De Almoraviden: van Zallaqa en al Andalus tot de val van Marrakesh – deel 2

Historische illustratie van de Almoraviden tussen al Andalus en Marrakesh, van overwinning tot verval

Toen Yoesoef ibn Tashfin (Yusuf ibn Tashfin) in 1086 de Straat van Gibraltar overstak, deed hij dat niet als leider van een kleine beweging die nog een plaats in de westelijke Maghreb moest veroveren. Die fase lag achter hem. Marrakesh was uitgegroeid tot het centrum van een staat, belangrijke steden stonden onder Almoravidisch gezag en de beweging die enkele decennia eerder onder de Sanhaja van de Sahara was begonnen, beschikte inmiddels over een leger, inkomsten, bestuur en een politieke legitimiteit die veel verder reikte dan haar oorspronkelijke tribale omgeving.

Aan de overzijde van de zee trof Yoesoef een bijna tegenovergestelde politieke wereld aan. Al Andalus was rijk aan steden, landbouw, handel, geleerdheid en verfijnde hofculturen, maar politiek verdeeld over taifakoninkrijken die elkaar jarenlang hadden bestreden. Sommige betaalden grote sommen aan christelijke vorsten om hun positie te behouden, andere sloten wisselende bondgenootschappen met dezelfde machten tegen islamitische rivalen. Zolang geen enkele partij sterk genoeg was om de rest te onderwerpen, kon deze kwetsbare orde blijven bestaan. De verovering van Toledo door Alfonso VI in 1085 maakte zichtbaar hoe gevaarlijk die verdeeldheid inmiddels was geworden.

Meer over het ontstaan van de Almoraviden en de opbouw van hun staat in de westelijke Maghreb? Klik hier. (De Almoraviden: hoe een hervormingsbeweging uit de Sahara een staat in de westelijke Maghreb bouwde – deel 1)

De interventie die begon als militaire hulp zou binnen enkele jaren uitlopen op iets wat de taifaheersers aanvankelijk juist hadden gevreesd: de opname van bijna heel islamitisch Iberië in een staat waarvan het politieke centrum in Marrakesh lag. Daarmee bereikten de Almoraviden een omvang die hun vroege leiders in de Sahara nauwelijks hadden kunnen voorzien. Tegelijk namen zij de problemen van al Andalus over. Dezelfde Straat van Gibraltar die beide delen van het rijk met elkaar verbond, maakte van de Almoravidische staat ook een politieke ruimte waarin voortdurend aandacht naar twee zijden moest gaan. Terwijl in Iberië de druk van Castilië en Aragon bleef groeien, ontstond in de bergen ten zuiden van Marrakesh een nieuwe hervormingsbeweging die uiteindelijk het hart van de Almoravidische macht zelf zou treffen.

Toledo 1085: een stad die het machtsevenwicht veranderde

Toledo was niet zomaar een grensstad. De oude Visigotische hoofdstad had sinds de islamitische verovering eeuwenlang deel uitgemaakt van al Andalus en lag diep genoeg in het binnenland om lange tijd buiten directe christelijke controle te blijven. Toen Alfonso VI van Leon en Castilië de stad in 1085 innam, verschoof de politieke grens op een manier die in de taifawereld nauwelijks te negeren viel.

De betekenis van Toledo lag zowel in haar ligging als in wat haar val blootlegde. De taifaheersers beschikten afzonderlijk over rijke steden en aanzienlijke inkomsten, maar hadden geen duurzaam gemeenschappelijk militair systeem opgebouwd. Hun onderlinge rivaliteit had Alfonso juist mogelijkheden geboden. De betalingen die verschillende taifas aan christelijke vorsten deden, de zogenoemde parias, leverden hun tegenstanders bovendien inkomsten op die opnieuw in oorlogvoering konden worden ingezet.

Voor Sevilla, Granada, Badajoz en andere islamitische staten werd de vraag daardoor steeds dringender hoe een verdere opmars kon worden tegengehouden. Aan de zuidelijke kant van de Straat van Gibraltar stond inmiddels één islamitische macht met een territoriale en militaire basis die geen afzonderlijke taifa kon evenaren: de staat van Yoesoef ibn Tashfin.

Daar zat meteen een risico in. De taifaheersers hadden de Almoraviden nodig omdat zij zelf onvoldoende gezamenlijk gewicht tegenover Alfonso konden organiseren. Maar als Yoesoef liet zien dat zijn leger al Andalus beter kon verdedigen dan de afzonderlijke vorsten, raakte de interventie onvermijdelijk ook aan de vraag wie er eigenlijk moest regeren.

Waarom riepen de taifaheersers Yoesoef te hulp?

