Halverwege de negentiende eeuw schreef een voormalige Franse minister van Buitenlandse Zaken een lange levensbeschrijving van Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem). Aan het einde ervan kwam hij tot een oordeel dat nog altijd wordt geciteerd: wanneer men menselijke grootheid afmeet aan de omvang van het doel, de beperktheid van de middelen en de gevolgen van het bereikte resultaat, vroeg hij zich af wie men dan werkelijk met Mohammed ﷺ kon vergelijken. Het waren opmerkelijke woorden in een Europese cultuur waarin de Profeet ﷺ eeuwenlang ook als bedrieger, ketter of vijand van het christendom was voorgesteld.
De schrijver was Alphonse de Lamartine, een van de beroemdste Franse dichters van de romantiek, politicus, reiziger en later geschiedschrijver. Zijn belangstelling voor de islam ontstond niet uit één boek of één ontmoeting. Zij groeide mee met een leven waarin religieuze twijfel, poëzie, reizen, persoonlijk verlies en politiek elkaar voortdurend raakten. Hij bewonderde het geloof dat hij bij moslims zag, schreef met uitzonderlijk respect over de Profeet ﷺ en betoogde later dat de islam binnen een stelsel van religieuze en burgerlijke vrijheid een plaats kon hebben.
Maar Lamartine werd geen moslim. Hij bleef de islam op belangrijke punten door een christelijk en later meer persoonlijk religieus wereldbeeld lezen. Bovendien kon dezelfde man die moslims met warmte beschreef politieke voorstellen verdedigen waarin Europese mogendheden over het lot van het Ottomaanse Rijk zouden beslissen, en stond hij aanvankelijk positief tegenover de Franse aanwezigheid in Algerije. Juist deze tegenstellingen maken hem interessanter dan een verzameling beroemde citaten. Zijn leven laat zien hoe een Europese blik op de islam werkelijk kon veranderen, zonder dat iemand daarmee ophield een kind van zijn eigen tijd te zijn.
Een Franse dichter in een eeuw vol beelden over de islam
Alphonse de Lamartine werd in 1790 in Mâcon geboren in een katholiek en royalistisch milieu. Zijn literaire doorbraak kwam met Méditations poétiques (Poëtische meditaties) in 1820. De bundel maakte hem tot een van de herkenbare stemmen van de Franse romantiek. Natuur, verlies, vergankelijkheid, liefde en verlangen naar God lopen in zijn poëzie voortdurend door elkaar. Nog voordat de islam een belangrijk onderwerp in zijn werk werd, leefde bij hem dus al een sterke gevoeligheid voor religieuze en existentiële vragen.
In 1829 werd hij gekozen tot lid van de Académie française. Hij behoorde daarmee al tot de culturele elite voordat zijn grote reis naar het Ottomaanse Oosten begon. Tegelijk leefde hij in een Europa waarin de islam op verschillende manieren werd bekeken. Oude christelijke polemiek was nog aanwezig, maar daar kwamen nieuwe vormen van oriëntalisme, wetenschappelijk onderzoek en romantische fascinatie voor het “Oosten” bij. Voor sommige schrijvers was dat Oosten een tegenbeeld van Europa: kleurrijker, spiritueler, sensueler of juist despotischer. Bewondering en stereotypering konden daardoor gemakkelijk in hetzelfde boek naast elkaar staan.
Het woord “Oosten” moet in dat verband voorzichtig worden gelezen. Negentiende-eeuwse Europese reizigers gebruikten het alsof gebieden van de Balkan tot as Sham en Egypte één herkenbare wereld vormden. In werkelijkheid ontmoetten zij zeer verschillende talen, volken, religies en politieke omstandigheden. Wanneer Lamartine over “de Oriënt” schreef, vertelde hij daarom niet alleen iets over de mensen die hij zag. Hij vertelde ook iets over de manier waarop een negentiende-eeuwse Europeaan hun wereld ordende.
