Op 8 mei 1840 stond de Schotse schrijver en historicus Thomas Carlyle voor zijn publiek in Londen. Het onderwerp van die dag was opmerkelijk. In een lezingenreeks over de mensen die volgens hem de geschiedenis hadden gevormd, koos hij voor zijn tweede type held — de profeet — Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem). De lezing kreeg de titel The Hero as Prophet. Mahomet: Islam en werd een jaar later opgenomen in On Heroes, Hero-Worship, and the Heroic in History.
Carlyle deed iets wat in zijn tijd nog steeds gevoelig lag. Hij verwierp de voorstelling van de Profeet ﷺ als een berekenende bedrieger die bewust een religie zou hebben uitgevonden om macht te verkrijgen. Die beschuldiging had in de Europese polemiek een lange geschiedenis. Carlyle vond haar niet alleen onvoldoende om het ontstaan van de islam te verklaren; hij vond dat de verhalen en verdraaiingen waarmee Europeanen de Profeet ﷺ door de eeuwen heen hadden omgeven uiteindelijk vooral iets zeiden over degenen die ze bleven herhalen.
Dat maakt Carlyle interessant voor de geschiedenis van westerse opvattingen over de islam. Maar het maakt hem niet tot moslim, en evenmin tot iemand die de islamitische geloofsleer zonder voorbehoud aanvaardde. Juist daar ligt de waarde van een nauwkeurige lezing. Carlyle kon krachtig opkomen tegen oude laster over de Profeet ﷺ en tegelijk zeer negatieve oordelen uitspreken over de Koran, Arabieren vanuit negentiende-eeuwse categorieën beschrijven en de islam theologisch uitleggen vanuit zijn eigen, door het christendom gevormde wereldbeeld. Wie alleen zijn positieve uitspraken verzamelt, krijgt daarom niet de historische Carlyle te zien. Zijn lezing is interessanter dan dat. Zij laat zien hoe een invloedrijke Europese denker een geërfd vijandbeeld begon af te breken zonder zelf moslim te worden — en hoe zelfs een poging tot eerlijker kijken nog begrensd kon blijven door de denkwereld van de eigen tijd.
Wie was Thomas Carlyle?
Thomas Carlyle werd op 4 december 1795 geboren in Ecclefechan, in het zuiden van Schotland. In 1809 begon hij aan de Universiteit van Edinburgh. Aanvankelijk was het de bedoeling dat hij zich op een kerkelijk ambt zou voorbereiden, maar die weg liet hij achter zich. Hij werkte enige tijd als wiskundeleraar en ontwikkelde zich vervolgens tot essayist, vertaler, historicus en maatschappijkritisch schrijver. Tot zijn belangrijke werken behoren onder meer Sartor Resartus, The French Revolution, zijn werk over Oliver Cromwell en zijn omvangrijke geschiedenis van Frederik de Grote.
Zijn intellectuele ontwikkeling werd sterk beïnvloed door Duitse literatuur en filosofie. Carlyle vertaalde in 1824 Goethes Wilhelm Meister en speelde later een belangrijke rol bij de bekendmaking van Goethe en Friedrich Schiller bij een Brits publiek. Hij groeide uit tot een invloedrijke Victoriaanse historicus en essayist die diep door de Duitse romantiek was gevormd. In 1834 vestigde hij zich in Londen; drie jaar later verscheen zijn geschiedenis van de Franse Revolutie.
Religie was in zijn denken nooit slechts een afzonderlijk onderwerp. Carlyle groeide op in een sterk calvinistisch milieu, maar verwijderde zich van de orthodoxe geloofsformules waarmee hij was opgevoed. Onderzoekers hebben hem daarom onder meer beschreven als een denker die belangrijke morele en religieuze elementen van het christendom wilde behouden terwijl hij zich van verschillende traditionele leerstellingen distantieerde. Begrippen als waarheid, plicht, voorzienigheid, oprechtheid en de strijd tegen geestelijke leegte bleven zijn werk bepalen.
Dat is essentieel om zijn lezing over de islam te begrijpen. Carlyle kwam niet als neutrale godsdiensthistoricus naar de Profeet ﷺ. Hij zocht in de geschiedenis naar mensen die werkelijk geloofden in wat zij verkondigden en die volgens hem toegang hadden tot een diepere waarheid dan de oppervlakkige conventies van hun samenleving. Daardoor werd de vraag naar de oprechtheid van de Profeet ﷺ voor hem belangrijker dan veel van de polemische vragen waarmee eerdere Europese schrijvers waren begonnen.
Het Europese beeld van de Profeet ﷺ vóór Carlyle
Carlyle sprak niet in een leegte. Eeuwen vóór zijn lezing was in Europa een polemisch personage ontstaan dat vaak meer met Europese religieuze conflicten dan met de historische Profeet ﷺ te maken had. In het Engels werd daarvoor dikwijls de vorm Mahomet gebruikt. Matthew Dimmocks studie Mythologies of the Prophet Muhammad in Early Modern English Culture laat zien hoe deze figuur in vroegmodern Engeland werd opgebouwd uit laster, karikaturen en telkens herhaalde verkeerde informatie. Die geconstrueerde “Mahomet” kreeg een belangrijke plaats in christelijke voorstellingen van de islam.