Een van de centrale figuren achter het verzoek om hulp was al Moetamid ibn Abbad (al-Mu’tamid ibn Abbad), de heerser van Sevilla. Zijn rijk behoorde tot de machtigste taifas van al Andalus, maar ook hij had jarenlang met Alfonso VI moeten onderhandelen en betalingen moeten doen. Na de val van Toledo kwam de dreiging dichter bij zijn eigen machtsgebied.

Latere kronieken schrijven al Moetamid een beroemde uitspraak toe waarin hij de mogelijkheid dat de Almoraviden hem uiteindelijk zouden onderwerpen afwoog tegen overheersing door Castilië: hij zou liever in de Maghreb kamelen hoeden dan in Castilië varkens. De formulering is via latere geschiedschrijving overgeleverd en hoeft daarom niet woordelijk zo te zijn uitgesproken. De politieke keuze die erachter ligt was wel reëel. Al Moetamid en zijn bondgenoten vroegen hulp aan een heerser die zelf inmiddels een omvangrijke staat bestuurde en niet afhankelijk was van de taifas.

Yoesoef ging op het verzoek in. Algeciras werd als betrouwbare basis aan de Europese zijde van de Straat veiliggesteld en vervolgens stak een Almoravidisch leger over. Verschillende taifaheersers voegden hun troepen bij die van Yoesoef. De eerste grote Almoravidische campagne in al Andalus was dus geen oorlog tegen de taifas, maar een gezamenlijk optreden waarin strijders uit de Maghreb en al Andalus naast elkaar stonden.

Op 23 oktober 1086 ontmoetten zij het leger van Alfonso VI bij Zallaqa, in christelijke bronnen bekend als Sagrajas.

Zallaqa: een grote overwinning die het probleem niet oploste

Middeleeuwse bronnen geven zeer uiteenlopende en vaak enorme aantallen voor de legers die bij Zallaqa tegenover elkaar stonden. Zoals vaker bij middeleeuwse veldslagen zeggen zulke cijfers soms meer over de manier waarop overwinning en nederlaag werden herinnerd dan over het werkelijke aantal strijders. Dat Alfonso met een belangrijk leger oprukte en dat de gecombineerde islamitische troepen hem een zware nederlaag toebrachten, staat veel steviger.

Alfonso overleefde de slag, maar zijn leger leed grote verliezen en hij werd volgens verschillende berichten gewond. De christelijke opmars die na de inname van Toledo steeds dreigender was geworden, kreeg daarmee een zware klap. De taifaheersers hadden precies gekregen waarvoor zij Yoesoef hadden geroepen: militaire hulp tegen een tegenstander die zij afzonderlijk nauwelijks konden tegenhouden.

Toledo keerde echter niet terug onder islamitisch gezag. Castilië was evenmin vernietigd en de politieke verhoudingen binnen al Andalus veranderden door één gezamenlijke overwinning niet vanzelf. De taifaheersers gingen terug naar hun eigen machtsgebieden en hun oude rivaliteiten bleven bestaan.

Yoesoef vertrok na de campagne opnieuw naar de Maghreb. Sommige bronnen verbinden zijn snelle terugkeer onder meer met het overlijden van een zoon. Wat de persoonlijke aanleiding ook precies was, zijn eerste oversteek had nog duidelijk het karakter van een militaire interventie op uitnodiging. Hij had bij Zallaqa niet geprobeerd de taifaheersers onmiddellijk af te zetten.

Al snel bleek dat de militaire dreiging niet verdwenen was. Alfonso herstelde zijn positie en christelijke steunpunten bleven diep in islamitische gebieden druk uitoefenen. Vooral Aledo, in het zuidoosten van het Iberisch Schiereiland, werd een ernstige bedreiging voor de omliggende regio.

Yoesoef stak daarom in 1088 opnieuw over.

Aledo en het einde van een ongemakkelijke samenwerking

Aledo lag als een vooruitgeschoven christelijke positie in een gebied vanwaaruit omliggende islamitische gebieden konden worden aangevallen. De taifaheersers hadden opnieuw belang bij Almoravidische hulp en verschillende van hen brachten hun troepen samen met het leger van Yoesoef.

De campagne verliep heel anders dan Zallaqa. Tijdens het beleg kwamen de oude rivaliteiten tussen de taifaheersers opnieuw naar boven. Andalusische bronnen vertellen hoe vorsten elkaar bij Yoesoef beschuldigden en hun eigen belangen probeerden veilig te stellen. Het beleg duurde voort, bevoorrading werd moeilijker en toen Alfonso met een ontzettingsmacht naderde, werd de operatie uiteindelijk beëindigd.

Het contrast met de politieke orde die Yoesoef in de westelijke Maghreb had opgebouwd was groot. Daar had hij jarenlang regionale machtscentra onder één hoger gezag gebracht. In al Andalus moest een grote campagne telkens opnieuw worden gedragen door vorsten die eigen legers, schatkisten en dynastieke belangen behielden en elkaar soms net zo scherp wantrouwden als de tegenstander buiten hun grenzen.