Toch week hij op een belangrijk punt af van verschillende voorgangers. Waar een schrijver als François René de Chateaubriand (François-René de Chateaubriand) de reis naar het Heilige Land sterk kon inkaderen vanuit de tegenstelling tussen christendom en islam, ontwikkelde Lamartine gaandeweg een veel vriendelijker houding tegenover de religieuze wereld van moslims. Niet omdat hij zijn eigen achtergrond plotseling achter zich liet, maar omdat zijn reis hem dingen liet zien die moeilijk pasten in het eenvoudige beeld waarmee veel Europeanen vertrokken.
De reis waarop het Oosten mensen kreeg
In juli 1832 verliet Lamartine Marseille met zijn vrouw, hun dochter Julia, vrienden en personeel. De reis zou ongeveer achttien maanden duren en voerde via het Middellandse Zeegebied naar onder meer Libanon, as Sham, Palestina, Anatolië en het Europese deel van het Ottomaanse Rijk. Wat later als Voyage en Orient (Reis naar het Oosten) verscheen, was geen moderne wetenschappelijke reisstudie. Het was tegelijk dagboek, literatuur, observatie, religieuze meditatie en politieke beschouwing.
Dat verschil is belangrijk. Lamartine ging niet op pad als arabist of islamgeleerde die systematisch de Koran, de profetische overleveringen en het islamitische recht onderzocht. Hij keek met de ogen van een dichter, een christelijk gevormde Europeaan en een man die zelf met geloofsvragen worstelde. Daardoor kon hij soms scherp waarnemen en op andere momenten snel generaliseren. Toch veranderde iets wezenlijks doordat “de moslim” voor hem niet langer alleen een figuur uit Europese boeken was. Hij zag mensen bidden, ontmoette bestuurders en lokale leiders, verbleef in moslimomgevingen en ontdekte een religieuze aanwezigheid die hij in zijn eigen Frankrijk juist steeds meer meende te missen.
Vooral het gebed trof hem. In zijn reisnotities beschrijft hij moslims die hun gebed verrichten en merkt hij op dat hij in hun houdingen niets belachelijks kon zien, hoewel die voor een buitenstaander vreemd konden lijken. Wat hij zag, was volgens hem een menselijke waardigheid die voortkwam uit het bewustzijn dat men voor God stond. Op andere plaatsen bewonderde hij de levende menselijke stem die tot het gebed opriep en stelde hij die tegenover een Europa waarin religie volgens hem steeds meer uit het openbare en innerlijke leven verdween.
Dat is een belangrijk moment in zijn ontwikkeling. Zijn waardering voor de islam begon niet alleen bij een historisch argument over de Profeet ﷺ. Zij begon ook bij wat hij zag: mensen die hun dag onderbraken om zich tot Allah (God) te richten. Voor een man die zelf schreef dat de mens bijna geboren leek te zijn om te bidden, was dat geen klein detail. De gebedshouding van de ander werd een spiegel waarin hij naar de geestelijke toestand van zijn eigen samenleving keek.
Julia’s dood en een reis die ook een rouwproces werd
Midden in die reis werd Lamartine getroffen door een verlies dat niet als decoratie bij zijn belangstelling voor religie mag worden behandeld. Begin december 1832 stierf zijn dochter Julia in Beiroet aan tuberculose. Haar vader was bij haar.
Het verlies kreeg een diepe plaats in zijn schrijven. De reis die inspiratie en nieuwe horizonten had moeten brengen, werd ook een tocht door rouw. In zijn teksten uit deze periode keren dood, gebed, goddelijke voorzienigheid en de vraag naar het lot van de mens steeds terug. Zijn christelijke herinneringen bleven daarbij sterk aanwezig: gebeden uit zijn jeugd, de Bijbel en de heilige plaatsen die hij bezocht verdwenen niet doordat hij onder de indruk raakte van moslims.
We moeten Julia’s dood daarom niet veranderen in een eenvoudige verklaring voor zijn latere waardering van de islam. Er is geen goede reden om te zeggen dat haar overlijden hem “naar de islam bracht”. Zijn belangstelling bestond al en zijn religieuze ontwikkeling was breder. Wat wel zichtbaar is, is dat de reis hem confronteerde met geloof op het moment dat hij zelf iets verloor wat geen politieke theorie of literaire roem kon teruggeven. Daardoor kregen vragen over God en gebed voor hem een intensiteit die niet louter intellectueel was.