Daarmee is niet gezegd dat iedere Europese schrijver hetzelfde dacht. Ook vóór Carlyle werden oude verhalen betwist. Dezelfde Europese beeldvorming waarin karikaturen werden doorgegeven, kende mensen die vraagtekens zetten bij onbewijsbare beschuldigingen en probeerden de islam met meer afstand te bestuderen. In de achttiende en vroege negentiende eeuw veranderde het Europese beeld dan ook geleidelijk. George Sale, Goethe en andere auteurs maakten deel uit van een bredere ontwikkeling waarin de Profeet ﷺ steeds vaker als historische persoon werd behandeld en niet uitsluitend als personage uit religieuze polemiek.
Toch bleef de beschuldiging van bedrog bijzonder hardnekkig. Humphrey Prideaux had de Profeet ﷺ bijvoorbeeld neergezet als een ambitieuze en machtsbeluste bedrieger die religie gebruikte om zijn eigen doeleinden te bereiken. Zulke voorstellingen circuleerden lang nadat een deel van de oude legenden waarop zij steunden al onder kritiek was komen te staan.
Juist daarom is 1840 belangrijk. Carlyle was niet de eerste Europeaan die een positiever beeld gaf, maar hij was een bekende Britse intellectueel die de beschuldiging van bewuste fraude frontaal aanviel binnen een veel bredere filosofie van geschiedenis en menselijke grootheid. Hij wilde niet alleen enkele fouten corrigeren; hij stelde dat het uitgangspunt waarmee veel mensen naar de Profeet ﷺ keken zelf ondeugdelijk was.
8 mei 1840: de Profeet ﷺ als historische held
On Heroes, Hero-Worship, and the Heroic in History ontstond uit zes lezingen. Carlyle behandelde achtereenvolgens de held als godheid, profeet, dichter, priester, schrijver en koning. In de reeks komen onder anderen Odin, Dante, Shakespeare, Luther, Knox, Samuel Johnson, Rousseau, Robert Burns, Cromwell en Napoleon aan bod. De Profeet ﷺ vormde het centrale voorbeeld van de tweede lezing: The Hero as Prophet.
Voor Carlyle was geschiedenis niet in de eerste plaats het resultaat van anonieme structuren. Hij gaf uitzonderlijke individuen een enorme rol. Grote mensen konden volgens hem een werkelijkheid zien die anderen niet zagen en daar woorden en richting aan geven. Deze visie hangt samen met Carlyles bekende gedachte dat de wereldgeschiedenis in hoge mate de geschiedenis van grote mensen was.
Daarmee moeten we meteen een belangrijk onderscheid maken. Dat Carlyle de Profeet ﷺ in zijn categorie “profeet” plaatste, betekent niet dat hij hem volgens de islamitische betekenis van profeetschap erkende. Carlyle zei zelf dat hij hem niet had gekozen omdat hij hem als de hoogste of meest ware onder alle profeten beschouwde. Hij voegde er zelfs aan toe dat hij vrijuit over zijn goede eigenschappen kon spreken omdat hij voor zijn Britse publiek geen gevaar zag dat zij daardoor moslim zouden worden.
Die opmerking klinkt vanuit het heden afstandelijk en paternalistisch. Tegelijk maakt zij iets historisch waardevols duidelijk: Carlyle probeerde geen islamitische geloofsbelijdenis af te leggen. Zijn inzet was een andere. Hij wilde aantonen dat men een historische persoon eerst serieus moest proberen te begrijpen voordat men hem vanuit een geërfd schema veroordeelde.
Wat bedoelde Carlyle eigenlijk met ‘profeet’?
Dit is een van de belangrijkste vragen voor een juiste lezing van Carlyle. Wanneer hij de Profeet ﷺ een ware profetische figuur noemt, gebruikt hij het begrip “profeet” binnen zijn eigen filosofie van de held.
Voor Carlyle was de grote mens iemand die achter de zichtbare vormen van het bestaan een diepere werkelijkheid ervoer. Daarom gebruikt hij woorden als inspiratie, openbaring en profetische kracht ook buiten de context van formele religieuze profeten. Later in hetzelfde boek kan hij zelfs over de ware schrijver spreken als iemand die iets van het goddelijke zichtbaar maakt. Goethe wordt bij hem eveneens in bijna profetische termen beschreven.
Dat brede begrip bepaalt ook zijn uitleg van de eerste openbaring. Carlyle aanvaardt niet eenvoudig de islamitische betekenis van openbaring. Wanneer hij over de engel Djibriel spreekt, interpreteert hij wat de Profeet ﷺ als openbaring ontving eerder als een krachtige innerlijke verlichting of goddelijke inspiratie waardoor een waarheid in zijn bewustzijn doorbrak. Later suggereert hij opnieuw dat beslissingen die voor de Profeet ﷺ als hemels licht kwamen, door hem als inspiratie van Djibriel konden worden ervaren.
Vanuit de islam is dat een wezenlijk verschil. De Koran geldt voor moslims niet als religieuze intuïtie van de Profeet ﷺ, maar als het woord van Allah (God), aan hem geopenbaard en door de engel Djibriel tot hem gebracht.
Allah zegt: “En voorwaar, dit is een neerzending van de Heer van de werelden. De betrouwbare Geest is ermee neergedaald op jouw hart, zodat jij tot de waarschuwers behoort, in een duidelijke Arabische taal.” (Soera ash Shuara, verzen 192–195).
Wie Carlyles woorden los van zijn eigen uitleg citeert, kan daarom gemakkelijk te ver gaan. Hij geloofde dat de Profeet ﷺ oprecht was en dat zijn religieuze ervaring werkelijk betekenis had. Hij verwierp de gedachte dat deze ervaring bewust was verzonnen. Maar hij bevestigde daarmee niet de islamitische geloofsleer over de aard van de openbaring.
Die grens is nodig om zijn werk eerlijk te beoordelen. Het doet niets af aan de historische betekenis van zijn verdediging tegen de beschuldiging van bedrog. Het voorkomt alleen dat waardering wordt veranderd in een geloofsovertuiging die Carlyle zelf niet heeft uitgesproken.
Welke bronnen gebruikte Carlyle voor zijn beeld van de islam?
Een negentiende-eeuwse lezing over de islam kan niet worden beoordeeld alsof zij met de bronnen en onderzoeksmogelijkheden van de eenentwintigste eeuw is geschreven. Om Carlyle te begrijpen moeten we daarom ook bekijken wat hij las.
In zijn lezing verwijst hij herhaaldelijk naar George Sale. Sales Engelse vertaling van de Koran, die in de achttiende eeuw was verschenen, was voor Carlyle een belangrijk toegangspunt tot de islamitische tekst. Hij gebruikt Sale bovendien voor historische informatie over Arabië. Zijn omgang met de Koran liep dus in belangrijke mate via een Engelse vertaling en via de Europese oriëntalistiek die voor hem beschikbaar was.
Carlyle kende ook de oudere polemische beeldvorming. Hij noemt Prideaux expliciet wanneer hij de voorstelling bestrijdt dat de Koran zou bestaan uit door een bedrieger vervaardigde middelen om eigen fouten en ambities te rechtvaardigen. Daarnaast haalt hij een verhaal aan waarin de oriëntalist Edward Pococke aan Hugo Grotius zou hebben gevraagd naar het bewijs voor de oude legende dat een getrainde duif bij het oor van de Profeet ﷺ kwam en voor een engel doorging. Volgens Carlyles weergave bleek daar geen bewijs voor te bestaan. Voor hem was dat voorbeeld kenmerkend voor het soort verhalen waarvan de Europese geschiedschrijving afscheid moest nemen.
Dit verklaart tegelijk zowel de kracht als de zwakte van zijn lezing. Carlyle was bereid om een deel van de Europese beeldvorming kritisch te onderzoeken, maar hij bleef voor veel informatie afhankelijk van diezelfde Europese kenniswereld. Hij stond dus niet buiten het oriëntalistische kader van zijn tijd. Hij voerde er een debat binnen.
Daarom moet zijn lezing niet worden gebruikt als betrouwbare bron voor de profetische levensbeschrijving zelf. Haar historische belang ligt ergens anders: zij laat zien hoe een invloedrijke Britse schrijver met de kennis die hij bezat begon te twijfelen aan de verklaringsmodellen waarmee Europa de islam eeuwenlang had benaderd.
De breuk met het beeld van de bedrieger
Het hart van Carlyles lezing ligt in zijn aanval op de fraudehypothese. Volgens hem was het steeds moeilijker vol te houden dat de Profeet ﷺ eenvoudig een berekenende bedrieger was en de islam niets meer dan een verzameling trucs.
Zijn redenering begint bij duurzaamheid. Een leugenaar kan volgens Carlyle tijdelijk succes hebben, maar hij kan geen geestelijk bouwwerk oprichten dat eeuwenlang het leven, de overtuigingen en de offers van enorme aantallen mensen bepaalt. Daarmee wilde hij niet wiskundig bewijzen dat iedere succesvolle religie waar moet zijn. Zijn punt was dat een verschijnsel van deze omvang niet bevredigend kan worden verklaard door de persoonlijkheid van de stichter tot bewuste fraude te reduceren.
Dat was een belangrijke verschuiving. De vraag veranderde van: “Hoe heeft een bedrieger zoveel mensen misleid?” naar: “Wat zag en geloofde deze man zelf, waardoor anderen hem konden geloven?”
Voor Carlyle was dat een veel vruchtbaarder historische vraag. Een mens die jarenlang vervolging, onzekerheid en strijd doorstaat, moest volgens hem ten minste diep overtuigd zijn van de werkelijkheid waarvoor hij stond. De eenvoudige verklaring van eigenbelang paste volgens Carlyle bovendien slecht bij de lange periode vóór de profetische missie en bij de offers die erop volgden.
Zijn aanpak was niet vrij van romantische verbeelding. Hij reconstrueerde geregeld gevoelens en innerlijke toestanden waarvoor hij geen directe historische toegang had. Toch betekende zijn methode een duidelijke weigering om de Profeet ﷺ nog langer als karikatuur te behandelen.
Oprechtheid: de sleutel tot Carlyles oordeel
Het begrip dat vrijwel alles in Carlyles lezing bij elkaar houdt, is oprechtheid. Dat woord heeft bij hem een diepere betekenis dan gewoon “niet liegen”. Een oprecht mens leeft volgens Carlyle niet uitsluitend van aangeleerde formules, sociale verwachtingen of nuttige schijn. Hij probeert door te dringen tot wat hij werkelijk als waarheid ziet en richt zijn leven daarnaar in. Deze oprechtheid beschouwde Carlyle als een fundamentele eigenschap van de historische held.
Daarom is zijn verdediging van de Profeet ﷺ geen losstaand gebaar van sympathie voor de islam. Zij vloeit rechtstreeks voort uit zijn filosofie. Als Carlyle de Profeet ﷺ als werkelijk groot beschouwde, kon hij hem niet tegelijk zien als iemand wiens hele levenswerk op bewust bedrog rustte.
Die redenering verklaart ook waarom Carlyle soms merkwaardig mild is tegenover fouten die hij zelf in de Profeet ﷺ meende te zien. Voor hem woog de fundamentele ernst van een mens zwaarder dan het beeld van een volmaakt historisch personage dat nooit innerlijke strijd of menselijke zwakte zou hebben gekend.
Vanuit islamitisch perspectief hoeft men Carlyles filosofie van oprechtheid niet over te nemen om het belang van deze omkering te zien. Eeuwenlang had een deel van de Europese polemiek juist de intentie van de Profeet ﷺ verdacht gemaakt. Carlyle richtte zijn aanval precies op dat fundament.
Hoe tekende Carlyle het karakter van de Profeet ﷺ?
Wanneer Carlyle de levensloop van de Profeet ﷺ bespreekt, probeert hij zijn argument over oprechtheid concreet te maken. Hij besteedt aandacht aan zijn jeugd, zijn reputatie onder zijn stadsgenoten, zijn huwelijk met onze moeder Khadija (moge Allah tevreden met haar zijn), zijn contemplatieve karakter en het relatief rustige leven dat voorafging aan de verkondiging.
Vooral het huwelijk met Khadija speelt een belangrijke rol in Carlyles redenering. Hij ziet de jaren waarin de Profeet ﷺ vóór zijn missie een stabiel leven met haar leidde als moeilijk verenigbaar met het beeld van iemand die vanaf het begin op macht, rijkdom of religieus leiderschap uit was. Volgens Carlyle begint de vermeende “carrière van ambitie” in de polemische verklaring juist op een levensmoment waarop zo’n verklaring psychologisch weinig overtuigend wordt.
Ook zijn eenvoud krijgt aandacht. Carlyle beschrijft de Profeet ﷺ niet als een vorst die zich na zijn succes in luxe terugtrok, maar als een sobere leider wiens dagelijks leven zichtbaar bleef voor de mensen om hem heen. Voor Carlyle woog dit zwaar: volgelingen hadden de Profeet ﷺ niet alleen van een afstand gehoord, maar jarenlang van dichtbij meegemaakt.
Toch is juist dit biografische deel een waarschuwing tegen het kritiekloos gebruiken van Carlyle als bron. Zijn informatie is niet altijd correct. In zijn beschrijving van de jeugd raakt bijvoorbeeld de chronologie rond het overlijden van de grootvader van de Profeet ﷺ verward. Volgens de bekende profetische levensbeschrijving (sira) overleed zijn grootvader toen de Profeet ﷺ ongeveer acht jaar oud was, waarna zijn oom Aboe Talib de zorg voor hem overnam. Carlyles formulering wijkt daarvan af.
Elders maakt hij een nog duidelijker geografische fout wanneer hij Ali ibn Aboe Talib (moge Allah tevreden met hem zijn) laat sterven bij een moskee in Bagdad. Ali werd in 661 in Koefa gedood; Bagdad bestond toen nog niet als de latere Abbasidische hoofdstad.
Zulke fouten maken zijn hele lezing niet waardeloos. Ze bepalen wél waarvoor de tekst bruikbaar is. Carlyle is een belangrijke bron voor de geschiedenis van de westerse blik op de Profeet ﷺ, niet een autoriteit voor de profetische levensbeschrijving zelf.
Eén God: wat Carlyle in het hart van de islam zag
Naast oprechtheid zag Carlyle nog een tweede kern: de radicale gerichtheid op één God. Hij was sterk getroffen door de breuk met afgoderij en door de gedachte dat de mens niet zelf het middelpunt van de werkelijkheid is. Islam betekende voor Carlyle vooral dat de mens zijn eigen wil niet absoluut maakt, maar zich onderwerpt aan een hogere werkelijkheid en zijn plicht zoekt binnen Gods orde. In dit verband grijpt hij zelfs terug op Goethe, die eveneens over de betekenis van islam als overgave had geschreven.
Carlyle zag daarin een krachtige morele waarheid. Een mens wordt volgens hem innerlijk vrij wanneer hij ophoudt de werkelijkheid uitsluitend af te meten aan zijn eigen voordeel, angst en verlangen. Hij verbond de islam daarom aan moed, plicht, zelfbeheersing en vertrouwen in God.
Maar ook hier blijft zijn interpretatie begrensd. Hij leest de islamitische overgave aan Allah door zijn eigen religieuze filosofie heen en probeert die vervolgens te verbinden met wat hij als de diepere kern van het christendom beschouwt. Op een bepaald moment definieert hij de islam zelfs als een verwarde vorm die volgens hem uit de christelijke religieuze wereld is voortgekomen. Later gebruikt hij nog scherpere en duidelijk neerbuigende taal voor die verhouding.
Dat contrast is belangrijk. Carlyle begreep dat geloof in één God en overgave aan Hem centraal staan in de islam. Maar hij begreep de islam niet volledig op zijn eigen theologische voorwaarden. Hij vertaalde wat hij zag naar een kader dat voor hemzelf herkenbaar was.
Carlyle en de Koran: waardering en scherpe kritiek naast elkaar
Er is misschien geen onderdeel van de lezing dat vaker te eenvoudig wordt weergegeven dan Carlyles oordeel over de Koran. Wie alleen geselecteerde uitspraken over zijn respect voor de islam leest, kan de indruk krijgen dat Carlyle ook literair diep onder de indruk was van de Koran. De oorspronkelijke lezing laat iets anders zien.
Carlyle vond de Engelse vertaling die hij gebruikte buitengewoon moeilijk om te lezen. Hij ervoer de tekst als weinig geordend, repetitief en stilistisch zwaar. Zijn formuleringen zijn op sommige plaatsen zo scherp dat ze moeilijk te verenigen zijn met de moderne voorstelling van Carlyle als eenvoudige bewonderaar van de Koran.
Maar daar stopt zijn oordeel niet. Carlyle beseft dat hij de tekst onder ongunstige omstandigheden leest. Hij merkt op dat Arabische lezers er meer structuur in zien dan hij en wijst erop dat ritme, klank en andere kenmerken van het Arabische origineel in vertaling verloren kunnen zijn gegaan. Ook beseft hij dat de ordening van de hoofdstukken geen eenvoudige historische volgorde volgt en dat een andere lezing van de opeenvolging zijn ervaring zou kunnen veranderen.
Vervolgens maakt hij een opvallend onderscheid tussen literaire vorm en innerlijke ernst. Ondanks zijn harde kritiek op wat hij in de Engelse versie ervaart als vorm, weigert hij de Koran als product van bewuste vervalsing te beschrijven. Voor Carlyle draagt de tekst de sporen van iemand die werkelijk meent wat hij zegt. Hij meent bovendien dat er tussen de passages momenten van krachtige directe waarneming en religieuze ernst zichtbaar worden.
Dat dubbele oordeel moet intact blijven. Carlyle was geen bewonderaar van de Koran in de eenvoudige betekenis waarin dit tegenwoordig soms wordt beweerd. Hij had ernstige bezwaren tegen de tekst zoals hij die in vertaling las. Tegelijk verwierp hij de theorie dat het boek door een bewuste religieuze vervalser was vervaardigd.
Juist die spanning vertelt veel over hem. Zijn bereidheid oude vooroordelen te bestrijden betekende niet dat hij vervolgens alles wat hij over de islam las positief beoordeelde. Hij probeerde onderscheid te maken tussen wat hem literair tegenstond, wat hij historisch niet begreep en wat hij als geestelijk oprecht herkende.
Werd de islam volgens Carlyle met het zwaard verspreid?
Carlyle behandelt ook een beschuldiging die tot vandaag in discussies over de islam terugkeert: dat de religie haar historische verspreiding eenvoudig aan het zwaard zou danken.
Zijn antwoord is opmerkelijk, maar ook hier moet het nauwkeurig worden weergegeven. Hij ontkent niet dat er oorlogen plaatsvonden en schrijft evenmin een moderne geschiedenis van de islamitische veroveringen. Zijn argument richt zich op de verklarende waarde van het cliché zelf.
Carlyle vraagt in wezen: zelfs wanneer iemand een zwaard wil gebruiken, waar haalt die persoon aanvankelijk de mensen vandaan die het voor zijn zaak opnemen? Een nieuwe overtuiging begint volgens hem niet als een leger, maar als het geloof van een individu of kleine groep. Voordat militaire macht een rol kan spelen, moeten mensen eerst overtuigd genoeg zijn om zich met de zaak te verbinden. Geweld alleen verklaart daarom niet waar de beweging haar eerste kracht, loyaliteit en duurzaamheid vandaan haalde.
Vervolgens keert hij het argument terug naar zijn christelijke publiek. Ook de geschiedenis van christelijke staten kende gedwongen bekering en gewapende expansie; Carlyle noemt daarbij de oorlogen van Karel de Grote tegen de Saksen. Wie het gebruik van geweld als automatisch bewijs voor de onwaarheid van een religie gebruikt, krijgt volgens hem dus ook problemen met de Europese christelijke geschiedenis.
Zijn redenering beantwoordt niet iedere historische vraag over oorlog, rijkvorming of religieuze verandering in de eerste islamitische eeuwen. Dat is ook niet wat zijn argument beoogde. Carlyles punt was specifieker: “het zwaard” is geen voldoende verklaring voor het ontstaan van geloof. Dat onderscheid is nog altijd relevant. Religies, staten en beschavingen groeien door een combinatie van overtuiging, instituties, maatschappelijke omstandigheden, handel, cultuur, politiek en soms oorlog. Een enkel woord kan die geschiedenis niet vervangen.
Van Arabië naar een wereldbeschaving
Carlyle was diep onder de indruk van de historische schaal van de verandering die met de islam samenhing. In zijn voorstelling had Arabië lang aan de rand van de grote politieke machten van de oude wereld gestaan. Vervolgens ontstond daar een religieuze beweging die binnen enkele generaties een groot deel van de bekende wereld raakte.
Voor hem ondersteunde die ontwikkeling zijn theorie van de historische held. Eén oprechte figuur kon volgens Carlyle een waarheid verwoorden die in een samenleving sluimerde, waarna hele volkeren in beweging kwamen. De Profeet ﷺ werd voor hem daarom een schoolvoorbeeld van de manier waarop één mens het beginpunt van een enorme historische verandering kon worden.
Hier is opnieuw nuance nodig. Moderne geschiedschrijving kan de opkomst van de islamitische beschaving niet reduceren tot de persoonlijkheid van één man. Religieuze overtuiging, gemeenschapsvorming, politieke instituties, economische routes, de toestand van Byzantium en het Sassanidische rijk en talloze lokale ontwikkelingen speelden hun eigen rol.
Maar Carlyles fascinatie blijft begrijpelijk. Hij keek naar de afstand tussen Mekka aan het begin van de zevende eeuw en de beschavingen die later van Andalusië tot Centraal-Azië ontstonden en vroeg welk soort boodschap zo’n historische energie kon losmaken. Zijn antwoord was dat men die vraag nooit serieus zou begrijpen zolang men bij “bedrog” begon.
Wat begreep Carlyle goed — en waar bleef hij een man van zijn tijd?
Een evenwichtig oordeel over Carlyle vraagt dat beide kanten naast elkaar blijven staan. Zijn belangrijkste verdienste ligt in zijn weigering om een oude beschuldiging te blijven herhalen omdat zij vertrouwd was. Hij eiste historische ernst. De Profeet ﷺ moest volgens hem worden beoordeeld als een mens die werkelijk geloofde in zijn opdracht, niet als een personage uit een polemisch verhaal. Daarmee hielp Carlyle een ontwikkeling versterken waarin de Profeet ﷺ in Europese literatuur steeds vaker als historische persoon werd onderzocht. Moderne studies naar de westerse beeldvorming plaatsen zijn lezing dan ook binnen een bredere verschuiving weg van oudere karikaturen.
Daarnaast zag Carlyle enkele werkelijk centrale kenmerken van de islam. Hij begreep de beslissende betekenis van geloof in één God, de afwijzing van afgoderij, de ernst van het komende oordeel, overgave aan God en de vormende kracht van religieuze overtuiging. Hij zag bovendien dat het persoonlijke leven van de Profeet ﷺ niet geloofwaardig kan worden besproken zonder rekening te houden met de mensen die jarenlang dicht bij hem leefden.
Maar Carlyles taal over Arabieren laat tegelijk zien hoe diep hij in negentiende-eeuwse Europese categorieën bleef staan. Hij kon hen edel en geestelijk begaafd noemen, maar gebruikte ook woorden die hen als primitief, onbeschaafd of half-barbaars voorstelden. Zijn bewondering maakte hem niet vrij van de hiërarchische taal van zijn tijd.
Ook theologisch bleef zijn blik van buitenaf. De openbaring werd door hem herleid tot een vorm van innerlijke inspiratie. De islam werd soms behandeld alsof zij een onvolmaakte afgeleide van het christendom was. De Koran werd beoordeeld vanuit een Engelse vertaling en een Europese literaire verwachting die maar beperkt rekening hield met de eigen taal, recitatiecultuur en structuur van het boek.
En er is nog een bredere reden om Carlyle niet tot held van een islamitisch lofverhaal te maken. Zijn politieke en maatschappelijke denkwereld bevatte ernstige elementen die niets met een bevrijding van negentiende-eeuwse vooroordelen te maken hadden. In 1849 publiceerde hij het openlijk racistische essay Occasional Discourse on the Negro Question. Later werd hij een prominente verdediger van de Britse gouverneur Edward Eyre na de gewelddadige onderdrukking van de Morant Bay-opstand in Jamaica in 1865. Carlyle organiseerde een comité ter verdediging van Eyre en verdedigde diens optreden tegenover de felle kritiek die daarop in Groot-Brittannië volgde.
Ook zijn verheerlijking van krachtige leiders heeft geleid tot langdurige discussies over de autoritaire kanten van zijn politieke denken. Zijn wantrouwen tegenover massademocratie en zijn nadruk op leiding door uitzonderlijke personen konden gemakkelijk een heel andere politieke richting krijgen dan de morele eis om een onterecht beschuldigde historische persoon eerlijker te beoordelen. Onderzoek naar het Britse imperialisme plaatst Carlyles steun aan Eyre dan ook in de bredere crisis rond democratie, imperium en gezag in het Victoriaanse tijdperk.
Dat alles hoeft niet te worden verzwegen om zijn lezing over de Profeet ﷺ waardevol te vinden. Integendeel. Het maakt de historische les scherper. Een mens kan op één terrein een diepgeworteld vooroordeel doorbreken en op een ander terrein zelf gevangen blijven in ernstige vooroordelen. Begrijpen is niet hetzelfde als verheerlijken.
Was Thomas Carlyle een verdediger van de islam?
In beperkte zin kan men zeggen dat Carlyle de islam en de Profeet ﷺ tegen bepaalde beschuldigingen verdedigde. In ruimere zin zou het woord “verdediger” gemakkelijk misleidend worden.
Hij verdedigde de Profeet ﷺ tegen de voorstelling van bewuste fraude. Hij verwierp ongefundeerde legenden. Hij verzette zich tegen het idee dat een religie die het leven van miljoenen mensen eeuwenlang had gevormd eenvoudig als een truc kon worden afgedaan. En hij zocht naar de religieuze en morele waarheid die volgens hem de historische kracht van de islam verklaarde.
Maar Carlyle werd geen moslim en schreef niet als islamitisch apologeet. Zijn eigen tekst markeert de afstand duidelijk genoeg. Hij achtte de Profeet ﷺ niet de hoogste profeet, herinterpreteerde openbaring, gaf harde kritiek op de Koran en plaatste de islam theologisch onder zijn eigen bredere interpretatie van het christendom.
De nauwkeurigste omschrijving is daarom wellicht deze: Carlyle was een invloedrijke westerse criticus van een aantal oude anti-islamitische voorstellingen, zonder zelf de islamitische geloofsovertuiging te aanvaarden. Dat is historisch al betekenisvol genoeg. Er is geen reden om er een bekering of een volledige verdediging van de islam van te maken.
Goethe en Carlyle: twee Europese ontmoetingen met de islam
De verbinding tussen Carlyle en Johann Wolfgang von Goethe is meer dan een toevallige overeenkomst tussen twee beroemde Europese schrijvers die iets over de islam zeiden.
Carlyle had jarenlang intensief met Goethe gewerkt, vertaalde hem en hielp zijn werk in Groot-Brittannië bekend te maken. Wanneer Carlyle in zijn lezing probeert uit te leggen wat “islam” als overgave aan God betekent, verwijst hij rechtstreeks naar Goethe. Hij gebruikt diens gedachte dat, wanneer islam werkelijk neerkomt op overgave aan de goddelijke orde, mensen die moreel naar die orde leven in zekere zin iets van dat beginsel kennen.
Toch zijn hun ontmoetingen met de islam verschillend. Goethe benaderde de islam sterk via poëzie, Koranische taal, Perzische literatuur en zijn bredere fascinatie voor het Oosten. Carlyle keek vooral naar geschiedenis, religieuze ernst en de figuur van de grote mens die een tijdperk verandert.
Juist daardoor vullen beide verhalen elkaar aan. Zij laten zien dat er binnen Europa nooit slechts één manier is geweest om naar de islam te kijken. Naast eeuwen van polemiek liep ook een andere lijn: soms aarzelend, soms onvolledig, maar bereid om de geërfde voorstelling opnieuw te onderzoeken.
Hoe bereikten Carlyles woorden de islamitische wereld?
De geschiedenis van Carlyles lezing eindigt niet in het Victoriaanse Londen. In 1911 verscheen in Egypte een Arabische vertaling van On Heroes door Muhammad al Sibai. Al Sibai was een productieve vertaler van Engelse literatuur en gedachtegoed; naast Carlyle vertaalde hij onder meer werk van Shakespeare, Herbert Spencer, Macaulay, Wilkie Collins en Charles Dickens. Zijn vertaling van Carlyles boek werd bekend als al Abtal.
Op het eerste gezicht lijkt het verhaal eenvoudig: een Britse schrijver verdedigt de Profeet ﷺ, een moslim vertaalt zijn boek, en moslimlezers verwelkomen de vriendelijke westerse stem. De werkelijkheid is interessanter.
Onderzoekers van vertaling en koloniale cultuur hebben laten zien dat al Sibais werk niet slechts een neutrale overdracht van Engelse zinnen naar het Arabisch was. Het boek verscheen in een Egypte dat onder Britse overheersing stond, midden in discussies over religie, moderniteit, taal, koloniale macht en de verhouding tot Europese kennis. Shaden Tageldins studie over Carlyle en al Sibai behandelt de vertaling juist als een plaats waar koloniale macht en religieuze zelfdefinitie elkaar ontmoetten.
Dat maakt de ontvangst van Carlyle paradoxaal. De koloniale wereld leverde niet alleen politieke overheersing en negatieve beelden over moslims. Uit diezelfde Britse cultuur kwam nu ook een gezaghebbende schrijver die een eeuwenoude Europese beschuldiging tegen hun Profeet ﷺ verwierp. Een vertaler kon dat westerse oordeel vervolgens terugbrengen naar een islamitisch publiek en er een andere betekenis aan geven.
De vraag wordt dan niet langer slechts: “Waarom waardeerden moslims Carlyle?” Interessanter is: waarom kreeg het oordeel van een Britse niet-moslim zoveel argumentatieve waarde? Wat veranderde er wanneer zijn woorden vanuit de taal van een imperiale macht in het Arabisch werden geplaatst? En hoe gebruikten moslimlezers een Europese stem om tegen andere Europese voorstellingen in te spreken?
Hier verschijnt Carlyle niet meer alleen als auteur. Zijn tekst wordt zelf onderdeel van een geschiedenis van macht, vertaling en religieuze representatie.
Van Carlyle zelf naar de citaten op internet
Wie tegenwoordig naar Carlyle en de islam zoekt, ontmoet meestal niet eerst de lezing van 1840. Men ontmoet afbeeldingen, korte citaten, sociale media en verzamelingen van uitspraken van “beroemde westerlingen over Profeet Mohammed ﷺ”. Daar ontstaat een nieuw probleem.
Carlyles taal is negentiende-eeuws, lang, retorisch en soms ingewikkeld. Veel moderne citaten zijn daarom geen letterlijke weergaven, maar verkorte parafrases van meerdere zinnen uit zijn lezing. Andere zijn vertalingen van vertalingen. Een zin kan eerst uit het Engels in het Arabisch zijn weergegeven, daarna opnieuw in het Engels of een Europese taal verschijnen en uiteindelijk aan Carlyle worden toegeschreven alsof hij precies die moderne formulering heeft gebruikt.
De oorspronkelijke lezing maakt het gelukkig mogelijk om de belangrijkste beweringen te controleren. Dat Carlyle de theorie van de bewuste bedrieger verwierp, is rechtstreeks aantoonbaar. Dat hij oprechtheid tot de sleutel van zijn oordeel maakte, eveneens. Dat hij het “zwaard” als onvoldoende verklaring voor de verspreiding van een religie behandelde, staat eveneens duidelijk in de tekst.
Maar hetzelfde brononderzoek voorkomt overdrijving. Carlyle zei niet eenvoudigweg dat hij de volledige islamitische geloofsleer als waarheid had erkend. Hij zag openbaring anders dan moslims haar verstaan. Hij had stevige kritiek op de Koran. En zijn eigen uitspraken over zijn afstand tot de islam mogen niet verdwijnen uit een verzameling van uitsluitend positieve regels.
Bij historische citaten geldt daarom een eenvoudige regel: een mooie uitspraak wordt niet betrouwbaarder doordat zij vaak wordt gedeeld. Eerst moet worden vastgesteld of Carlyle haar werkelijk schreef, in welke woorden, in welke context en met welke betekenis.
Voor een figuur die zelf zoveel moeite deed om een oude karikatuur te bestrijden, zou het ironisch zijn om vervolgens van Carlyle een nieuwe karikatuur te maken.
De invloed van The Hero as Prophet
Carlyles On Heroes bleef niet beperkt tot één avond in Londen. Het boek werd in 1841 gepubliceerd en werd een van zijn bekendste werken. Het verspreidde Carlyles idee van de grote historische persoonlijkheid internationaal en werd in verschillende talen gelezen en vertaald.
Ook zijn portret van de Profeet ﷺ reisde verder dan Groot-Brittannië en de Arabische wereld. Onderzoek naar Japan in de late negentiende en vroege twintigste eeuw laat bijvoorbeeld zien dat Carlyle daar veel werd gelezen. De boeddhistische geleerde Nukariya Kaiten publiceerde in 1905 de biografie Kaiketsu Mahometto over de Profeet ﷺ en was daarbij expliciet door Carlyle beïnvloed, hoewel hij vervolgens ook eigen Japanse en imperiale categorieën op de islam projecteerde.
Dat voorbeeld laat zien hoe ingewikkeld intellectuele invloed werkt. Carlyle corrigeerde bepaalde Europese beelden; een Japanse lezer nam zijn correctie over, maar vormde het beeld van de Profeet ﷺ vervolgens opnieuw vanuit Japanse debatten over religie, beschaving en imperium. In Egypte kreeg Carlyle weer een andere betekenis.
Een tekst verlaat dus nooit eenvoudig zijn auteur om overal hetzelfde te zeggen. Iedere nieuwe omgeving leest hem door haar eigen vragen heen.
Een stem tegen een oud vooroordeel, geen laatste woord over de islam
Thomas Carlyle hoeft voor een moslim geen autoriteit te zijn om historisch interessant te zijn. Het geloof van een moslim in de Profeet ﷺ rust niet op de goedkeuring van een Schotse schrijver uit de negentiende eeuw. Het gezag van de Koran en de profetische leiding (soenna) berust evenmin op de waardering van een beroemde Europeaan.
De betekenis van Carlyle ligt elders. Hij erfde een Europese cultuur waarin over de Profeet ﷺ eeuwenlang verhalen waren verteld die soms meer uit polemiek dan uit geschiedenis voortkwamen. Carlyle accepteerde die beeldvorming niet zonder onderzoek. Hij keek naar het leven dat hem werd beschreven, naar de langdurige offers, naar de overtuigingskracht die anderen rondom de Profeet ﷺ ervoeren en naar de historische gevolgen van zijn boodschap. Daarna concludeerde hij dat de eenvoudige theorie van de religieuze bedrieger niet standhield.
Hij ging ver genoeg om een vooroordeel te doorbreken, maar niet ver genoeg om buiten alle vooroordelen van zijn eigen tijd te komen. Daarom is zijn verhaal waardevol. Het laat zien dat intellectuele eerlijkheid niet vereist dat iemand vooraf dezelfde overtuiging heeft als degene die hij onderzoekt. Zij begint eerder wanneer iemand bereid is een geërfd oordeel opnieuw te toetsen, ook wanneer dat oordeel door de eigen cultuur eeuwenlang is herhaald.
Maar Carlyles verhaal leert nog iets anders. Wie één vooroordeel doorbreekt, is daarmee niet automatisch vrij van andere vooroordelen. De man die oude laster over de Profeet ﷺ afwees, kon later zelf raciale denkbeelden verdedigen en koloniale repressie rechtvaardigen. De geschiedenis laat mensen zelden zo eenvoudig zijn als de citaten waarmee latere generaties hen willen samenvatten.
Juist daarom verdient Thomas Carlyle een plaats in de geschiedenis van de westerse ontmoeting met de islam: niet als geheime moslim, niet als onfeilbare verdediger van de Profeet ﷺ en niet als morele held zonder schaduwzijde, maar als een invloedrijke westerse denker die op een belangrijk moment besloot dat een eeuwenoude beschuldiging niet langer mocht worden herhaald alleen omdat zij vertrouwd was.
Soms begint een verandering in beeldvorming niet wanneer iemand alle antwoorden heeft gevonden, maar wanneer hij eindelijk weigert nog langer tevreden te zijn met het verkeerde antwoord.
Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.
Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam











