor jaren waarin een vorst belastingen inde, conflicten bemiddelde en probeerde een bestaande orde in stand te houden.

Ook zijn sterfjaar is niet overal gelijk overgeleverd. Daarna kwam Hamama ibn al Muizz ibn Atiyya naar voren, afkomstig uit een andere tak van de bredere familie van Atiyya. Daarmee werd opnieuw zichtbaar dat verwantschap wel een dynastieke kring schiep, maar niet automatisch bepaalde wie na de dood van een emir moest regeren. Een sterke broer, neef of andere verwant kon een betere machtsbasis hebben dan een directe zoon.

Dit opvolgingsprobleem zou Fez nog zwaar treffen. Zolang een krachtige emir boven de familietakken stond, konden verschillen worden onderdrukt. Zodra die persoon verdween, moest de politieke eenheid telkens opnieuw worden opgebouwd.

Toen Cordoba zelf uiteenviel

De dood van al Mansur in 1002 had gevolgen die ver buiten al Andalus reikten. Formeel was hij geen kalief, maar onder Hisham II had hij vrijwel alle belangrijke militaire en politieke beslissingen naar zich toegetrokken. Maghrawa-leiders kwamen naar zijn hof, ontvingen er titels en geschenken en konden rekenen op Andalusische steun wanneer hun positie in de Maghreb werd bedreigd.

Zijn zonen wisten die constructie niet te behouden. Spanningen aan het hof, conflicten rond de Omajjadische familie en rivaliteit tussen verschillende militaire groepen liepen vanaf 1009 uit op de grote burgeroorlog in al Andalus.

Ook strijders en leiders van Amazigh-afkomst speelden daarin een belangrijke rol. Sommigen waren al eerder vanuit Noord-Afrika naar het Iberisch Schiereiland gekomen en hadden daar posities in het leger verworven. Nu het centrale gezag wegviel, konden zij zich achter verschillende kandidaten voor het kalifaat scharen of hun eigen machtsbasis zoeken.

Daarmee veranderde de richting van de politieke invloed. In de eeuw daarvoor had Cordoba regelmatig geprobeerd de Maghreb via plaatselijke bondgenoten te sturen. Nu trokken families en legers uit de Maghreb zelf dieper de Andalusische politiek binnen. Takken van de Banoe Ifran zouden bijvoorbeeld een eigen dynastie in Ronda vestigen.

Toen het Omajjadische kalifaat in 1031 definitief verdween, bleef al Andalus belangrijk voor Marokko, maar niet meer als één hof dat titels, troepen en politieke erkenning vanuit één centrum kon verdelen. De taifa-staten die ervoor in de plaats kwamen hadden hun eigen belangen en rivaliteiten.

Voor de emirs in Fez betekende dat grotere vrijheid. Niemand in Cordoba kon nog op dezelfde manier bepalen wie als belangrijkste bondgenoot in de Maghreb moest worden behandeld. Maar vrijheid had een prijs. Dezelfde macht die vroeger steun kon leveren tegen een rivaal bestond niet meer.

De Zenata-emirs stonden steeds meer op eigen benen.

Sijilmasa kiest haar eigen politieke koers

Terwijl in Fez verschillende afstammelingen en verwanten van Ziri ibn Atiyya om de macht draaiden, had zich in Sijilmasa een afzonderlijke Maghrawa-dynastie gevestigd.

Khazrun ibn Fulful had daar in 976 een einde gemaakt aan de oude Midraridische heerschappij. Na hem kwam zijn zoon Wanudin aan de macht. Zijn positie was aanvankelijk allesbehalve zeker. Toen Buluqqin ibn Ziri met zijn Sanhaja-leger naar het westen trok, moest Wanudin de stad verlaten. Rond het jaar 1000 wist hij Sijilmasa opnieuw in handen te krijgen.

Vanuit Fez probeerde al Muizz de stad daarna onder zijn eigen gezag te brengen. Hij slaagde er niet in. Wanudin versloeg hem en bouwde verder aan een zelfstandige positie. Rond 1016 presenteerde hij zich openlijk als onafhankelijk vorst en breidde hij zijn invloed naar het noorden uit, richting Moulouya en Sefrou.