Toen Yoesoef in 1090 opnieuw naar al Andalus kwam, was de aard van zijn aanwezigheid dan ook veranderd. De vraag draaide niet langer alleen om de verdediging tegen Alfonso. Steeds nadrukkelijker kwam ook het politieke systeem van de taifas zelf ter discussie te staan.

Van bondgenoot tot heerser over al Andalus

De Almoravidische overname van de taifakoninkrijken wordt soms verteld als een eenvoudige geschiedenis van verraad: de taifaheersers vroegen hulp en hun bondgenoot nam vervolgens hun staten af. Zo rechtlijnig verliep het proces niet.

De vorsten stonden onder zware druk van buitenaf, maar ook binnen al Andalus was hun legitimiteit niet overal onaantastbaar. Hoge fiscale lasten, betalingen aan christelijke vorsten, onderlinge oorlogen en bondgenootschappen waarbij een islamitische heerser soms christelijke steun gebruikte tegen een andere islamitische vorst leverden scherpe kritiek op. Malikitische rechtsgeleerden behoorden tot degenen die Yoesoef religieuze steun boden toen hij tegen verschillende taifaheersers begon op te treden.

Ook de memoires van Abdallah ibn Boeloeggin (Abd Allah ibn Buluggin), de laatste Ziridische heerser van Granada, laten een veel ingewikkelder samenleving zien dan een eenvoudige tegenstelling tussen “Andalusiërs” en “Almoraviden”. Mensen reageerden verschillend op de nieuwe macht. Sommigen verloren positie of bezit, anderen werkten mee of zagen in een sterkere centrale regering een uitweg uit jaren van politieke onzekerheid en zware financiële druk.

Granada kwam in 1090 als een van de eerste grote taifas onder directe Almoravidische controle. Abdallah werd afgezet en naar de Maghreb gebracht. Ook Malaga verloor haar zelfstandige heerser. Daarna kwam Sevilla aan de beurt, waardoor de politieke omslag een bijzondere lading kreeg: al Moetamid, die enkele jaren eerder zelf Yoesoef te hulp had geroepen en bij Zallaqa naast hem had gestreden, stond nu tegenover de Almoravidische macht.

De inlijving verliep niet overal hetzelfde. Sommige heersers capituleerden, anderen boden weerstand en enkelen probeerden op het laatste moment christelijke steun te gebruiken om hun positie te behouden. In Badajoz eindigde zo’n conflict bijzonder gewelddadig. Tegen het einde van Yoesoefs regering was de grote verandering echter voltooid: het grootste deel van islamitisch Iberië werd niet langer geregeerd door zelfstandige taifaheersers, maar maakte deel uit van de Almoravidische staat, terwijl Marrakesh het voornaamste politieke centrum bleef.

Al Moetamid: van de paleizen van Sevilla naar Aghmat

Weinig levens maken de omslag van deze jaren zo zichtbaar als dat van al Moetamid ibn Abbad. Hij was niet alleen vorst van Sevilla, maar ook dichter en beschermheer van een hof waarin poëzie en literatuur een belangrijke plaats innamen. Zijn regering hoorde bij de taifa-cultuur in al haar tegenstrijdigheid: rijke steden met verfijnde hoven, bestuurd door dynastieën die voortdurend moesten laveren tussen buren, rivalen en sterkere christelijke koningen.

In 1091 namen Almoravidische troepen Sevilla in na hevig verzet. Al Moetamid verloor zijn rijk en werd met een deel van zijn familie naar de Maghreb gebracht. Uiteindelijk kwam hij terecht in Aghmat, de oude stad nabij het inmiddels groeiende Marrakesh.

Daar eindigde een leven dat grotendeels verbonden was geweest met het hof van Sevilla. Van zijn ballingschap zijn gedichten bewaard gebleven waarin verlies, familie en herinnering een indringende plaats innemen. Juist doordat zijn eigen woorden bestaan, hoeft zijn laatste levensfase niet met later verzonnen dramatiek te worden aangekleed.

Al Moetamid stierf in Aghmat in 1095. Zijn geschiedenis kreeg achteraf een bijna wrange samenhang: hij behoorde tot de vorsten die de Almoraviden naar al Andalus hadden geroepen om de christelijke opmars tegen te houden, en hij maakte vervolgens mee hoe dezelfde interventie uiteindelijk een einde maakte aan zijn eigen taifa.

Daarmee verdween niet alleen een dynastie. Een politieke wereld van concurrerende stadskoninkrijken maakte plaats voor een staat waarin Sevilla, Granada en Cordoba onder dezelfde hogere macht kwamen te staan als Fez en Marrakesh.