Juist hier krijgt zijn reisverslag een menselijk karakter dat later soms verloren gaat wanneer alleen zijn beroemde uitspraken over Mohammed ﷺ worden geciteerd. Achter die uitspraken stond geen geleerde die van een afstand een beschaving beoordeelde, maar een man die onderweg zowel bewondering als verlies had leren kennen.
Wat zag Lamartine in de islam?
Lamartine werd vooral geraakt door de eenvoud waarmee hij het islamitische geloof in één God meende te herkennen. De afwezigheid van een ingewikkelde priesterlijke hiërarchie in de dagelijkse aanbidding, de zichtbaarheid van gebed en de voortdurende verwijzing naar God spraken hem aan. Hij zag bij moslims iets wat volgens hem in het moderne Frankrijk dreigde te verdwijnen: een samenleving waarin de mens zich niet schaamde zijn afhankelijkheid van God zichtbaar te maken.
Zijn opmerkingen zijn soms opvallend warm. Wanneer hij in Jeruzalem te maken krijgt met de gevoeligheid rond de toegang van christenen tot een islamitisch heiligdom, reageert hij niet vanuit een verlangen om moslims te provoceren. Hij schrijft dat hij, mocht hij daar kunnen bidden, niet om de vernietiging van een ander volk zou vragen, maar om licht en geluk voor de mensen. Die taal komt uit zijn eigen universalistische religieuze denken. Zij is niet zomaar een weergave van islamitische geloofsleer, maar zij laat wel zien hoe ver hij zich kon verwijderen van de oude voorstelling waarin christen en moslim noodzakelijk elkaars religieuze vijanden waren.
Tegelijk bleef zijn waarneming dubbel. In hetzelfde Voyage en Orient waarin hij de vroomheid van moslims bewondert, kon hij de Koran ook uitleggen als een volgens hem gewijzigde vorm van christelijke waarheid. Daarmee gaf hij de islam geen zelfstandige plaats zoals een moslim dat zou doen. Hij herkende er vooral waarheden in die hij vanuit zijn eigen religieuze kader al belangrijk vond.
Precies dat maakt zijn ontwikkeling geloofwaardiger. Hij werd niet plotseling een negentiende-eeuwse moslimtheoloog in Franse kleding. Hij keek van buiten naar binnen, herkende iets wat hem diep raakte en bleef tegelijk zijn eigen begrippen meenemen. Soms hielpen die hem om respectvoller te kijken; soms verhinderden ze hem om de islam te begrijpen zoals moslims zichzelf begrepen.
Een christelijke achtergrond die steeds minder in een kerkelijk kader paste
Lamartine was christelijk opgevoed en religieuze taal bleef zijn hele leven in zijn werk aanwezig. Maar zijn verhouding tot het institutionele katholicisme werd steeds ingewikkelder. De religieuze concurrentie en strijd die hij tijdens zijn reis rond de heilige plaatsen zag, versterkten zijn ongemak met een geloof dat zichzelf uitsluitend kon bevestigen door de ander af te wijzen. Zijn spiritualiteit bewoog geleidelijk in de richting van een breder, minder dogmatisch geloof in één God.
Dat ging ver genoeg om kerkelijke kritiek uit te lokken. Voyage en Orient, gepubliceerd in 1835, werd in 1836 door Rome op de Index van verboden boeken geplaatst. Zijn openheid tegenover andere religies en zijn eigenzinnige theologische formuleringen pasten steeds minder comfortabel binnen orthodox katholieke grenzen.
Toch mag dit niet worden omgekeerd tot de bewering dat Lamartine daarom moslim werd. Daarvoor bestaat geen betrouwbaar bewijs. Zijn taal bleef op beslissende momenten christelijk gevormd en in zijn latere werk bleef hij Jezus een unieke of hogere religieuze positie geven. Hij kon de Profeet ﷺ buitengewoon hoog waarderen zonder daarmee de islamitische geloofsbelijdenis te aanvaarden.
Dat onderscheid is belangrijk, juist omdat er later teksten zijn verschenen die zijn bewondering gebruiken om hem bijna postuum tot moslim te verklaren. Zo’n behoefte doet hem geen recht. Zijn betekenis ligt juist in het feit dat hij niet tot de islam behoorde. Een invloedrijke Franse christelijk gevormde schrijver kon de Profeet ﷺ met diep respect beschrijven zonder eerst van identiteit te veranderen. Zijn getuigenis wordt niet sterker door er een bekering aan toe te voegen waarvoor de geschiedenis geen overtuigend bewijs geeft.
Van reisindruk naar een lange levensbeschrijving van de Profeet ﷺ
Meer dan twintig jaar na zijn grote reis verscheen Histoire de la Turquie (Geschiedenis van Turkije), een omvangrijk werk in meerdere delen. Lamartine begreep dat de geschiedenis van het Ottomaanse Rijk niet eenvoudig kon worden verteld zonder terug te gaan naar het ontstaan van de islam. Daarom gaf hij een groot gedeelte van het begin van zijn werk aan het leven van de Profeet ﷺ en de eerste islamitische geschiedenis.
Het is belangrijk om goed te begrijpen wat voor boek dit was. Lamartine was geen specialist in de profetische levensbeschrijving (sira) en werkte niet volgens de methoden die een hedendaagse historicus van de vroege islam zou gebruiken. De Bibliothèque nationale de France typeert zijn Histoire de la Turquie voor een belangrijk deel als een compilatie. Lamartine zelf vermeldde de werken waaraan hij veel verschuldigd was, waaronder die van de Oostenrijkse oriëntalist Joseph von Hammer Purgstall en Ignace Mouradgea d’Ohsson. Zijn tekst bevat daarom materiaal dat uit oudere Europese geschiedschrijving komt en moet niet als religieuze bron over de Profeet ﷺ worden gebruikt.
Maar Lamartine stelde andere vragen dan veel vroegere polemische schrijvers. Hij keek naar de historische omvang van wat Mohammed ﷺ had voortgebracht en vroeg of die werkelijkheid werkelijk verklaard kon worden door hem simpelweg als bedrieger of machtszoeker af te schilderen. Zijn antwoord was duidelijk ontkennend.
Hij zag in de Profeet ﷺ een man die de Arabische wereld rond het geloof in één God had samengebracht, een religieuze boodschap had omgezet in een gemeenschap en een beweging in gang had gezet die binnen enkele generaties ver buiten Arabië reikte. Voor Lamartine lag de grootheid niet uitsluitend in militaire overwinning. Hij was vooral onder de indruk van wat hij zag als een omwenteling in ideeën: afgoden maakten plaats voor één onzichtbare God, stammen werden verbonden door een gemeenschappelijke religieuze overtuiging en een boodschap die in Arabië was begonnen kreeg een wereldhistorische betekenis.
De beroemde uitspraak over Mohammed ﷺ in haar echte context
Aan het einde van zijn beschouwing bereikt Lamartine zijn bekendste passage. Hij legt drie maatstaven naast elkaar: de grootheid van het doel, de beperktheid van de middelen waarmee iemand begint en de enorme omvang van het uiteindelijke resultaat. Vervolgens stelt hij zijn beroemde vraag: “Wie zou, menselijk gesproken, een groot man uit de moderne geschiedenis met Mohammed durven vergelijken?”
De zin is echt. Hij komt niet uit een moderne verzameling van uitspraken van “beroemde niet-moslims over de islam”, al circuleren er online verschillende vertalingen en verkorte versies van. In de oorspronkelijke passage bouwt Lamartine zijn oordeel op over meerdere alinea’s. Hij noemt Mohammed ﷺ onder meer denker, redenaar, verkondiger, wetgever en strijder en benadrukt vervolgens de religieuze en historische orde die uit zijn optreden voortkwam.
Toch moet ook dit citaat niet losgemaakt worden van alles wat eromheen staat. Lamartine gebruikt formuleringen over profeetschap die voortkomen uit zijn eigen filosofische en christelijke visie. In een latere versie van zijn levensbeschrijving in Les grands hommes de l’Orient (De grote mannen van het Oosten) uit 1865 bleef hij Mohammed ﷺ uitzonderlijk hoog plaatsen, maar gaf hij Jezus nog steeds een hogere plaats. Zijn bewondering was dus oprecht, maar niet gelijk aan de islamitische overtuiging dat Mohammed ﷺ werkelijk door Allah als Zijn boodschapper is gezonden.
Dat verschil verkleint de waarde van zijn woorden niet. Het bepaalt alleen wat ze betekenen. Voor een moslim bewijzen de woorden van Lamartine het profeetschap niet; daarvoor is de goedkeuring van een Franse dichter niet nodig. Historisch zijn ze belangrijk omdat ze laten zien hoe ver een invloedrijke Europese schrijver kon komen wanneer hij bereid was een geërfd vijandbeeld niet als uitgangspunt te nemen.
Meer over een andere negentiende-eeuwse Europese denker die de oude beschuldiging van bedrog tegen de Profeet ﷺ verwierp? Klik hier. (Thomas Carlyle en de islam: hoe een Schotse denker een oud Europees beeld doorbrak)
Was Lamartine werkelijk uitzonderlijk voor zijn tijd?
Lamartine stond niet helemaal alleen. Johann Wolfgang von Goethe had vóór hem al met grote belangstelling naar de Koran, de Arabische taal en islamitische ideeën gekeken. Thomas Carlyle hield in 1840 in Londen zijn beroemde lezing over Mohammed ﷺ en verzette zich krachtig tegen de voorstelling dat een bewuste bedrieger een geloof van zo’n omvang kon hebben voortgebracht. Later zouden andere Europese auteurs eveneens vriendelijker of historischer over de islam schrijven.
Meer over Goethes verhouding tot de islam? Klik hier. (Johann Wolfgang von Goethe en de islam: een Europese zoektocht naar God, waarheid en innerlijke overgave – deel 1)
Lamartines bijzonderheid ligt daarom niet in het feit dat hij de eerste Europeaan was die ooit iets positiefs over de islam zei. Zo’n bewering zou de Europese intellectuele geschiedenis veel te eenvoudig maken. Opvallender is de combinatie van zijn maatschappelijke positie, zijn persoonlijke reiservaring en de intensiteit waarmee hij zijn bewondering uitdrukte. Hij was geen marginale schrijver, maar lid van de Académie française, een van de grote dichters van zijn generatie en gedurende een korte maar beslissende periode zelfs minister van Buitenlandse Zaken.
Ook veranderde zijn blik over langere tijd. De Lamartine van Voyage en Orient kon de vroomheid van moslims bewonderen terwijl hij de islam theologisch nog duidelijk onder zijn eigen christelijke kader plaatste. De oudere Lamartine schreef een uitgebreide levensbeschrijving van de Profeet ﷺ waarin zijn bewondering veel verder ging. Dat is iets anders dan één geïsoleerde uitspraak van tolerantie. We zien een intellectuele ontwikkeling waarin langdurige omgang met het onderwerp zijn taal veranderde.
Meer over een westerse historicus die later de oude voorstelling van islamitische verspreiding door louter dwang kritisch onderzocht? Klik hier. (Thomas Arnold: de Britse historicus die het verhaal over de verspreiding van de islam uitdaagde)
De dichter werd politicus, en daar wordt het verhaal moeilijker
Het zou verleidelijk zijn om vanuit zijn religieuze sympathie een rechte lijn naar politieke solidariteit met moslims te trekken. De werkelijkheid was ingewikkelder. Lamartine werd in 1833 parlementslid en groeide uit tot een belangrijke politieke stem. Tijdens de revolutie van 1848 werd hij lid van de voorlopige regering en korte tijd minister van Buitenlandse Zaken. De dichter die over gebed en universele menselijkheid schreef, stond dus ook midden in de machtsvragen van het negentiende-eeuwse Europa.
Juist bij de zogenaamde Oosterse Kwestie zien we hoe sterk zijn politieke denken kon verschillen van de warmte in zijn reisbeschrijvingen. In zijn vroege politieke voorstellen ging hij ervan uit dat het Ottomaanse Rijk mogelijk uiteen zou vallen. Hij kon zich daarbij een Europese regeling voorstellen waarin de grote mogendheden invloed over verschillende delen van het rijk zouden verdelen. In het politieke gedeelte van Voyage en Orient stond hij bovendien positief tegenover de Franse militaire aanwezigheid in Algerije.
Voor een hedendaagse lezer kan dat moeilijk te verenigen lijken met zijn waardering voor moslims. Maar juist die spanning behoort tot zijn historische werkelijkheid. Een negentiende-eeuwse Europeaan kon oprecht respect voelen voor de religieuze waardigheid van een moslim en tegelijk denken dat Europese mogendheden het recht hadden de politieke toekomst van islamitische gebieden te organiseren. Persoonlijke bewondering maakte hem niet automatisch vrij van het imperialistische denken van zijn tijd.
Zijn positie bleef bovendien niet onveranderd. Later nam hij afstand van delen van zijn eerdere visie op de opdeling van het Ottomaanse Rijk en werd hij juist een uitgesproken verdediger van het behoud van de Ottomaanse politieke eenheid. Ook zijn oordeel over Europese machtspolitiek en koloniale gewelddadigheid veranderde. Dit maakt Lamartine niet tot een eenvoudige “antikoloniale held”; daarvoor zijn zijn eerdere voorstellen te duidelijk. Het laat wel zien dat zijn ideeën konden verschuiven naarmate zijn ervaring en politieke inzichten veranderden.
Dezelfde voorzichtigheid die nodig is bij zijn religieuze uitspraken is daarom nodig bij zijn politiek. Wie alleen de vriendelijke Lamartine uit zijn reisnotities leest, mist een deel van de man. Wie alleen zijn imperialistische politieke voorstellen leest, mist eveneens de ontwikkeling die daarna plaatsvond.
Een Europeaan die het Oosten bewonderde en het toch bleef uitvinden
Lamartine schreef met meer respect over moslims dan verschillende beroemde Europese reizigers vóór hem, maar dat betekent niet dat hij buiten het oriëntalisme van zijn eeuw stond. Zijn “Oosten” is vaak een wereld van grote landschappen, bijbelse herinneringen, nomaden, oude beschavingen, stilte, gebed en spirituele eenvoud. Werkelijke mensen worden daardoor soms onderdeel van een landschap dat vooral betekenis krijgt voor de Europese reiziger die erover nadenkt.
De Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said zou Lamartine later juist om dit aspect scherp bekritiseren. Voor Said was het probleem niet dat Lamartine voortdurend vijandig over de bewoners van het Oosten schreef. Het probleem was dat de echte verscheidenheid en zelfstandigheid van die samenlevingen gemakkelijk verdween onder grote Europese beschouwingen over “het Oosten”. De reiziger keek, ordende en gaf betekenis; degenen naar wie hij keek kregen veel minder vaak de ruimte om zichzelf te definiëren.
Die kritiek is niet alleen een laat-twintigste-eeuwse reactie. Al in de negentiende eeuw konden lezers uit de regio bezwaar maken tegen Europese voorstellingen. De Beiroetse schrijver Khalil al Khoeri (Khalil al Khuri) reageerde in 1859 kritisch op delen van Lamartines voorstelling van het Oosten. Dat gegeven is belangrijk, omdat het voorkomt dat de discussie wordt gereduceerd tot de simpele tegenstelling “oude bewonderaar tegenover moderne criticus”.
Tegelijk hoeft die kritiek zijn oprechte religieuze openheid niet uit te wissen. Een mens kan tegelijkertijd een stereotype herhalen en iets werkelijk nieuws zien. Lamartine kon moslims idealiseren als een volk dat dichter bij gebed en eenvoud stond, en juist door die idealisering hun interne verscheidenheid missen. Maar hij kon ook oprecht begrijpen dat hun gebed geen teken van achterlijkheid was, dat hun geloof waardigheid bezat en dat de Profeet ﷺ niet met oude Europese beledigingen kon worden verklaard.
Een eerlijke lezing hoeft daarom niet te kiezen tussen “Lamartine was een vriend van de islam” en “Lamartine was een oriëntalist”. De historische Lamartine past niet volledig in één van beide vakjes.
Geen verborgen moslim
Juist omdat zijn woorden over de Profeet ﷺ zo krachtig zijn, ontstond in sommige islamitische publicaties de neiging om één stap verder te gaan: misschien was Lamartine eigenlijk moslim, misschien geloofde hij in stilte wat hij niet publiekelijk durfde uitspreken.
Daarvoor hebben we geen betrouwbare historische grond. Dat hij de eenheid van God bewonderde, moslimgebed respecteerde en Mohammed ﷺ een profeet noemde in zijn eigen religieus-filosofische taal, is niet hetzelfde als het afleggen of aanvaarden van de islamitische geloofsbelijdenis. Zijn andere teksten maken bovendien duidelijk dat hij christelijke uitgangspunten bleef meenemen. In zijn vroege reiswerk kon hij islamitische geloofsvoorstellingen nog als een gewijzigde vorm van christendom beschrijven, en ook in zijn late werk bleef Jezus voor hem een bijzondere maatstaf.
Dat hoeft een moslim niet teleur te stellen. Integendeel, de interessante vraag is juist hoe ver iemand kan komen in rechtvaardige beoordeling zonder tot dezelfde geloofsovertuiging te behoren. Het respect van een buitenstaander heeft een andere betekenis dan de belijdenis van een gelovige. Wanneer we die twee door elkaar halen, verliezen we zowel de historische figuur als de werkelijke betekenis van geloof.
Lamartine kan daarom beter worden gelezen zoals hij werkelijk was: een christelijk gevormde Europeaan wiens religieuze denken steeds minder binnen strikte kerkelijke grenzen paste, die diep geraakt werd door islamitische spiritualiteit en buitengewoon hoog over de Profeet ﷺ ging denken, maar van wie geen overtuigend bewijs bestaat dat hij de islam aannam. Juist die afstand maakt zijn getuigenis historisch waardevol.
Hoe betrouwbaar is Lamartine als bron over de islam?
Op deze vraag moeten twee verschillende antwoorden worden gegeven. Als bron voor de islamitische geloofsleer, de Koran of het leven van de Profeet ﷺ is Lamartine geen autoriteit. Hij schreef eeuwen na de gebeurtenissen, werkte via Europese bronnen en was geen islamitisch geleerde. Zijn historische werk bevat interpretaties en details die aan de bronnen en kennis van zijn eigen eeuw gebonden zijn. Wie wil weten wat de islam leert, moet daarvoor niet beginnen bij een Franse romanticus.
Als bron voor de geschiedenis van Europese ideeën over de islam is hij daarentegen buitengewoon interessant. Zijn teksten laten zien hoe een intellectueel die met christelijke en Europese categorieën begon, door reizen, ontmoetingen en langdurige studie zijn oordeel kon veranderen. Ook zijn vergissingen zijn in dat opzicht betekenisvol: ze laten zien welke kennis beschikbaar was, welke vooronderstellingen hij meenam en welke grenzen zijn openheid nog had.
Hetzelfde geldt voor zijn beroemde lof. We hoeven Lamartine niet te gebruiken als bewijsstuk in een debat waarin de islam pas geloofwaardig zou worden wanneer een Europeaan haar goedkeurt. Dat zou onbedoeld precies de hiërarchie bevestigen die men wil doorbreken: alsof een islamitische profeet uiteindelijk door een Europese schrijver moet worden gevalideerd.
Veel interessanter is dat Lamartine laat zien wat er gebeurt wanneer iemand bereid is een persoon eerst serieus te nemen voordat hij hem veroordeelt. De afstand tussen de karikatuur van Mohammed ﷺ die eeuwen in Europese polemiek circuleerde en Lamartines uiteindelijke beoordeling is enorm. Die verandering vertelt vooral iets over de kracht van een eerlijkere manier van kijken.
Waarom zijn woorden nog steeds zoveel moslims raken
Dat moslims Lamartines woorden tot vandaag delen, is begrijpelijk. Voor Europese moslims hebben zulke teksten bovendien een bijzondere historische lading. Zij herinneren eraan dat respect voor de islam geen vreemde toevoeging aan de Europese cultuur van de laatste decennia is. Europese literatuur en intellectuele geschiedenis bevatten al veel langer ontmoetingen waarin bewondering, nieuwsgierigheid en religieuze herkenning mogelijk waren.
Maar er zit ook een risico in zulke citaten. Wanneer alleen de meest bewonderende zinnen worden verzameld, ontstaat opnieuw een vereenvoudigde Lamartine. Zijn twijfels verdwijnen, zijn christelijke interpretatie verdwijnt, zijn politieke tegenstrijdigheden verdwijnen en uiteindelijk blijft een soort getuige voor de verdediging van de islam over. Dat is precies de methode die een serieus historisch artikel moet vermijden.
Zijn woorden worden sterker wanneer hun echte context zichtbaar blijft. Een man die niet tot de islam overging, die op sommige momenten verkeerde historische of theologische conclusies trok en die zelf niet vrij was van het Europese machtsdenken van zijn tijd, kon desondanks tot een buitengewoon hoog oordeel over de Profeet ﷺ komen. Hij hoefde niet alles te begrijpen voordat hij iets wezenlijks kon herkennen.
Daar zit ook een spirituele les in die verder gaat dan Lamartine zelf. Mensen ontmoeten geloof niet altijd eerst via een leerboek. Soms begint de beweging met iets dat zij zien: iemand die bidt, een manier van vertrouwen op God, een woord dat een oud vooroordeel verstoort, of een historische persoon die anders blijkt te zijn dan men jarenlang heeft gehoord. Wat daarna gebeurt, verschilt van mens tot mens. Bij Lamartine leidde die ontmoeting niet tot bekering, maar wel tot een blik die merkbaar anders werd.
Tussen bewondering en geloof
Alphonse de Lamartine stierf in 1869. Tegen die tijd had hij een lange weg afgelegd: van katholiek opgevoede aristocraat en romantisch dichter tot reiziger, parlementariër, revolutionair staatsman, religieus zoeker en schrijver over de geschiedenis van de islam en het Ottomaanse Rijk. Zijn ideeën veranderden onderweg, soms ingrijpend, en niet alle tegenstrijdigheden verdwenen.
Daarom past hij goed binnen een geschiedenis van westerse figuren en de islam, juist zonder hem tot iets te maken wat hij niet was. Zijn leven toont geen geheime bekering en evenmin een perfecte bevrijding uit negentiende-eeuwse Europese denkbeelden. Het toont iets menselijkers: iemand kan een traditie van vooroordelen erven, de mensen achter die beelden ontmoeten, opnieuw gaan kijken en zijn oordeel veranderen zonder aan het einde alle afstand te hebben overwonnen.
Wat Lamartine vooral in de islam zag, was een geloof waarin God niet naar de achtergrond was verdwenen. Hij zag mensen die hun lichaam in gebed bogen, hoorde een oproep die de dag naar het goddelijke richtte en ontmoette een beschaving waarvan hij de religieuze samenhang aanvankelijk slechts gedeeltelijk begreep. Jaren later keek hij naar de Profeet ﷺ en zag niet de bedrieger uit oude Europese polemiek, maar een mens wiens overtuiging, boodschap en historische uitwerking volgens hem tot de uitzonderlijkste verschijnselen van de geschiedenis behoorden.
Voor een moslim ligt de waarde daarvan niet in de gedachte dat Lamartine de waarheid van de islam zou hebben bewezen. Geloof rust niet op de bewondering van een dichter uit Frankrijk. De betekenis ligt misschien juist in iets eenvoudigers. Vooroordelen zijn niet altijd onvermijdelijk, zelfs niet wanneer een hele cultuur ze heeft doorgegeven. Een mens kan opnieuw leren kijken.
Lamartine bleef aan de andere kant van de grens tussen bewondering en islamitisch geloof staan. Toch kwam hij dicht genoeg om te begrijpen dat de Profeet ﷺ niet eerlijk beoordeeld kon worden door de oude karikaturen te blijven herhalen. En misschien is dat de reden dat zijn woorden bijna twee eeuwen later nog steeds worden gelezen: niet omdat hij moslim werd, maar omdat hij liet zien dat werkelijk kijken soms genoeg is om een geërfd oordeel te laten breken.
Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.
Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam











