Allah en God: geloven moslims, christenen en joden in dezelfde God?

Drie mensen bespreken Allah en God rond een tafel met drie open boeken

Allah (God) is volgens de islam de ene Schepper van alle mensen. De Koran verbindt het geloof in Hem met de boodschap van de eerdere profeten, onder wie Ibrahim (Abraham), Moesa (Mozes) en Isa (Jezus), vrede zij met hen. Toch hebben moslims, christenen en joden geen volledig overeenkomende geloofsleer. In de vraag naar ‘dezelfde God’ lopen vaak drie dingen door elkaar: de gebruikte naam, de Schepper naar wie die naam verwijst en de overtuigingen over Hem.

Wat betekent de naam Allah?

Allah is de naam waarmee moslims de ene God aanduiden en aanroepen. Het is geen benaming voor een god die uitsluitend over Arabieren of moslims zou heersen. Arabischsprekende christenen gebruiken deze naam eveneens: in Arabische Bijbelvertalingen staat Allah waar een Nederlandse vertaling God gebruikt. Een christen die in het Arabisch over Allah spreekt, is daarmee dus niet ineens moslim geworden.

Taalkundig wordt de naam vaak verbonden met al ilah, ‘de God’. Er bestaat ook verwantschap met woorden voor God in andere Semitische talen, waaronder het Hebreeuws en het Aramees. De precieze ontwikkeling en onderlinge beïnvloeding van die woorden zijn onderwerp van taalhistorisch onderzoek. Voor de lezer is vooral van belang dat Allah geen naam is voor een afzonderlijke Arabische god naast de Schepper over wie joden en christenen spreken.

Een gedeeld woord vertelt nog niet wat iemand allemaal gelooft. In het Nederlands gebruiken katholieken, protestanten en joden het woord God, terwijl hun overtuigingen niet op alle punten overeenkomen. Hetzelfde geldt voor Allah in het Arabisch. Wie wil begrijpen wat een gelovige bedoelt, moet ook luisteren naar wat die persoon zegt over Gods eenheid, eigenschappen en openbaring.

Bedoelen moslims, christenen en joden dezelfde God?

Vanuit de Koran verwijst het geloof in de Schepper niet naar drie afzonderlijke goden, één voor iedere gemeenschap. Moslims geloven in de God die Ibrahim, Moesa en Isa heeft gezonden. Daarmee is nog niet gezegd dat iedere overtuiging over Hem juist is, of dat iedere vorm van aanbidding volgens de islam aanvaardbaar is. Er zijn dus twee vragen: wie wordt bedoeld, en wat wordt er over Hem geloofd?

De Koran spreekt de Mensen van het Boek, in deze context joden en christenen, rechtstreeks aan. Allah zegt: “En redetwist met de Mensen van het Boek alleen op de beste wijze, behalve met degenen onder hen die onrecht doen. En zeg: ‘Wij geloven in wat aan ons is neergezonden en in wat aan jullie is neergezonden. Onze God en jullie God is één, en aan Hem onderwerpen wij ons.’” (Soera al Ankabut 29:46). Het vers verbindt de erkenning van de ene God met geloof in de openbaring en een zorgvuldige manier van spreken. De woorden over Gods eenheid staan dus in een uitnodiging tot gesprek waarin geloof en gedrag beide meetellen.

Ook de boodschap van de profeten wordt als één geheel voorgesteld. Allah zegt: “En Wij hebben vóór jou geen boodschapper gezonden zonder hem te openbaren: ‘Er is geen god die aanbidding verdient behalve Ik; aanbid Mij dus.’” (Soera al Anbiya 21:25). Volgens de islam brachten de profeten geen reeks concurrerende goden naar verschillende volken. Hun oproep was gericht op de aanbidding van dezelfde Schepper, al verschilden hun omstandigheden en bepaalde voorschriften.

Aboe Hoeraira (Abu Huraira), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) zei: “Ik sta van alle mensen het dichtst bij Isa, de zoon van Maria, in deze wereld en in het hiernamaals. De profeten zijn broers met dezelfde vader en verschillende moeders; hun godsdienst is één.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 3443). Het beeld van de broers drukt verbondenheid uit in hun religieuze opdracht. Een moslim erkent Isa als een boodschapper van Allah en ziet zijn oorspronkelijke boodschap als onderdeel van dezelfde oproep tot geloof en gehoorzaamheid.

Die verbondenheid neemt de noodzaak van correctie niet weg. Allah zegt: “Zeg: ‘Mensen van het Boek, kom tot een gemeenschappelijk woord tussen ons en jullie: dat wij alleen Allah aanbidden, niets als deelgenoot naast Hem stellen en elkaar niet als heren naast Allah nemen.’ Als zij zich afwenden, zeg dan: ‘Getuig dat wij ons aan Allah onderwerpen.’” (Soera Aal Imran 3:64). Hier wordt een gedeeld uitgangspunt genoemd en tegelijk een duidelijke geloofskeuze gevraagd. De Koran nodigt uit tot de zuivere aanbidding van Allah; hij verklaart niet dat alle bestaande geloofsopvattingen gelijkwaardig waar zijn.

Eén Schepper, verschillende geloofsopvattingen

Waarom wijst de islam de Drie-eenheid af?

De islam leert dat Allah één is, zonder deelgenoten en zonder goddelijke nakomelingen. De meeste christelijke kerken belijden één God in drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Christenen beschrijven dat zelf niet als het geloof in drie onafhankelijke goden. Een eerlijke bespreking neemt die uitleg serieus, terwijl zij ook duidelijk maakt dat de islam de Drie-eenheid en de goddelijkheid van Jezus afwijst.

De islamitische geloofsleer over de eenheid van Allah (tawhid) wordt kernachtig verwoord in een volledige korte soera. Allah zegt: “Zeg: ‘Hij is Allah, de Ene. Allah, de Onafhankelijke van Wie alles afhankelijk is. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt. En niemand is aan Hem gelijk.’” (Soera al Ikhlas 112:1–4). Allah is van niets afhankelijk, heeft geen oorsprong en kent geen gelijke. Een mens kan daarom geen deel van Zijn goddelijkheid bezitten, hoe verheven die mens ook is.

De Koran bespreekt de positie van Isa bovendien uitdrukkelijk. Allah zegt: “Mensen van het Boek, overdrijf niet in jullie godsdienst en zeg over Allah alleen de waarheid. De Messias, Isa, de zoon van Maria, is een boodschapper van Allah, Zijn woord dat Hij aan Maria heeft overgebracht en een geest van Hem. Geloof dus in Allah en Zijn boodschappers en zeg niet: ‘Drie.’ Houd ermee op; dat is beter voor jullie. Allah is slechts één God. Verheven is Hij boven het hebben van een kind. Aan Hem behoort wat in de hemelen en wat op de aarde is. En Allah is voldoende als Beschermer.” (Soera an Nisa 4:171). Isa wordt geëerd als de Messias en als boodschapper, terwijl de toekenning van goddelijkheid aan hem wordt afgewezen. De aanduiding ‘een geest van Hem’ betekent in de islamitische uitleg een door Allah geschapen geest, geen deel van Gods wezen.

Het jodendom kent deze christelijke leer van de Drie-eenheid evenmin. De joodse geleerde Maimonides benadrukt in zijn uitleg van de geloofsgrondslagen dat Gods eenheid geen samengestelde eenheid is. Toch verschillen jodendom en islam onder meer in hun erkenning van de latere openbaring en van de Profeet ﷺ. Alleen vaststellen dat mensen over één Schepper spreken, beantwoordt dus nog niet de vraag welke boodschap en welk religieus gezag zij volgen.

Dat onderscheid is ook zichtbaar in de profetische uitnodiging. Abdoellah ibn Abbas (Abdullah ibn Abbas), moge Allah tevreden met hem en zijn vader zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ tegen Moeadh ibn Djabal (Muadh ibn Jabal), moge Allah tevreden met hem zijn, zei toen hij hem naar Jemen stuurde: “Je gaat naar een volk dat tot de Mensen van het Boek behoort. Laat het eerste waartoe je hen uitnodigt daarom zijn dat zij Allah als de Enige erkennen en aanbidden. Wanneer zij dat erkennen, vertel hun dan dat Allah hun vijf gebeden in een dag en een nacht heeft opgelegd. Wanneer zij die verrichten, vertel hun dan dat Allah hun verplichte liefdadigheid uit hun bezittingen heeft opgelegd, die van hun rijken wordt genomen en aan hun armen wordt teruggegeven. Wanneer zij dat erkennen, neem die dan van hen aan, maar vermijd de beste bezittingen van de mensen.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 7372). De erkenning van eerdere openbaring maakte deze uitnodiging niet overbodig. De overlevering laat ook zien hoe geloof wordt verbonden met gebed, zorg voor armen en rechtvaardigheid tegenover degenen van wie geld wordt ingezameld.

Kan er een andere god naast Allah bestaan?

Allah heeft geen begin en geen einde, terwijl al het geschapene voor zijn bestaan van Hem afhankelijk is. Allah zegt: “Hij is de Eerste en de Laatste, de Zichtbare en de Verborgene, en Hij heeft kennis van alle zaken.” (Soera al Hadid 57:3). De namen de Eerste en de Laatste maken duidelijk dat Allah niet binnen dezelfde begrenzing van tijd en ontstaan valt als Zijn schepping.

Aboe Hoeraira vertelde dat de Profeet ﷺ in een dua (smeekbede) zei: “O Allah, Heer van de hemelen, Heer van de aarde en Heer van de geweldige Troon, onze Heer en Heer van alles, Openbreker van de graankorrel en de dadelpit, Openbaarder van de Thora, het Evangelie en de Onderscheiding: ik zoek bescherming bij U tegen het kwaad van alles waarover U volledige macht hebt. O Allah, U bent de Eerste en er is niets vóór U. U bent de Laatste en er is niets na U. U bent de Zichtbare en er is niets boven U. U bent de Verborgene en er is niets buiten U. Los onze schulden voor ons af en bevrijd ons van armoede.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2713a). De overlevering legt de betekenis van deze namen verder uit en verbindt ze met de erkenning dat Allah de Heer van alles is.

De Koran bestrijdt de gedachte dat meerdere onafhankelijke goden gezamenlijk de werkelijkheid zouden beheersen. Allah zegt: “Als er in de hemelen en op de aarde andere goden dan Allah waren, zouden beide te gronde gaan. Verheven is Allah, de Heer van de Troon, boven wat zij Hem toeschrijven.” (Soera al Anbiya 21:22). Dit gaat over absolute goddelijke macht, waarvan geen hogere macht de grenzen bepaalt. Een wezen dat voor zijn bestaan of handelen afhankelijk is van een ander, bezit die absolute goddelijkheid niet.

Een ander vers maakt de gevolgen van vermeende concurrerende goden concreter. Allah zegt: “Allah heeft geen kind genomen en er is geen god naast Hem. Anders zou iedere god weggaan met wat hij had geschapen en zouden zij elkaar proberen te overheersen. Verheven is Allah boven wat zij Hem toeschrijven.” (Soera al Moeminoen 23:91). De veronderstelling van afzonderlijke scheppers leidt hier tot afzonderlijke machtsgebieden en strijd om heerschappij. De Koran wijst de mens op de ene Heer aan Wie de gehele schepping toebehoort.

In Soera al Isra wordt de verhouding tot de Heer van de Troon bevraagd. Allah zegt: “Zeg: ‘Als er goden naast Hem waren, zoals zij zeggen, dan zouden zij een weg naar de Heer van de Troon zoeken.’ Verheven is Hij, hoog verheven boven wat zij zeggen.” (Soera al Isra 17:42–43). At Tabari (al Tabari) legt de gezochte weg uit als het zoeken van nabijheid tot Allah en het erkennen van Zijn verheven positie. Ook wat mensen als andere goden voorstellen, zou volgens die uitleg op Hem aangewezen zijn. Dat ondergraaft de aanspraak op onafhankelijke goddelijkheid.

Deze redenering blijft niet beperkt tot abstracte begrippen. Allah zegt: “Of wie heeft de hemelen en de aarde geschapen en voor jullie water uit de hemel neergezonden, waarmee Wij tuinen van schitterende schoonheid laten groeien? Jullie zouden hun bomen niet kunnen laten groeien. Is er een god naast Allah? Nee, zij zijn een volk dat Hem gelijken toekent.” (Soera an Naml 27:60). Het vers brengt de vraag naar aanbidding terug naar de oorsprong van wat mensen dagelijks ontvangen. Regen, groei en leven worden genoemd als tekenen van de Schepper tegenover wie de mens afhankelijk blijft.

In klassieke uitlegboeken wordt in dit verband een bekende uitspraak aangehaald van een niet bij naam genoemde bedoeïen. Toen hem werd gevraagd hoe hij wist dat de wereld een Schepper heeft, antwoordde hij in betekenis: “Kamelenmest wijst op een kameel en voetsporen wijzen op een reiziger. Zouden een hemel vol sterren, een aarde vol wegen en zeeën vol golven dan niet wijzen op een wijze Schepper?” Deze uitspraak is geen Koranvers en geen profetische overlevering. Zij verwoordt in eenvoudige taal het beginsel dat zichtbare sporen naar hun oorzaak verwijzen en dat de schepping naar haar Schepper verwijst.

Ook de grens van het menselijke waarnemingsvermogen vraagt aandacht. Niet alles wat werkelijk bestaat, wordt rechtstreeks met de ogen gezien. De menselijke geest of ziel (roeh) is daarvan een herkenbaar voorbeeld: mensen kennen haar werkelijkheid niet volledig, maar herkennen wel het leven dat Allah aan het lichaam schenkt. Allah zegt: “En zij vragen jou over de geest. Zeg: ‘De geest behoort tot de zaak van mijn Heer, en van kennis is jullie slechts weinig gegeven.’” (Soera al Isra 17:85). Dit is geen vergelijking tussen de geschapen ziel en de Schepper en evenmin een zelfstandig bewijs waarmee iedere discussie wordt beslecht. Het maakt wel duidelijk dat de uitspraak ‘ik zie het niet, dus het bestaat niet’ geen betrouwbare maatstaf voor alle werkelijkheid is.

De Koran laat ook zien hoe Profeet Ibrahim, vrede zij met hem, een menselijke aanspraak op heerschappij terugbracht naar de macht die alleen Allah bezit. Allah zegt: “Heb jij niet gekeken naar degene die met Ibrahim over zijn Heer redetwistte, omdat Allah hem het koningschap had gegeven? Toen Ibrahim zei: ‘Mijn Heer is Degene Die leven geeft en doet sterven,’ zei hij: ‘Ik geef leven en doe sterven.’ Ibrahim zei: ‘Allah laat de zon uit het oosten opkomen; laat jij haar dan uit het westen opkomen.’ Toen stond degene die ongelovig was met verstomming geslagen. En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.” (Soera al Baqara 2:258). De koning probeerde de betekenis van leven en dood naar zijn eigen macht toe te trekken. Ibrahim wees hem vervolgens op een zichtbaar onderdeel van de scheppingsorde waarover hij geen gezag bezat.

Diezelfde vraag klinkt wanneer de mens zelf in nood verkeert. Allah zegt: “Of wie verhoort degene die in nood verkeert wanneer hij Hem aanroept, neemt het kwaad weg en maakt jullie tot opvolgers op de aarde? Is er een god naast Allah? Hoe weinig staan jullie daarbij stil!” (Soera an Naml 27:62). Hier raakt Gods eenheid aan de richting van het gebed en het vertrouwen van de mens. Wie Allah als Schepper erkent, wordt ook opgeroepen zijn aanbidding en uiteindelijke afhankelijkheid op Hem te richten.

Is Allah een maangod?

Nee, de islam vereert de maan niet als god. De bewering dat Allah een maangod zou zijn, werd in moderne polemische literatuur onder meer door Robert Morey verspreid. Voor deze identificatie bestaat geen overtuigend historisch, taalkundig of archeologisch bewijs. Het bestaan van oude maancultussen en afbeeldingen van maansymbolen bewijst niet dat de naam Allah naar een maangod verwijst.

Dat de naam Allah al vóór de islam voorkwam, hoeft niet te worden ontkend. Onderzoek naar oude Arabische inscripties laat het gebruik van die naam in verschillende religieuze omgevingen zien. Daaruit volgt niet dat de islam de goden of religieuze overtuigingen van die gemeenschappen heeft overgenomen. De Koran vermeldt zelf dat de tegenstanders van de Profeet ﷺ Allah als Schepper erkenden, terwijl zij naast Hem andere machten vereerden. Allah zegt: “En als je hun vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen en de zon en de maan dienstbaar heeft gemaakt, zullen zij zeker zeggen: ‘Allah.’ Hoe worden zij dan van de waarheid afgewend?” (Soera al Ankabut 29:61).

Over de verhouding tussen Allah en de hemellichamen is de Koran rechtstreeks. Allah zegt: “Tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, de zon en de maan. Kniel niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar kniel neer voor Allah, Die ze heeft geschapen, als jullie Hem aanbidden.” (Soera Foessilat 41:37). De maan behoort tot de schepping en is een teken van haar Maker. Het vers richt de aanbidding op Allah en verbiedt haar op de zon of de maan te richten.

Aboe Bakra (Abu Bakra), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ zei: “De zon en de maan zijn twee tekenen onder de tekenen van Allah. Zij verduisteren niet vanwege de dood van iemand, maar Allah wekt er vrees mee bij Zijn dienaren.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 1048). Ook in deze overlevering blijven de hemellichamen tekenen die naar Allah verwijzen. Een verduistering wordt verbonden met bezinning op Hem, zonder de zon of de maan een goddelijke status te geven.

Over God spreken met overtuiging en respect

Een gesprek over Allah en God wordt duidelijker wanneer mensen eerst uitleggen wat zij bedoelen. Een moslim kan zeggen dat hij gelooft in de Schepper die Ibrahim, Moesa en Isa heeft gezonden, en vervolgens toelichten waarom hij de Drie-eenheid afwijst. Een christelijke gesprekspartner kan aangeven wat zijn kerk met Vader, Zoon en Heilige Geest bedoelt. Zo worden werkelijke verschillen zichtbaar en kunnen beide gesprekspartners reageren op wat de ander werkelijk gelooft.

De Koran geeft daarbij een duidelijke opdracht. Allah zegt: “Nodig uit tot de weg van jouw Heer met wijsheid en goede vermaning, en redetwist met hen op de beste wijze. Jouw Heer weet het beste wie van Zijn weg is afgedwaald, en Hij weet het beste wie de rechte weg volgen.” (Soera an Nahl 16:125). Het laatste deel van het vers bewaart de mens voor de gedachte dat hij Gods kennis van anderen bezit. Een gelovige kan een leerstelling beoordelen, maar kent daarmee niet het volledige innerlijk of de uiteindelijke bestemming van iedere gesprekspartner.

Ook in de afwijzing van andere vormen van aanbidding worden grenzen gesteld aan de manier van spreken. Allah zegt: “Beledig niet degenen die zij naast Allah aanroepen, zodat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beledigen. Zo hebben Wij voor iedere gemeenschap haar daden aantrekkelijk gemaakt. Daarna is hun terugkeer naar hun Heer, en Hij zal hun vertellen wat zij deden.” (Soera al Anam 6:108). Het vers vraagt de gelovige rekening te houden met de gevolgen van zijn woorden. Een theologisch bezwaar geeft geen vrijbrief om te vernederen of een gesprek bewust in wederzijdse belediging te laten eindigen.

Aisja (Aisha), moge Allah tevreden met haar zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ zei: “Aisja, Allah is zachtmoedig en houdt van zachtmoedigheid. Hij schenkt voor zachtmoedigheid wat Hij niet schenkt voor hardheid en evenmin voor iets anders.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2593). Zorgvuldig spreken vraagt soms geduld met een vraag die voor de gelovige vanzelfsprekend lijkt. Wie uitlegt, hoeft de ander niet klein te maken om zijn eigen overtuiging serieus te nemen.

Voor de moslim komt er ook een persoonlijke vraag bij: hoe leeft hij tegenover de God over wie hij spreekt? Zijn geloof krijgt vorm in het gebed, in de hulp die hij aan Allah vraagt en in de eerlijkheid waarmee hij zijn verantwoordelijkheden draagt. Een discussie over de juiste naam of een juiste omschrijving ontslaat hem niet van die opdracht. Wanneer hij iemand over zijn Heer vertelt, kan ook zijn omgang met die persoon getuigen van de eerbied waarmee hij zelf voor Allah wil staan.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ☰ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.