Zo ontstond een merkwaardige situatie. Fez en Sijilmasa werden bestuurd door families die tot dezelfde brede Maghrawa-wereld behoorden, maar functioneerden als twee afzonderlijke staten.

Voor Sijilmasa was dat niet vreemd. De stad had al eeuwen een eigen geschiedenis en een eigen economische horizon. Haar markten leefden van de Tafilalt, de oases en vooral van verbindingen door de Sahara. Goederen en goud uit West-Afrika kwamen hier het noordelijke handelsnetwerk binnen. Een emir die Sijilmasa beheerste, bezat daardoor een bron van inkomsten en politieke invloed die niet afhankelijk was van Fez.

Na Wanudin volgde zijn zoon Masoed ibn Wanudin. Hij regeerde over een oude stad met eigen elites, kooplieden en instellingen. Toen de Almoraviden later voor Sijilmasa verschenen, stonden zij daarom niet tegenover een verzwakte buitenpost, maar tegenover een regionale staat die gewend was haar zelfstandigheid te verdedigen.

Waarom vormden Fez en Sijilmasa geen gezamenlijke macht?

Economisch waren Fez en Sijilmasa moeilijk van elkaar los te denken. Politiek konden zij elkaar juist als rivalen behandelen.

Goederen uit de Sahara bereikten via Sijilmasa het noorden. Fez stond vervolgens in verbinding met markten in de centrale Maghreb en al Andalus. Handelaars hoefden zich weinig aan dynastieke trots gelegen te laten liggen wanneer er winst te maken viel. Zij konden blijven reizen en krediet verlenen terwijl de emirs elkaar wantrouwden.

Voor de vorsten lag dat anders. Wie Sijilmasa beheerste, wilde zelf profiteren van de karavaanhandel en kon vanuit het zuiden zijn invloed uitbreiden. De emir van Fez had belang bij dezelfde routes, maar wilde niet afhankelijk worden van een tweede Maghrawa-familie die steeds sterker werd.

Wanudins uitbreiding richting Sefrou bracht die twee machtswerelden dicht bij elkaar. Al Muizz had bovendien al geprobeerd hem militair te onderwerpen. Er bestond daardoor weinig basis voor een gelijkwaardig partnerschap.

Achteraf is het verleidelijk te vragen wat er zou zijn gebeurd als beide steden hun middelen hadden gebundeld. Een gezamenlijke macht van Fez tot Sijilmasa zou belangrijke noord-zuidroutes hebben kunnen controleren. Maar zo’n staat bestond niet. Er was geen gezamenlijke schatkist, geen leger dat beide steden diende en geen dynastieke structuur waarin één familie vrijwillig haar zelfstandigheid aan de andere ondergeschikt maakte.

De handelswereld was groter dan de politieke orde die haar moest beschermen. Juist dat zou later belangrijk worden.

De Banoe Ifran aan de Atlantische zijde

Naast de Maghrawa van Fez en Sijilmasa bestond in het westen nog een andere belangrijke Zenata-macht. De Banoe Ifran beheersten gebieden rond Salé, Chellah, Tadla en delen van de Atlantische vlakten.

Die ligging gaf hun een eigen strategische positie. Salé bood toegang tot de kust en de rivier. Vanuit Tadla liepen routes naar de Atlas en het binnenland. De Banoe Ifran konden Fez daardoor vanuit westelijke en zuidwestelijke richting onder druk zetten zonder zelf afhankelijk te zijn van de hoofdstad.

Aboe al Kamal Tamim ibn Ziri werd in deze periode hun bekendste vorst. Sommige historische berichten verbinden hem met harde campagnes tegen de Barghawata in Tamesna. Zij spreken over gevangenen, verdrijving en slavernij. Omdat veel van deze verhalen uit tradities komen die de Barghawata zeer vijandig beschreven, is het moeilijk ieder detail met dezelfde zekerheid te gebruiken.