Valencia en El Cid: de grens bleef beweeglijk

De onderwerping van de zuidelijke taifas maakte al Andalus niet plotseling veilig. Vooral in het oosten bleef de politieke situatie beweeglijk. Daar speelde Rodrigo Diaz de Vivar (Rodrigo Díaz de Vivar), beter bekend als El Cid, een belangrijke rol.

El Cid past slecht in een voorstelling waarin twee onveranderlijke religieuze blokken voortdurend tegenover elkaar stonden. Hij was een christelijke krijgsheer die in verschillende fasen zowel christelijke als islamitische bondgenoten en opdrachtgevers kende. In 1094 wist hij Valencia onder zijn eigen gezag te brengen. Almoravidische legers probeerden de stad terug te winnen, maar zolang hij leefde bleef zijn positie overeind.

Na zijn dood in 1099 werd het voor de christelijke bezetting steeds moeilijker Valencia te behouden. Alfonso VI besloot uiteindelijk dat de stad niet duurzaam verdedigd kon worden. In 1102 werd zij ontruimd en kwam Valencia onder Almoravidische controle.

Daarmee kregen de Almoraviden opnieuw een waardevolle stad, maar ook een langer front. Het bezit van de oude taifa-hoofdsteden was niet voldoende. Grensforten moesten bemand worden, grote legers moesten in beweging blijven en verschillende christelijke koninkrijken volgden ieder hun eigen expansie. De vereniging van de westelijke Maghreb en al Andalus had de staat veel sterker gemaakt, maar vergrootte tegelijkertijd het gebied dat zij moest verdedigen.

Oecles en Zaragoza: de staat bereikt zijn grootste omvang

Yoesoef ibn Tashfin stierf in 1106. Hij liet een staat achter die nauwelijks nog te vergelijken was met de Sanhaja-coalitie waaruit de beweging enkele decennia eerder was gegroeid. Zijn zoon Ali ibn Yoesoef (Ali ibn Yusuf) erfde Marrakesh, grote delen van de westelijke Maghreb en vrijwel heel islamitisch Iberië.

De eerste jaren van Ali’s regering passen niet bij een eenvoudig verhaal waarin onmiddellijk na de dood van Yoesoef het verval begon. In 1108 brachten Almoravidische troepen Castilië bij Oecles een zware nederlaag toe. Sancho Alfonsez, de enige zoon en beoogde opvolger van Alfonso VI, kwam tijdens of in de nasleep van de strijd om het leven. Dat verlies had ook dynastieke gevolgen voor Castilië.

Rond 1110 kwam vervolgens Zaragoza, het laatste grote taifa-emiraat dat lange tijd een bijzondere positie tegenover de Almoraviden had behouden, onder hun gezag. De Balearen werden in de jaren daarna eveneens in de Almoravidische politieke ruimte opgenomen. Rond deze periode bereikte de staat zijn grootste territoriale omvang.

De winst bleek niet permanent. In 1118 veroverde Alfonso I van Aragon Zaragoza. Dat was meer dan het verlies van een verre grensstad. Zaragoza was een groot politiek en cultureel centrum en vormde een toegang tot de Ebrovallei. Aragon zette zijn opmars daarna voort, terwijl Castilië vanuit Toledo druk bleef uitoefenen op het centrale front.

De Almoraviden bleven een geduchte militaire macht, maar steeds meer middelen moesten worden ingezet om verschillende grensgebieden tegelijk te verdedigen.

Een rijk aan twee zijden van de Straat

De Almoravidische verovering betekende niet dat al Andalus cultureel vanuit Marrakesh opnieuw werd gevormd alsof de oude stedelijke tradities verdwenen. Politiek was er weer één hogere macht, maar Sevilla, Cordoba, Granada, Valencia en Almeria bleven centra van geleerdheid, bestuur, handel en cultuur.

De Almoravidische emirs verbleven meestal in de Maghreb. In al Andalus werkten zij met gouverneurs, militaire bevelhebbers en bestuurders. Een belangrijk deel van het gespecialiseerde stedelijke personeel kwam echter uit dezelfde Andalusische milieus die ook onder de taifaheersers het bestuur hadden gedragen. Secretarissen, rechters, geleerden en andere functionarissen bleven noodzakelijk voor een staat die schriftelijke administratie, rechtspraak en complexe stedelijke economieën moest onderhouden.

Het beeld van eenvoudige “Saharanomaden” die een passieve verfijnde Andalusische beschaving bestuurden, doet daarom weinig recht aan wat er gebeurde. De hoogste politieke macht kwam vanuit de Maghreb, maar de staat die ontstond werd mede gedragen door Andalusische bestuurlijke en intellectuele ervaring.

De invloed liep ook de andere kant op. Ambachtslieden, geleerden, teksten en artistieke technieken uit al Andalus bereikten Marrakesh, Fez en andere steden in de Maghreb. De Straat van Gibraltar bleef een geografische scheiding, maar binnen het rijk werd zij tegelijk een drukke verbinding waarover soldaten, bestuurders, boeken, goederen en ideeën in beide richtingen bewogen.

Deze politieke eenheid was tijdelijk. De culturele en intellectuele verdichting die eruit voortkwam liet veel langer sporen achter.

Geleerden, Malikitisch recht en de grenzen van religieuze eenheid

De Malikitische rechtsschool had vanaf de vroege Almoravidische beweging een belangrijke plaats ingenomen. In al Andalus troffen de nieuwe heersers bovendien een samenleving aan waarin dezelfde rechtstraditie al eeuwen diep geworteld was. Dat vergemakkelijkte de samenwerking met Andalusische juristen en speelde ook een rol in de religieuze legitimatie van Yoesoefs optreden tegen verschillende taifaheersers.

Een gedeelde rechtsschool betekende echter niet dat geleerden en overheid altijd als één blok optraden. Juristen konden het bestuur ondersteunen, adviseren en legitimeren, maar behielden eigen onderlinge verschillen. Bovendien bestond de intellectuele wereld van al Andalus uit veel meer dan juridische werken alleen. Hadith, theologie, taalwetenschap, literatuur, spiritualiteit en filosofische discussies bleven naast elkaar bestaan en konden juist nieuwe spanningen oproepen.

Een bekend voorbeeld is de controverse rond The Revival of the Religious Sciences (Ihya ulum al din), het invloedrijke werk van Aboe Hamid al Ghazali. Verschillende Malikitische geleerden in het islamitische westen maakten bezwaar tegen onderdelen ervan. Onder Ali ibn Yoesoef werd tegen het boek opgetreden en zijn er berichten over het verbranden van exemplaren. De gebeurtenis heeft voldoende historische basis om serieus te nemen, maar kan niet eenvoudig worden samengevat als een Almoravidische afwijzing van spiritualiteit. De controverse draaide om religieuze autoriteit, theologie, juridische grenzen en de manier waarop bepaalde ideeën binnen de bestaande geleerdenwereld werden ontvangen.

Latere verhalen gingen nog verder en brachten al Ghazali persoonlijk in contact met Ibn Toemart, waarbij hij de toekomstige tegenstander van de Almoraviden zelfs zou hebben aangemoedigd. De historische basis voor zulke ontmoetingsverhalen is veel zwakker. Zij passen goed in een latere voorstelling waarin de opkomst van de Almohaden al vooraf religieus gelegitimeerd leek.

Interessanter is wat de goed gedocumenteerde controverse zelf laat zien. Een staat die sterk op het Malikitische recht steunde regeerde inmiddels over een intellectuele wereld die zich niet volledig in één richting liet vastleggen.

Ali ibn Yoesoef erfde een staat die diep was veranderd

Het verschil tussen de wereld van Yoesoef en die van zijn zoon was groter dan alleen een generatie. Yoesoef was gevormd in de Sahara en werd in de overlevering sterk verbonden met de sobere gebruiken van zijn Lamtuna-achtergrond. Ali groeide op in een politieke omgeving waarin Ceuta een belangrijke mediterrane haven was, Marrakesh zich als hoofdstad ontwikkelde en al Andalus inmiddels deel uitmaakte van dezelfde staat.

Toen Ali in 1106 aantrad, erfde hij daarom geen hervormingsbeweging die nog bezig was haar eerste coalitie bijeen te brengen. Hij erfde een groot rijk met steden, havens, grensgebieden, juristen, bestuurders en legers die op grote afstand van elkaar opereerden.

Zijn lange regering verdient daarom meer dan een verhaal dat alleen vanuit de uiteindelijke nederlaag wordt teruggelezen. Onder Ali werden stedelijke instellingen uitgebreid, grote bouwprojecten uitgevoerd en kennisnetwerken verder ontwikkeld. Ceuta bleef een belangrijke haven en intellectueel centrum, terwijl Marrakesh steeds duidelijker het karakter van een gevestigde hoofdstad kreeg.

De Almoravidische staat beschikte nog tientallen jaren over aanzienlijke middelen. Juist de omvang en rijkdom van het rijk maakten tegelijkertijd nieuwe kwetsbaarheden zichtbaar. Een groot bestuur, meerdere fronten en de verdediging van zowel de Maghreb als al Andalus vroegen veel meer middelen dan de vroege beweging ooit nodig had gehad.

Architectuur en kunst tussen Cordoba en Marrakesh

Van veel Almoravidische gebouwen in Marrakesh is weinig in oorspronkelijke vorm bewaard gebleven. De Almohaden vervingen later verschillende monumenten van hun voorgangers. Wat wel behouden bleef, maakt duidelijk dat de artistieke wereld van de twaalfde-eeuwse staat veel rijker was dan het beeld van een uitsluitend sobere woestijnbeweging doet vermoeden.