Tamims politieke kracht staat minder ter discussie. Hij beheerste een regionaal emiraat met eigen steden en strijders en werd uiteindelijk sterk genoeg om Fez zelf aan te vallen.

De gedeelde Zenata-afkomst van Banoe Ifran en Maghrawa bracht hen daarbij niet dichter bij elkaar. Zij streden om dezelfde vruchtbare gebieden, routes en steden. De naam Zenata verbond genealogieën; zij schiep geen gemeenschappelijke regering.

Hoe konden de Banoe Ifran Fez veroveren?

In 1033 veroverde Tamim Fez op Hamama. De overwinning zegt zowel iets over de kracht van de Banoe Ifran als over de kwetsbaarheid van het Maghrawa-bestuur.

Hamama regeerde over een dynastie waarin verschillende familietakken aanspraak op macht konden maken. De vroegere beschermende band met Cordoba stelde veel minder voor dan onder Ziri ibn Atiyya. Bovendien lagen de machtsgebieden van de Banoe Ifran dicht genoeg bij Fez om langdurige militaire druk mogelijk te maken.

Hoe de bevolking van de stad tijdens de aanval reageerde, weten we nauwelijks. Dat gebrek aan informatie is belangrijk. Middeleeuwse steden werden niet alleen door muren verdedigd. De houding van poortwachters, vooraanstaande families, wijkgroepen of mensen die ontevreden waren over belasting of bestuur kon mede bepalen of een belegering slaagde.

De inname van Fez werd vooral berucht door het geweld tegen de Joodse bevolking. Latere historische werken vertellen over plundering, gevangenneming en grote aantallen doden. Een vaak genoemd getal van zesduizend slachtoffers kan niet als een moderne telling worden gecontroleerd en komt via latere overlevering tot ons.

Dat maakt het geweld zelf niet onbelangrijk of ongeloofwaardig. De verhalen zijn te hardnekkig om de hele gebeurtenis als een latere verzinning weg te zetten. Voor de Joodse gemeenschap van Fez betekende de aanval een zware breuk. Het ging om mensen die deel uitmaakten van de handels- en ambachtswereld van de stad, niet om een geïsoleerde groep buiten de samenleving.

Tegelijk is het te eenvoudig om het geweld uitsluitend uit één religieuze identiteit van de Banoe Ifran te verklaren. De aanval vond plaats binnen een harde strijd om stad, bezit en politieke macht, waarbij een kwetsbare gemeenschap slachtoffer werd van plundering en onderdrukking. Over Tamims religieuze overtuigingen vertellen de bronnen verschillende dingen, maar zij geven ons onvoldoende basis om iedere daad tijdens de verovering tot één leerstellige oorzaak terug te brengen.

Hamama verliest Fez en keert terug

Na zijn nederlaag verdween Hamama niet uit de geschiedenis. Hij trok naar het oosten, waar de Maghrawa nog bondgenoten en verwante groepen hadden. Oujda en gebieden verder richting de centrale Maghreb boden ruimte om opnieuw een leger en politiek netwerk op te bouwen.

Rond 1037 of 1038 keerde hij terug en verdreef Tamim uit Fez. De Banoe Ifran trokken zich terug naar hun westelijke machtsbasis. De hoofdstad was opnieuw Maghrawa, maar de tegenstander was daarmee niet vernietigd.

Hamama keek daarna zelfs verder naar het oosten. Rond 1038 of 1039 trok hij tegen de Hammadiden op, de Sanhaja-dynastie die in de centrale Maghreb een sterk rijk had opgebouwd.

De campagne liep slecht af. Volgens historische berichten wist de Hammadidische emir al Qaid verschillende Maghrawa-strijders door geld en beloften van Hamama weg te trekken. Hamama moest zich terugtrekken en erkende vervolgens het gezag van al Qaid.

Hoe diep die onderwerping werkelijk ging, is moeilijk vast te stellen. Fez werd geen gewone Hammadidische provincie. Waarschijnlijk ging het vooral om politieke erkenning na een mislukte oorlog.

Hamama stierf niet lang daarna, waarschijnlijk ergens tussen het einde van de jaren dertig en het begin van de jaren veertig van de elfde eeuw. Zijn regering laat goed zien wat de Maghrawa nog konden en waar hun grenzen lagen. Hij had Fez na een zware nederlaag weten terug te winnen, maar Sijilmasa bleef buiten zijn macht, de Banoe Ifran bleven bestaan en in het oosten stond een Hammadidisch rijk dat hij niet kon onderwerpen.

Dunas ibn Hamama: Fez groeit terwijl de kronieken stiller worden

Na Hamama kwam zijn zoon Dunas ibn Hamama aan de macht. Zijn naam verschijnt minder vaak in verhalen over spectaculaire veldslagen, maar juist daardoor opent zijn regering een ander venster op de geschiedenis van Fez.

Onder Dunas groeide de stad. Nieuwe wijken verschenen buiten oudere muren en delen van die uitbreiding werden vervolgens weer ommuurd. Historische bronnen verbinden zijn regering met de bouw of ondersteuning van moskeeën, badhuizen en handelsverblijven.

Dat zijn minder dramatische gegevens dan een veldslag, maar voor de bewoners van Fez waren zij waarschijnlijk belangrijker in hun dagelijks leven. Een badhuis was onderdeel van de stedelijke infrastructuur. Handelsverblijven boden veiligheid aan kooplieden, goederen en dieren. Moskeeën waren plaatsen van gebed, onderwijs en openbaar leven.

De groei trok mensen van verschillende kanten aan. Fez bleef verbonden met al Andalus, Kairouan en andere delen van de Maghreb. Handelaars, ambachtslieden en geleerden konden zich vestigen in een stad die ondanks tientallen jaren van dynastieke strijd economisch aantrekkelijk bleef.

Ook deze periode moet niet te idyllisch worden gemaakt. Stedelijke bouw kostte geld en arbeid en de bronnen zeggen weinig over wie daarvoor betaalde of welke lasten gewone bewoners droegen. Dunas moest bovendien rekening houden met rivaliserende familieleden en regionale tegenstanders.

Maar één beeld kunnen we moeilijk volhouden: dat Fez in de eeuw vóór de Almoraviden slechts langzaam wegzonk. De stad breidde zich juist uit.

Hoe veranderde Fez onder Dunas?

De oude dubbele structuur van Fez bestond onder Dunas nog altijd. Aan weerszijden van de rivier lagen de twee historische stadsdelen die verbonden werden met respectievelijk Kairouaanse en Andalusische gemeenschappen.

Beide kanten hadden hun eigen moskeeën, markten, poorten en invloedrijke families. Tegelijk groeide de bebouwing steeds verder naar elkaar toe. Bruggen verbonden de oevers en nieuwe woningen vulden delen van de ruimte tussen de oudere kernen.

De stad werd fysiek meer één geheel zonder dat haar oude sociale en politieke verschillen onmiddellijk verdwenen. Een emir moest dus meer dan één stedelijke gemeenschap besturen. Lokale families en wijknetwerken bleven invloed houden.

Ook de beroemde waterstructuur van Fez speelde een belangrijke rol in deze groei. Stromend water kon naar woningen, werkplaatsen, molens, moskeeën en badhuizen worden geleid. Welke afzonderlijke brug of waterleiding precies onder welke emir werd aangelegd, is niet altijd meer vast te stellen, omdat latere generaties veel hebben hersteld en verbouwd.

Belangrijker is dat de Zenata-periode ook een tijd van stedelijke ontwikkeling was. De vorsten die later door de Almoraviden werden verslagen hadden geen stilstaande stad geërfd. Zij bestuurden een steeds waardevoller politiek en economisch centrum.

Juist dat maakte de opvolging ook gevaarlijker. Wie Fez erfde, erfde belastinginkomsten, markten en prestige. Voor rivaliserende familieleden stond dus veel op het spel.

Buiten Fez: Banoe Ifran, Aghmat en Tamesna

Tijdens Dunas’ regering was de rust van Fez geen afspiegeling van een verenigd land. De Banoe Ifran bleven in hun gebieden rond Salé, Chellah en Tadla aanwezig. In Aghmat bestond een andere machtswereld. Tamesna bleef grotendeels verbonden met de Barghawata en Sijilmasa had haar eigen Maghrawa-dynastie.

De Banoe Ifran hadden na hun verlies van Fez nog altijd toegang tot Atlantische routes en tot gebieden richting Tadla. Zij hoefden de hoofdstad niet te bezitten om een regionale macht te blijven.

Aghmat lag ondertussen aan de voet van de Hoge Atlas en profiteerde van landbouw, handel en verbindingen richting Sous, Draa en de Sahara. Ibn Khaldun noemt er een Maghrawa-heerschappij, maar geeft zelf toe dat de namen van oudere emirs hem niet bekend waren. Alleen al dat gegeven waarschuwt tegen de verleiding om de geschiedenis van Aghmat dezelfde dynastieke helderheid te geven als die van Fez.

In het midden van de elfde eeuw wordt Laggoet ibn Yusuf genoemd als een van de laatste heersers daar vóór de Almoravidische verovering. Over de precieze omvang van zijn gebied en zijn familieverbanden weten we minder dan we zouden willen. Aghmat zelf is duidelijker zichtbaar dan de dynastie die haar bestuurde.

Verder naar het westen hielden de Barghawata stand. Hun staat in Tamesna had al eeuwen verschillende vijanden overleefd. De vruchtbare Atlantische vlakten gaven de gemeenschap een stevige territoriale basis en maakten haar tot meer dan een religieuze curiositeit uit de kronieken.

Geen van deze gebieden vormde samen met de andere één blok tegen Fez. Dat was juist het probleem. De Banoe Ifran, Aghmat en de Barghawata hadden elk een eigen politiek verleden, een eigen machtsbasis en eigen vijanden.

Een nieuwe macht die Marokko werkelijk wilde beheersen, zou daarom meer moeten doen dan Fez veroveren.

Wat veranderde met de val van Sijilmasa?

Rond 1053 of 1054 bereikte de beweging die later bekend zou worden als de Almoraviden Sijilmasa. Voor de Maghrawa-heerser Masoed ibn Wanudin was dat geen aanval uit de bekende kring van rivalen.

De stad had Fatimidische invallen, Sanhaja-legers en strijd met andere Zenata-vorsten meegemaakt. Nu kwam de dreiging vanuit de Sahara zelf, uit de wereld waarmee Sijilmasa haar economische betekenis juist had opgebouwd.

De Almoravidische beweging kende de karavaanroutes en de gemeenschappen die door de woestijn trokken. Zij was niet slechts een leger dat vanuit een verre hoofdstad was gestuurd. Haar eigen machtsbasis lag langs dezelfde zuidelijke netwerken waarvan Sijilmasa afhankelijk was.

De bronnen vertellen de eerste verovering niet allemaal op dezelfde manier. Latere verhalen leggen nadruk op religieuze hervorming en op klachten over het bestuur van de stad. Andere historische reconstructies wijzen vanzelfsprekend ook op de enorme economische en strategische waarde van Sijilmasa.

Die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten. Voor de Almoraviden liepen religieuze hervorming, politieke orde en militaire uitbreiding niet als volledig gescheiden projecten naast elkaar.

De val van Sijilmasa maakte de Almoraviden nog niet tot heersers van Marokko. Fez bleef onder Dunas, de Banoe Ifran behielden hun gebieden, de Barghawata waren niet verslagen en Aghmat had eigen machthebbers. Zelfs Sijilmasa zelf zou niet zonder verdere strijd definitief onder hun gezag blijven.

Toch was er iets veranderd. Een van de belangrijkste stedelijke emiraten was nu aangevallen en ingenomen door een beweging die niet voortkwam uit de oude rivaliteit tussen de plaatselijke dynastieën.

De Sahara was niet langer alleen de zuidelijke wereld waaraan Sijilmasa haar handel dankte. Vanuit diezelfde wereld kwam nu een macht die naar het noorden keek.

De dood van Dunas opent Fez opnieuw

Rond 1059 of 1060 stierf Dunas ibn Hamama. Tijdens zijn regering had Fez een periode van relatieve stabiliteit en groei gekend. Zijn dood bracht onmiddellijk een oud probleem terug: wie had recht op de macht?

Zijn zonen Futuh en Ajisa maakten beiden aanspraak op de heerschappij. In plaats van dat één van hen zonder discussie de hele stad overnam, werd de bestaande dubbele structuur van Fez bijna letterlijk een politieke scheidslijn.

Iedere broer beheerste een deel van de stad. Welke oever precies aan wie toebehoorde wordt in moderne reconstructies niet altijd gelijk weergegeven, en ook de namen en familierelaties verschillen enigszins tussen de overgeleverde bronnen. De hoofdzaak is duidelijker dan die genealogische details: Fez had opnieuw twee heersers.

De stad die onder Dunas naar elkaar toe was gegroeid, werd nu door een familieconflict verdeeld. Bruggen, poorten en wijken kregen daardoor een militaire betekenis. Belastinginkomsten, markten en plaatselijke soldaten kwamen eveneens onder twee verschillende machtscentra te staan.

Een opvolgingscrisis veranderde in een burgeroorlog binnen één stad.

Futuh en Ajisa: wanneer de rivier een grens wordt

De strijd tussen beide broers duurde volgens verschillende reconstructies ongeveer drie jaar. Dat betekende dat de inwoners van Fez niet alleen een korte paleiscrisis meemaakten, maar gedurende langere tijd leefden in een stad waarvan beide zijden door rivaliserende leiders werden bestuurd.

De rivier die handel en dagelijks verkeer mogelijk maakte kon nu ook een grens worden. Bruggen konden worden bewaakt en poorten afgesloten. Wie graan, goederen of mensen naar een andere wijk wilde brengen, bewoog door een conflict dat hij zelf misschien niet had gekozen.

De namen Futuh en Ajisa zijn in de stedelijke herinnering verbonden geraakt met Bab Futuh en Bab Guissa. De huidige poorten stammen niet eenvoudig in hun zichtbare vorm uit de elfde eeuw; zij zijn later verbouwd. Het verband met beide rivalen komt vooral uit de historische naamtraditie.

Uiteindelijk versloeg Futuh zijn broer. Sommige bronnen plaatsen de dood van Ajisa rond 1061. Daarmee werd Fez formeel opnieuw onder één heerser gebracht.

Maar de stad van vóór de burgeroorlog kwam niet vanzelf terug. Soldaten hadden verschillende loyaliteiten opgebouwd, wijkbelangen waren in de strijd betrokken geraakt en rivaliserende familietakken waren niet verdwenen omdat één broer was gestorven.

Futuh won de stad. Hij erfde tegelijk de schade die de strijd had veroorzaakt.

Hoe verzwakte de burgeroorlog de Maghrawa?

De betekenis van de strijd tussen Futuh en Ajisa ligt niet alleen in de familiegeschiedenis van de Maghrawa. De oorlog raakte precies de middelen waarop de emir van Fez voor zijn macht vertrouwde.

Een verdeelde stad betekent verdeelde inkomsten. Handelaren kunnen met verschillende belastingen of controles worden geconfronteerd. Wegen worden onveiliger en investeringen riskanter. Wie bezit heeft, kan ervoor kiezen het verborgen te houden of naar een veiliger gebied te verplaatsen.

Ook een leger kan niet eenvoudig weer één geheel worden zodra een oorlog voorbij is. Strijders die jarenlang inkomen, bescherming of positie aan één partij te danken hadden, vertrouwen de overwinnaar niet automatisch. De nieuwe emir moet hen verzoenen, vervangen of onder controle brengen.

Buiten Fez zagen plaatselijke leiders ondertussen dat de hoofdstad met zichzelf bezig was. Belastingen konden moeilijker worden geïnd en rivalen kregen ruimte om zelfstandiger op te treden.

De latere val van de Maghrawa kan daarom niet alleen worden verklaard door te zeggen dat de Almoraviden militair sterker waren. Zij kwamen tegenover een dynastie te staan die haar belangrijkste stad kort daarvoor zelf had verdeeld.

Dat was geen uniek gevolg van een “tribale mentaliteit”. Burgeroorlogen over opvolging kwamen ook voor in grote kalifaten en stedelijke koninkrijken. Het probleem van Fez lag specifieker: er bestond geen instelling die sterk genoeg was om een dynastiek opvolgingsconflict boven de familiebelangen uit te tillen voordat het de stad zelf bereikte.

De Hammadiden verschijnen opnieuw in Fez

Futuh kreeg nauwelijks tijd om zijn positie rustig te herstellen. In 1062 trok Buluqqin ibn Muhammad, emir van de Hammadiden, vanuit de centrale Maghreb naar het westen en nam Fez tijdelijk in.

De Hammadiden waren voor de Maghrawa geen onbekende tegenstander. Hamama had al eerder geprobeerd hun macht uit te dagen en was gedwongen hun politieke superioriteit te erkennen. Nu verschenen zij rechtstreeks in Fez.

Hun bezetting duurde niet lang. Buluqqin werd enkele maanden later vermoord en zijn leger trok zich terug. Voor de stad was het opnieuw een bewijs hoe snel politieke macht kon wisselen.

Na het vertrek van de Hammadiden kozen de Maghrawa opnieuw een leider uit de bredere familie van Ziri ibn Atiyya. Zijn naam verschijnt in verschillende vormen in de bronnen, onder meer Muannasir en Muansar. Daarna kwam Tamim naar voren als een van de laatste Maghrawa-heersers van Fez.

Over hun dagelijkse bestuur weten we opvallend weinig. De latere kronieken bekijken hen vooral vanuit wat daarna kwam: de Almoravidische verovering. Daardoor dreigen deze mannen in de geschiedenis slechts de “laatste heersers vóór de val” te worden.

Voor henzelf moet de situatie minder onvermijdelijk hebben geleken. Fez had al eerder Fatimidische, Banoe Ifran- en Hammadidische aanvallen overleefd. De stad was teruggekeerd onder Maghrawa-bestuur en haar economie bleef bestaan. Er was geen reden waarom een heerser in Fez vanzelf moest weten dat de tegenstander uit het zuiden dit keer een blijvende nieuwe orde zou vestigen.

Waarom konden de Zenata-emiraten geen duurzame eenheid vormen?

Het eenvoudige antwoord zou zijn dat zij verdeeld waren. Maar daarmee is nog niet verklaard waarom die verdeeldheid zo hardnekkig bleef.

De Zenata-emiraten hadden veel van wat een staat nodig heeft. Fez, Sijilmasa en Salé leverden belastinginkomsten. Er waren markten, wegen, soldaten en bestuurlijke elites. Vorsten sloten verdragen en wisten grote steden te beheren.

Wat ontbrak, was een politieke structuur die deze middelen duurzaam boven de afzonderlijke dynastieën kon samenbrengen.

De naam Zenata bood daarvoor te weinig. Maghrawa en Banoe Ifran konden genealogische verwantschap erkennen en elkaar tegelijk als de gevaarlijkste regionale concurrent behandelen. Zelfs binnen de Maghrawa bleken verschillende familietakken bereid de wapens tegen elkaar op te nemen.

Ook de economische geografie werkte niet vanzelf naar één centrum toe. Fez keek naar het noorden, al Andalus en de centrale Maghreb. Sijilmasa leefde van de Sahara. Aghmat was verbonden met de Atlas, Sous en Draa. Salé had een Atlantische positie. Iedere stad had daardoor redenen om haar eigen politieke zelfstandigheid te verdedigen.

Legers bleven bovendien sterk verbonden met personen en families. Een krachtige emir kon veel mensen aan zich binden, maar na zijn dood moest een opvolger vaak opnieuw bewijzen dat dezelfde leiders ook hem wilden volgen.

Het verdwijnen van Cordoba maakte de emirs vrijer, maar nam tegelijk een externe macht weg die soms titels, geld of militaire steun kon leveren. Geen van de taifa-staten kon die rol voor de hele Maghreb overnemen.

Er was nog een verschil dat steeds belangrijker zou worden. De regionale emiraten bezaten religieuze instellingen en werkten met geleerden, maar hun politieke bestaan draaide vooral om dynastieke macht. Geen van hen ontwikkelde in deze periode een bredere hervormingsbeweging die buiten de eigen familie een nieuwe gezamenlijke identiteit en militaire discipline kon creëren.

Dat betekende niet dat hun nederlaag vaststond. Geschiedenis werkt niet achteruit vanuit de overwinnaar. Een andere opvolging in Fez, een bondgenootschap met Sijilmasa of een zware nederlaag van de Almoraviden had het verloop kunnen veranderen.

Maar tegen het midden van de elfde eeuw stonden de bestaande machten ieder afzonderlijk tegenover een beweging die precies probeerde te doen wat zij zelf niet hadden bereikt: verschillende groepen, routes en steden binnen één groeiende politieke richting verbinden.

De Almoraviden veranderen de politieke vraag

Na de eerste val van Sijilmasa was Marokko nog lang niet Almoravidisch. Fez bleef onder Zenata-heersers. De Banoe Ifran hielden hun westelijke gebieden. Aghmat moest nog worden ingenomen en de Barghawata zouden zwaar weerstand bieden.

Toch begon de politieke vraag te veranderen.

Een eeuw lang had de strijd vooral gedraaid om de vraag welke lokale dynastie Fez, Sijilmasa of andere regionale centra zou beheersen en welke grote kalief zij daarbij formeel zou erkennen. Nu verscheen een beweging die haar kracht niet uitsluitend ontleende aan één stad of één regerende familie.

De Almoraviden kwamen met een religieuze hervormingsboodschap, een georganiseerde militaire achterban en diepe wortels in de Saharische wereld. De verovering van Sijilmasa gaf hun toegang tot een stedelijke economie en een belangrijke handelsroute. Hun beweging kon vervolgens noordwaarts groeien zonder haar oorspronkelijke basis onmiddellijk te verliezen.

Voor Fez was dat iets anders dan een tijdelijke inval van een groot leger uit de centrale Maghreb. Voor Sijilmasa was het iets anders dan opnieuw een familietak uit de Zenata. Voor Aghmat en Tamesna zou hetzelfde gelden.

De bestaande emiraten waren niet machteloos, maar zij zouden hun tegenstander één voor één moeten beantwoorden. Er bestond geen gemeenschappelijk leger dat Fez, Sijilmasa, Salé en Aghmat tegelijk verdedigde en geen politieke raad waarin hun emirs een gezamenlijke strategie uitwerkten.

Aan de vooravond van de Almoravidische doorbraak was Marokko daarom tegelijk sterker en kwetsbaarder dan een eenvoudige geschiedenis van “chaos vóór de eenheid” doet vermoeden. De steden waren levendig. Regionale dynastieën hadden ervaring. Handelsroutes functioneerden en Fez groeide zelfs tijdens een eeuw van politieke verschuivingen.

De kwetsbaarheid lag juist in de verhouding tussen die sterke delen. Ieder centrum kon zichzelf dragen, maar geen enkele bestaande macht wist ze blijvend binnen één geheel te brengen.

Toen de beweging uit de Sahara uiteindelijk verder naar Aghmat, Tamesna en Fez trok, begon daarom niet de geschiedenis van politiek leven in Marokko. Zij begon aan de moeilijke taak om een al lang bestaande politieke wereld te onderwerpen, over te nemen en opnieuw te verbinden.

Daarin lag zowel de kracht van de Almoraviden als de betekenis van de emiraten die zij zouden verslaan. Zonder Fez, Sijilmasa, Aghmat, de Atlantische gebieden en de handelsnetwerken die vóór hen waren opgebouwd, zou er veel minder zijn geweest om te verenigen. De nieuwe orde ontstond niet op de ruïnes van een leeg land, maar boven op een samenleving die al eeuwen haar eigen steden, elites, conflicten en verbindingen had gevormd.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ☰ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.