De Almoravidische koepel in Marrakesh, uit de tijd van Ali ibn Yoesoef, toont verfijnd pleisterwerk, geometrische vormen, kalligrafische decoratie en muqarnas. Ook in Fez en Tlemcen zijn belangrijke sporen van Almoravidische bouwactiviteiten bewaard of archeologisch herkenbaar. De grote uitbreiding van de Qarawiyyinmoskee in Fez vond onder Ali plaats in de jaren 1130 en vroege jaren 1140.

Een bijzonder tastbaar voorbeeld van de verbinding met al Andalus is de beroemde minbar die Ali voor zijn grote moskee in Marrakesh liet vervaardigen. Het werk werd in Cordoba gemaakt; de vervaardiging begon rond 1137 en duurde meerdere jaren. Verschillende houtsoorten, inlegwerk en ingewikkelde geometrische en plantaardige patronen maakten het tot een van de beroemdste kunstwerken uit het islamitische westen.

Na de verovering van Marrakesh vernietigden de Almohaden deze minbar niet. Zij namen haar over en brachten haar uiteindelijk naar hun eigen Koetoubia-moskee.

Dat een van de belangrijkste religieuze kunstwerken van Almoravidisch Marrakesh uit een werkplaats in Cordoba kwam, zegt veel over de wereld die tussen beide oevers was ontstaan. Marrakesh was het politieke centrum, maar al Andalus bleef een belangrijk centrum van vakmanschap en artistieke productie. De culturele uitwisseling verliep niet in één richting.

De prijs van een grens die voortdurend verdedigd moest worden

De vroege Almoraviden hadden hun hervormingsprogramma mede verbonden met kritiek op heffingen die zij niet in overeenstemming achtten met het islamitische recht. Dat kon aantrekkelijk zijn in gebieden waar vorsten allerlei belastingen gebruikten om legers, hoven en politieke verplichtingen te financieren.

Een rijk dat zich van de Sahara tot diep in het Iberisch Schiereiland uitstrekte kreeg echter uitgaven die de oorspronkelijke beweging niet had gekend. In al Andalus moest een lange en beweeglijke militaire grens worden verdedigd. Garnizoenen kostten geld, campagnes moesten worden uitgerust en verliezen aan het ene front konden nieuwe militaire uitgaven elders noodzakelijk maken. Tegelijk bleven ook het bestuur en de veiligheid in de Maghreb middelen vragen.

Latere Almohadische bronnen beschuldigden de Almoraviden van belastingen die niet pasten bij hun oorspronkelijke religieuze uitgangspunten. Zulke kritiek moet voorzichtig worden gelezen, omdat de nieuwe dynastie er belang bij had haar voorgangers als religieus ontspoord voor te stellen. De financiële spanning achter die polemiek was echter werkelijk. Hoe groter en langduriger de militaire verplichtingen werden, hoe moeilijker het was een omvangrijke staat met een beperkt stelsel van toegestane inkomsten te dragen.

Ook aan het front veranderde het initiatief. Na het verlies van Zaragoza in 1118 nam de Aragonese druk toe. Alfonso I trok in 1125 en 1126 zelfs diep door gebieden van al Andalus. Zulke expedities betekenden niet dat de Almoravidische staat overal instortte, maar zij maakten wel zichtbaar dat de jaren waarin Zallaqa en Oecles het militaire beeld bepaalden voorbij waren.

De dynastie die naar al Andalus was gekomen om de taifas tegen christelijke expansie te verdedigen, kreeg steeds nadrukkelijker te maken met de vraag of zij die belofte zelf nog kon waarmaken.

Ibn Toemart: religieuze kritiek in het hart van de Almoravidische wereld

Aan het begin van de jaren 1120 verscheen in de westelijke Maghreb een prediker die de Almoravidische staat niet alleen op afzonderlijke bestuurlijke praktijken bekritiseerde, maar haar religieuze legitimiteit fundamenteel ter discussie stelde: Mohammed ibn Toemart (Muhammad ibn Tumart).

Ibn Toemart kwam uit een Masmuda-omgeving in de Hoge Atlas en had door verschillende islamitische kenniscentra gereisd. Zijn intellectuele vorming verschilde duidelijk van de religieuze wereld waarin Abdallah ibn Yasin de vroege Almoravidische beweging had opgebouwd. Ibn Toemart legde sterke nadruk op theologie, de absolute eenheid van Allah (God) en de bestrijding van opvattingen die hij als onjuist of te letterlijk beschouwde.

Latere bronnen vertellen uitvoerig over zijn optreden in Marrakesh en over confrontaties met Ali ibn Yoesoef en geleerden aan het hof. Hij zou openbare misstanden hebben bestreden, bepaalde gebruiken van de Almoravidische elite hebben aangevallen en in debat zijn tegenstanders hebben uitgedaagd. Een deel van deze scènes is duidelijk literair vormgegeven in teksten die later binnen een Almohadische politieke wereld werden geschreven. Dat Ibn Toemart in Marrakesh fel predikte en in conflict kwam met de gevestigde orde past bij de bredere historische lijn; de beroemdste dialogen en details hoeven niet letterlijk te worden genomen.

Zijn beweging bleef bovendien niet beperkt tot kritiek op het hof. Ibn Toemart ontwikkelde een samenhangende religieuze leer, bouwde een eigen gemeenschap op en werd door zijn volgelingen uiteindelijk als de rechtgeleide leider (mahdi) erkend. Daarmee kreeg het conflict een andere aard. De Almoraviden stonden niet tegenover een opstand die alleen een belasting of gouverneur wilde veranderen, maar tegenover een beweging die een alternatieve religieuze én politieke legitimiteit opbouwde.

Tinmel: de bergen worden het centrum van een nieuwe beweging

Na zijn vertrek uit Marrakesh trok Ibn Toemart naar de Hoge Atlas. In Tinmel ontstond het centrum van de beweging die bekend zou worden als de Almohaden.

Het berggebied bood andere mogelijkheden dan de open vlakten en stedelijke centra waar de Almoravidische militaire organisatie sterk was. Lokale Masmuda-netwerken, bergpassen en kennis van het terrein konden een beweging beschermen die in Marrakesh zelf nog te zwak was om de staat rechtstreeks uit te dagen.

In Tinmel groeide rond Ibn Toemart een gemeenschap met religieus onderwijs, een eigen hiërarchie en steeds duidelijker militaire structuren. In dat opzicht bestond er een opvallende structurele overeenkomst met de vroege Almoravidische geschiedenis: ook hier werd een hervormingsproject verbonden met discipline, groepsvorming en uiteindelijk gewapende strijd. De religieuze inhoud en legitimiteitsaanspraken van beide bewegingen waren echter wezenlijk verschillend.

In 1130 trokken de Almohaden richting Marrakesh. Bij al Boehaira, vlak buiten de hoofdstad, leden zij een zware nederlaag tegen de Almoraviden. Kort daarna stierf Ibn Toemart.

Zijn dood betekende niet het einde van zijn beweging. De leiding kwam uiteindelijk in handen van Abd al Moemin (Abd al-Mumin), die niet uit de Masmuda afkomstig was maar binnen de nieuwe gemeenschap tot de belangrijkste leiders was gaan behoren. Onder hem veranderden de Almohaden van een beweging die zich in de Atlas had teruggetrokken in een macht die zelf steden en gebieden kon veroveren.

Vanaf dat moment had de Almoravidische staat naast de voortdurende strijd in al Andalus ook een steeds gevaarlijker tegenstander in de Maghreb zelf.

Twee crises tegelijk: al Andalus en de Maghreb

In de laatste jaren van Ali ibn Yoesoef werd het steeds moeilijker beide delen van het rijk tegelijk stevig vast te houden. In al Andalus namen lokale onvrede en militaire druk toe. Vanaf 1144 verschenen opnieuw zelfstandige machtscentra en opstanden, een periode die vaak als de tweede taifa-tijd wordt aangeduid.

Deze nieuwe taifas waren geen eenvoudige terugkeer van de politieke wereld die Yoesoef een halve eeuw eerder had afgeschaft. De omstandigheden waren veranderd. Lokale leiders, stedelijke elites en religieuze bewegingen probeerden ruimte te gebruiken nu het gezag vanuit Marrakesh zwakker werd. Sommigen zochten steun bij de Almohaden, anderen bij christelijke koningen of bij eigen regionale netwerken.

In de Maghreb breidde Abd al Moemin ondertussen zijn macht uit. De Almohaden hadden zich na hun nederlaag bij Marrakesh hersteld en namen steeds meer gebieden over. Stammen en steden die eerder Almoravidisch gezag hadden erkend kwamen onder nieuwe druk te staan, terwijl het voor Marrakesh steeds moeilijker werd overal tegelijk voldoende militaire kracht in te zetten.

Ali stierf in 1143. Zijn opvolger Tashfin ibn Ali erfde nog altijd een omvangrijke staat, maar één die op verschillende fronten terrein verloor. Tijdens de strijd tegen de Almohaden in het gebied rond Oran stierf hij in 1145. Daarna volgden in korte tijd nog zeer jonge Almoravidische heersers, terwijl het gebied dat daadwerkelijk vanuit Marrakesh kon worden gecontroleerd snel kleiner werd.

Fez kwam onder Almohadisch gezag en andere steden volgden. De hoofdstad zelf werd uiteindelijk het laatste grote symbool van een dynastie die nog enkele decennia eerder beide zijden van de Straat van Gibraltar had beheerst.

Marrakesh 1147: het einde van de staat in haar eigen hoofdstad

Toen de Almohaden Marrakesh bereikten, stonden zij in een heel andere positie dan toen Ibn Toemart er jaren eerder als prediker was verschenen. Abd al Moemin leidde inmiddels een georganiseerde staat in wording die grote delen van de Maghreb had veroverd.

Na een zwaar beleg viel Marrakesh in 1147. De laatste Almoravidische emir, Ishaq ibn Ali, was nog jong en beschikte niet meer over de politieke en militaire middelen waarmee Yoesoef of Ali ooit grote campagnes over de Straat van Gibraltar hadden kunnen organiseren. Met de val van de hoofdstad eindigde de Almoravidische dynastie als regerende macht in haar oorspronkelijke centrum.

Het jaar 1147 was ook elders betekenisvol. Almeria kwam tijdelijk in handen van een christelijke coalitie onder Alfonso VII, terwijl de Almoravidische politieke orde in al Andalus al sterk was uiteengevallen. Het rijk dat ooit beide oevers onder één gezag had gebracht verloor zo vrijwel gelijktijdig zijn samenhang in de Maghreb en op het Iberisch Schiereiland.

De Almohaden namen echter geen leeg land over. Zij verwierpen de religieuze legitimiteit van hun voorgangers op belangrijke punten en presenteerden hun eigen beweging als een nieuwe hervorming, maar erfden tegelijk een hoofdstad, wegen, stedelijke netwerken en bestuurlijke ervaringen die tijdens de Almoravidische eeuw sterk waren uitgebouwd.

Marrakesh zelf maakte die continuïteit zichtbaar. De nieuwe heersers veranderden de religieuze en monumentale uitstraling van de stad en vervingen verschillende Almoravidische gebouwen, maar zij bleven regeren vanuit de hoofdstad die hun tegenstanders hadden gesticht.

De dynastie viel, maar haar wereld verdween niet

De val van Marrakesh betekende niet dat iedere familie die met de Almoravidische dynastie verbonden was onmiddellijk uit de geschiedenis verdween. Op de Balearen behielden de Banoe Ghaniya nog langere tijd een eigen machtsbasis. In de tweede helft van de twaalfde eeuw zouden leden van deze familie zelfs opnieuw een grote strijd tegen de Almohaden in Noord-Afrika voeren.

Dat behoort echter tot een volgende politieke fase. Voor de staat die vanuit Marrakesh grote delen van de westelijke Maghreb en al Andalus had bestuurd, was 1147 het beslissende einde.

De erfenis van die staat was aanzienlijk. De Almoraviden hadden de westelijke Maghreb op een schaal politiek en bestuurlijk samengebracht die daar voordien niet duurzaam was bereikt en vervolgens ook het grootste deel van al Andalus in die structuur opgenomen. Marrakesh, door hen gesticht en uitgebouwd, bleef onder volgende dynastieën een van de grote hoofdsteden van het islamitische westen.

Ook de Malikitische rechtstraditie begon niet bij de Almoraviden, maar kreeg onder hun bewind een diepere institutionele plaats in rechtspraak en bestuur. Tegelijk werden de verbindingen tussen geleerden, rechters en stedelijke elites in Fez, Ceuta, Marrakesh, Cordoba en andere centra intensiever. Handel door de Sahara en over de Middellandse Zee verbond verschillende delen van dezelfde politieke ruimte.

Hun culturele nalatenschap past evenmin bij een eenvoudig beeld van een sobere Saharische dynastie die onveranderd bleef. Het Marrakesh van Ali ibn Yoesoef, de uitbreiding van de Qarawiyyin en de minbar die in Cordoba werd vervaardigd laten zien dat de veroveraars zelf veranderden door de stedelijke werelden die zij gingen besturen. De Almoraviden brachten de politieke macht van de Maghreb naar al Andalus, terwijl Andalusische kennis, bestuur en kunst op hun beurt diep doordrongen in de Maghreb.

Daarmee was tussen de tijd van Abdallah ibn Yasin en de val van Marrakesh iets fundamenteels verschoven. Wat in de Sahara begon als een beweging voor religieuze hervorming onder Sanhaja-groepen eindigde als een strijd om een rijk van hoofdsteden, havens, berggebieden, handelsroutes en zeer verschillende bevolkingen. De politieke schaal van de westelijke Maghreb was blijvend veranderd.

Toen Abd al Moemin in 1147 Marrakesh binnentrok, begon hij daarom niet opnieuw. De Almohaden namen een politieke ruimte over die hun voorgangers mede hadden gevormd, maar brachten daar een ander religieus en dynastiek project in. Vanuit dezelfde hoofdstad zouden zij hun macht later verder naar het oosten uitbreiden en opnieuw diep in al Andalus ingrijpen. Met de val van Marrakesh eindigde de Almoravidische staat, terwijl uit dezelfde westelijke Maghreb alweer de macht was opgestaan die het volgende grote hoofdstuk zou bepalen.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ☰ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.