Zelfbewondering (ujb) ontstaat wanneer iemand zijn eigen kwaliteiten of goede daden zo groot gaat vinden dat hij zijn afhankelijkheid van Allah (God) uit het oog verliest. Bij opscheppen of grootspraak (fakhr) gebruikt hij zijn afkomst, bezit, kennis of prestaties om zich tegenover anderen te verheffen. Beide kunnen groeien terwijl het leven er aan de buitenkant keurig uitziet. De islam leert een mens zijn mogelijkheden te gebruiken en goed werk te verrichten, met dankbaarheid, bescheidenheid en het besef dat hij leiding en vergeving nodig blijft hebben.
Zelfbewondering kan na een goede daad ontstaan. Iemand heeft geholpen, geleerd, gebeden of een moeilijke verantwoordelijkheid gedragen en begint daarna vooral naar zichzelf te kijken. De gunst van Allah verdwijnt uit zijn aandacht en de prestatie wordt een bewijs waarmee hij zichzelf boven anderen plaatst. Daardoor kan iets wat met gehoorzaamheid begon alsnog aanleiding worden tot ondankbaarheid, neerbuigendheid of weerstand tegen correctie.
Dit gevaar staat niet los van de strijd tegen Iblies (Iblis) en zijn helpers. De duivel probeert een mens niet alleen vóór een goede daad tegen te houden. Hij kan hem ook tijdens of na die daad influisteren dat hij uitzonderlijk is, dat anderen minder voorstellen en dat zijn succes uitsluitend uit hemzelf voortkomt. Ook duivels onder de mensen kunnen zulke gedachten voeden door hoogmoed aantrekkelijk te maken, overdreven lof te geven of minachting voor anderen als kracht te presenteren. De behandeling vraagt daarom om kennis, gedenken van Allah, eerlijke zelfcorrectie en bescherming zoeken bij Hem.
Wat is zelfbewondering en hoe verschilt het van opscheppen?
Zelfbewondering kan bestaan zonder dat iemand naar je kijkt. Je helpt bijvoorbeeld anoniem, maar gaat jezelf daarna beschouwen als uitzonderlijk vrijgevig of vroom. Het probleem zit dan niet in het vertellen over de gift, maar in het oordeel dat je over jezelf opbouwt. Je ziet je prestatie steeds scherper en vergeet hoeveel je hebt ontvangen om haar te kunnen verrichten.
Opscheppen heeft een andere richting: iemand benadrukt zijn voordelen of kwaliteiten om zich boven anderen te verheffen. Dat kan met geld, afkomst en opleiding, maar ook met religieuze kennis of jarenlange inzet voor een moskee. Zelfbewondering kan zulke grootspraak voeden, al hoeven beide niet altijd samen voor te komen. Een bescheiden uiterlijk of terughoudende manier van spreken bewijst evenmin dat iemand innerlijk vrij is van zelfingenomenheid.
Ook het verschil met religieus vertoon (riya) helpt om gericht aan jezelf te werken. Bij vertoon wordt bewondering van mensen een doel van de aanbidding; bij zelfbewondering raakt iemand onder de indruk van zichzelf, ook zonder publiek. Hoogmoed gaat over het afwijzen van waarheid en het neerkijken op mensen. Deze houdingen kunnen elkaar versterken, maar een voorbijgaande gedachte of een moment van voldoening maakt iemand niet automatisch schuldig aan al deze gebreken.
Het is belangrijk om te onderscheiden tussen een gedachte die onverwacht opkomt en een houding die iemand bewust voedt. Wie na een goede daad merkt dat zelfbewondering in hem opkomt, haar afwijst en Allah dankt, strijdt tegen die neiging. Het gevaar groeit wanneer hij haar verwelkomt, zichzelf ermee verheft en zijn omgang met anderen erdoor laat bepalen.
Waarom is zelfbewondering gevaarlijk voor je geloof?
Zelfbewondering verzwakt het besef dat een gunst ook een verantwoordelijkheid is. Karoen (Qarun) reageerde op de terechtwijzing van zijn volk met de gedachte dat zijn bezit aan zijn eigen kennis te danken was. De Koran vertelt: “Hij zei: ‘Dit is mij slechts gegeven vanwege kennis die ik bezit.’ Wist hij dan niet dat Allah vóór hem generaties had vernietigd die sterker waren dan hij en meer hadden verzameld? De misdadigers worden niet over hun zonden ondervraagd.” (Soera al Qasas 28:78). In zijn reactie werd succes een reden om advies af te wijzen, terwijl het aanleiding had moeten zijn tot dankbaarheid en goed gebruik van het bezit.
Zelfs een werkelijk voordeel kan een mens een misplaatst gevoel van zekerheid geven. Over de slag bij Hoenayn zegt Allah: “Allah heeft jullie op vele plaatsen geholpen, en op de dag van Hoenayn, toen jullie grote aantal jullie beviel, maar het jullie niets baatte. De aarde werd jullie, ondanks haar uitgestrektheid, te nauw; vervolgens keerden jullie je vluchtend om.” (Soera at Tawba 9:25). De les is niet dat voorbereiding of aantallen waardeloos zijn, maar dat middelen geen zelfstandige garantie op succes vormen. De daaropvolgende verzen beschrijven hoe Allah rust en hulp schonk; de gebeurtenis geeft dus ook onderwijs over terugkeer en afhankelijkheid van Hem.
Aboe Hoeraira (Abu Hurayrah), moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde dat Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) zei: “Terwijl een man in een mooi gewaad liep, zichzelf bewonderde en zijn haar had verzorgd, liet Allah hem plotseling in de aarde wegzinken. Hij zal daarin blijven wegzinken tot de Dag van de Opstanding.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 5789). De waarschuwing gaat over de zelfverheffing waarmee hij liep. Het verzorgen van kleding en uiterlijk wordt daarmee niet op zichzelf verboden.
Wie zichzelf voortdurend bewondert, kan minder bereid raken om te leren, vergeving te vragen of een fout te herstellen. Zo kan een goede prestatie het begin worden van een houding die verdere groei belemmert. Daaruit volgt niet dat iedere opkomende gedachte alle eerdere goede daden uitwist. Het algemene gevaar moet serieus worden genomen, terwijl het oordeel over de aanvaarding van iemands werk bij Allah blijft.
Wat leert het gesprek tussen de twee tuineigenaren over opscheppen?
De Koran geeft een uitvoerig voorbeeld van een man die zijn bezit niet alleen bewonderde, maar het ook gebruikte om zich boven zijn gesprekspartner te verheffen. Eerst worden de gunsten beschreven die hij had ontvangen: “Geef hun het voorbeeld van de twee mannen. Aan een van hen gaven Wij twee tuinen met druivenstokken. Wij omringden beide met dadelpalmen en plaatsten daartussen akkers. Beide tuinen brachten hun opbrengst voort en deden daar niets aan tekort. En Wij lieten daartussen een rivier stromen. Hij bezat overvloedige vruchten en rijkdom. Tijdens het gesprek zei hij tegen zijn metgezel: ‘Ik bezit meer rijkdom dan jij en heb een sterkere groep mensen om mij heen.’ Hij ging zijn tuin binnen terwijl hij zichzelf onrecht aandeed. Hij zei: ‘Ik denk niet dat dit ooit zal vergaan. Ook denk ik niet dat het Uur zal aanbreken. En als ik naar mijn Heer word teruggebracht, zal ik daar zeker iets beters voor terugkrijgen.’” (Soera al Kahf 18:32–36).
De man ontkende niet dat hij een tuin bezat of dat deze goed voortbracht. Zijn fout lag in wat hij uit die voorspoed afleidde. Hij maakte zijn bezit tot bewijs van eigen voortreffelijkheid en begon te spreken alsof de gunst niet kon verdwijnen. Zelfs de mogelijke terugkeer naar Allah gebruikte hij om zichzelf een nog betere uitkomst toe te schrijven.
Zijn gelovige metgezel antwoordde hem zonder zijn rijkdom te ontkennen: “Zijn metgezel zei tijdens hun gesprek tegen hem: ‘Geloof jij niet in Degene Die jou uit aarde heeft geschapen, vervolgens uit een druppel en jou daarna tot een man heeft gevormd? Wat mij betreft: Hij is Allah, mijn Heer, en ik ken aan mijn Heer niemand als deelgenoot toe. Had je maar, toen je jouw tuin binnenging, gezegd: “Wat Allah wil gebeurt; er is geen kracht behalve door Allah.” Hoewel je ziet dat ik minder bezit en kinderen heb dan jij, kan mijn Heer mij iets beters geven dan jouw tuin en er een bestraffing uit de hemel overheen sturen, zodat zij een kale, gladde grond wordt. Of het water ervan kan diep in de aarde wegzakken, zodat je het nooit meer kunt bereiken.’” (Soera al Kahf 18:37–41).
De woorden “Wat Allah wil gebeurt; er is geen kracht behalve door Allah” (maa shaa Allaah, laa quwwata illaa billaah) plaatsen de gunst terug onder de wil en macht van haar Gever. Zij leren een mens niet zijn bezit of inspanning te ontkennen, maar te erkennen dat hij het vermogen, de gelegenheid en het resultaat niet zelfstandig heeft voortgebracht. Het zijn geen woorden waarmee iemand zijn verantwoordelijkheid afschuift; zij verbinden inspanning met afhankelijkheid van Allah.
Het einde van het verhaal laat zien hoe weinig de man uiteindelijk aan zijn gevolg en bezit had: “Toen werden zijn vruchten en rijkdom volledig vernietigd. Hij begon zijn handen te wringen om wat hij eraan had uitgegeven, terwijl de tuin op haar draagconstructies was ingestort. Hij zei: ‘Had ik maar niemand als deelgenoot aan mijn Heer toegekend.’ Hij had geen groep die hem buiten Allah om kon helpen en hij kon zichzelf niet verdedigen. Daar behoort de beschermende macht aan Allah, de Ware. Hij geeft de beste beloning en de beste afloop.” (Soera al Kahf 18:42–44).
De waarschuwing gaat verder dan één rijke man. Kennis, gezondheid, een gezin, maatschappelijke invloed en religieuze inzet kunnen eveneens als onverliesbaar bezit worden behandeld. De veilige houding bestaat niet uit voortdurende angst dat iedere gunst zal verdwijnen, maar uit dankbaarheid, verantwoordelijk gebruik en het besef dat geen enkele gunst iemand onafhankelijk van Allah maakt.
Ook aanbidding kan zelfbewondering voeden
Aanbidding brengt een mens dichter bij Allah wanneer hij haar met oprechtheid (ikhlas) verricht. Maar iemand kan zijn gebeden gaan tellen als bewijs dat hij beter is dan anderen, of zijn kennis gebruiken om zichzelf buiten het bereik van kritiek te plaatsen. Onderzoek dan of de gehoorzaamheid je ook ontvankelijker maakt voor waarheid. Wie steeds meer over de godsdienst leert maar steeds minder correctie verdraagt, heeft reden om zijn houding te onderzoeken.
De Koran corrigeert het idee dat iemand met zijn geloof een gunst bewijst: “Zij houden jou voor dat zij de islam hebben aangenomen. Zeg: ‘Houd mij jullie islam niet als een gunst voor. Allah heeft jullie juist een gunst bewezen doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn.’” (Soera al Hoedjoerat 49:17). Geleiding is dus zelf iets waarvoor een gelovige dankbaar behoort te zijn. Een geslaagde periode van vasten, leren of dienstbaarheid maakt hem niet onafhankelijk van de Gever van die mogelijkheid.
Aboe Hoeraira overleverde dat de Profeet ﷺ zei: “Niemand zal door zijn daden het Paradijs binnengaan.” Er werd gevraagd: “Ook u niet, Boodschapper van Allah?” Hij antwoordde: “Ook ik niet, tenzij mijn Heer mij met Zijn barmhartigheid omhult.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2816). Goede daden blijven gevraagd en waardevol, maar geven een mens geen recht om het Paradijs onafhankelijk van Allahs barmhartigheid op te eisen. Deze woorden leren de gehoorzame mens hoop en nederigheid tegelijk.
Zelfverheffing wordt nog gevaarlijker wanneer iemand zich bevoegd acht de deur van vergeving voor een ander te sluiten. Djoendoeb (Jundub), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ berichtte: “Een man zei: ‘Bij Allah, Allah zal die persoon niet vergeven.’ Allah, de Verhevene, zei: ‘Wie is degene die bij Mij zweert dat Ik die persoon niet zal vergeven? Ik heb die persoon vergeven en jouw werk tenietgedaan.’” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2621). Hier wordt een concrete en ernstige uitspraak veroordeeld, niet ieder gevoel van tevredenheid na een goede daad. Je mag een zichtbare zonde afkeuren, maar je kent de uiteindelijke verhouding van een ander tot Allah niet.
Opscheppen over afkomst, bezit en prestaties
Afkomst kan iets zijn waarvoor je dankbaar bent en waarover je graag leert. Grootspraak ontstaat wanneer familie, volk of achtergrond wordt gebruikt als bewijs dat je meer waard bent dan een ander. Hetzelfde kan gebeuren met opleiding, inkomen of de prestaties van je kinderen. Een gesprek waarin mensen elkaar leren kennen, verandert dan in een rangorde waarin de een zich groot maakt ten koste van de ander.
De Koran noemt afkomst en verscheidenheid als middelen om elkaar te leren kennen, niet als grond om elkaar te vernederen. Allah zegt: “Mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. De meest geëerde van jullie bij Allah is degene die Hem het meest vreest. Allah is werkelijk Alwetend, volledig op de hoogte.” (Soera al Hoedjoerat 49:13). De mens mag zijn familie kennen en zijn geschiedenis bewaren, maar zijn afkomst geeft hem geen zelfstandig recht op een hogere plaats bij Allah.
In de raadgevingen van Loeqman (Luqman) staat: “Wend je gezicht niet hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand over de aarde. Allah houdt niet van iemand die verwaand is en opschept.” (Soera Loeqman 31:18). De manier waarop iemand spreekt, luistert en anderen tegemoettreedt, hoort bij zijn karaktervorming. Ook zonder openlijke belediging kan een houding mensen duidelijk maken dat zij er volgens jou minder toe doen.
Iyaad ibn Himaar (Iyad ibn Himar), moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde dat de Profeet ﷺ zei: “Allah heeft mij geopenbaard dat jullie bescheiden moeten zijn, zodat niemand een ander onrecht aandoet en niemand zich boven een ander beroemt.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2865). Bescheidenheid heeft daarmee gevolgen voor de rechten en waardigheid van anderen. Zij wordt zichtbaar wanneer je een ander laat uitspreken, diens bijdrage erkent en jouw positie niet gebruikt om hem klein te maken.
Bij ouders verdient dit bijzondere aandacht. Een kind mag weten dat zijn inspanning wordt gezien, zonder te leren dat zijn waarde afhangt van beter zijn dan andere kinderen. Benoem wat het heeft geoefend en geleerd en leer het ook hulp, kansen en steun te herkennen. Zo kan waardering samengaan met dankbaarheid en respect voor iemand die anders presteert.
Mag je blij zijn met jezelf en je prestaties?
Je mag blij zijn dat je iets hebt geleerd, een moeilijke taak hebt voltooid of een goede gewoonte hebt opgebouwd. Die vreugde kan samengaan met het erkennen van de gunst van Allah en je eigen beperkingen. Een mens hoeft zijn inzet niet te ontkennen om dankbaar te kunnen zijn. De Koran herinnert hem aan de oorsprong van wat hij ontvangt: “Welke gunst jullie ook hebben, zij komt van Allah. En wanneer tegenspoed jullie treft, dan roepen jullie tot Hem om hulp.” (Soera an Nahl 16:53).
Ook het eerlijk noemen van bekwaamheid kan een nuttig doel dienen. Toen de profeet Joesoef (Yusuf), vrede zij met hem, een verantwoordelijkheid op zich wilde nemen, zei hij: “Stel mij aan over de voorraadschuren van het land. Ik ben werkelijk een kundige bewaker.” (Soera Joesoef 12:55). Hij benoemde eigenschappen die bij de gevraagde taak hoorden. Dat geeft ruimte om bij een sollicitatie of verantwoordelijkheid relevante ervaring te vermelden, zonder meer te claimen dan je kunt waarmaken.
Het onderscheid blijkt onder meer uit je verhouding tot correctie en tot de kwaliteiten van anderen. Kun je erkennen dat iemand iets beter kan en dat jouw werk fouten bevat? Kun je blij zijn met vooruitgang zonder anderen als achtergrond voor jouw succes te gebruiken? Zulke vragen helpen bij zelfonderzoek, maar een ongemakkelijk moment of een onhandige uitspraak is geen sluitend bewijs van een verborgen ziekte.
Bescheidenheid vraagt evenmin dat je toestaat dat anderen je vernederen of je rechten ontkennen. Je kunt een grens stellen, een eerlijke vergoeding vragen en een onjuiste beschuldiging weerspreken. De manier waarop je dat doet, blijft belangrijk: duidelijkheid en zelfrespect kunnen samengaan met respect voor de ander. Ook wie veel aan zichzelf te verbeteren heeft, behoudt zijn menselijke waardigheid en rechten.
Hoe beïnvloeden Iblies en de duivels onder mensen en djinn de ziel?
Iblies is een vijand die probeert een mens van Allahs weg af te brengen. Zijn inzet beperkt zich niet tot het verhinderen van een goede daad: hij probeert ook de bedoeling te verschuiven en een verrichte daad aanleiding tot zelfverheffing te maken. De Koran vermeldt zijn woorden: “Hij zei: ‘Omdat U mij hebt laten afdwalen, zal ik hen zeker op Uw rechte weg opwachten. Daarna zal ik hen van voren en van achteren, van hun rechterkant en van hun linkerkant benaderen. En U zult de meesten van hen niet dankbaar vinden.’” (Soera al Araf 7:16–17). Dankbaarheid wordt hier uitdrukkelijk genoemd als iets waarvan hij de mens wil afhouden.
De invloed komt niet alleen door onzichtbare influistering. De Koran spreekt ook over duivels onder mensen die misleidende gedachten aantrekkelijk verwoorden. Allah zegt: “Zo hebben Wij voor iedere profeet vijanden gemaakt: duivels onder de mensen en de djinn. Zij fluisteren elkaar fraaie woorden in om te misleiden. Als jouw Heer het had gewild, zouden zij dat niet hebben gedaan. Laat hen daarom met wat zij verzinnen.” (Soera al Anam 6:112).
Mooie woorden kunnen hoogmoed een aanvaardbare naam geven. Iemand wordt verteld dat hij vanwege zijn geld, volk, kennis of religieuze inzet vanzelf boven anderen staat. Een kring kan hem alleen nog prijzen en iedere correctie voorstellen als jaloezie of gebrek aan respect. Zo kunnen mensen elkaars zwakke plekken voeden. Niet ieder compliment is misleiding, maar lof die iemand van dankbaarheid, waarheid en rechtvaardigheid verwijdert, kan een deur voor zelfbewondering worden.
De Profeet ﷺ onderwees dat de mens met een voortdurende satanische tegenstander te maken heeft. Abdoellah ibn Masoed (Abdullah ibn Masud), moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde zijn woorden: “Er is niemand onder jullie of er is een metgezel uit de djinn aan hem toegewezen.” Zij vroegen: “Ook aan u, Boodschapper van Allah?” Hij antwoordde: “Ook aan mij, maar Allah heeft mij tegen hem geholpen, zodat ik tegen hem beschermd ben en hij mij alleen tot het goede aanspoort.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2814). De bijzondere bescherming van de Profeet ﷺ leert de gelovige hoezeer hij zelf bescherming bij Allah nodig heeft.
Soera an Nas leert bescherming zoeken tegen influistering uit beide werelden: “Zeg: ‘Ik zoek bescherming bij de Heer van de mensen, de Koning van de mensen, de God van de mensen, tegen het kwaad van de influisteraar die zich terugtrekt, die in de harten van de mensen influistert, uit de djinn en de mensen.’” (Soera an Nas 114:1–6). Het noemen van mensen en djinn maakt de strijd concreet. Een gedachte kan in het hart opkomen en vervolgens door gesprekken, voorbeelden en groepsdruk worden versterkt.
Bij zelfbewondering kan de verleiding aansluiten op iets wat werkelijk goed ging. Na een geslaagd gebed of een nuttige bijdrage kan iemand gaan denken dat hij uitzonderlijk zuiver is, advies niet meer nodig heeft of op anderen mag neerkijken. Zo verdwijnt de aandacht voor Allah achter de bewondering voor het eigen werk. Dat is een manier waarop goede inspanning kan worden aangetast door wat een mens daarna bewust gaat voeden.
De menselijke ziel en haar neigingen (nafs) kunnen daarvoor ontvankelijk worden. Voortdurende vergelijking, kritiekloze lof en een omgeving waarin iedereen indruk probeert te maken, geven zelfingenomenheid veel ruimte. De duivel benut zulke zwakke plekken, maar zijn influistering neemt de verantwoordelijkheid voor je antwoord niet weg. Je kunt haar afwijzen, een onjuiste gedachte corrigeren en terugkeren naar de bedoeling waarvoor je het goede begon.
De Koran leert hoe de gelovige zo’n aanval onderbreekt: “En als een aansporing van de duivel jou treft, zoek dan bescherming bij Allah. Hij is werkelijk Alhorend, Alwetend. Degenen die Allah vrezen, herinneren zich wanneer een influistering van de duivel hen raakt, en dan zien zij weer helder.” (Soera al Araf 7:200–201). Gedenken van Allah haalt de mens uit de kring van zelfbewondering en brengt hem terug bij de waarheid over zichzelf, zijn daad en de Gever van zijn mogelijkheden.
Ook deze strijd mag niet veranderen in eindeloos wantrouwen tegenover iedere gedachte. Wanneer zelfbewondering opkomt, zoek je bescherming bij Allah, erken je Zijn gunst en ga je gehoorzaam verder. Het doel is niet ieder innerlijk gevoel voortdurend te onderzoeken, maar de verkeerde neiging niet te volgen wanneer je haar herkent.
Hoe behandel je zelfbewondering en leer je bescheiden te blijven?
Begin met het opnieuw herkennen van de gunsten achter je prestatie. Je hebt misschien hard gewerkt, maar kreeg ook tijd, een lichaam, mogelijkheden, onderwijs of hulp die je niet zelf hebt geschapen. Bij aanbidding komt daar de gunst van leiding en het verlangen naar gehoorzaamheid bij. Door die samenhang te erkennen, hoef je je inspanning niet weg te cijferen en hoef je haar evenmin tot bewijs van zelfstandige grootheid te maken.
Neem na een succes een ogenblik om Allah te danken voordat je jezelf of anderen er uitvoerig over vertelt. Herinner jezelf eraan dat de mogelijkheid, de kracht en het resultaat onder Zijn beschikking staan. De woorden uit het verhaal van de twee tuinen helpen daarbij: wat Allah wil gebeurt en er is geen kracht behalve door Hem. Deze korte onderbreking kan voorkomen dat een eerste gevoel van vreugde uitgroeit tot een verhaal waarin alleen jijzelf nog zichtbaar bent.
De Koran verbindt het afwijzen van zelfverheerlijking met kennis van Allah en Zijn vergeving: “Degenen die de grote zonden en schandelijkheden vermijden, afgezien van kleinere misstappen: jouw Heer is ruim in vergeving. Hij kent jullie het beste, toen Hij jullie uit de aarde voortbracht en toen jullie ongeboren kinderen waren in de buik van jullie moeders. Verklaar jezelf daarom niet zuiver. Hij weet het beste wie Hem vreest.” (Soera an Nadjm 53:32). Je hoeft geen onberispelijk beeld van jezelf te beschermen. Eerlijk erkennen wat verbetering vraagt, kan samengaan met hoop op Zijn vergeving.
Blijf leren van mensen die je zorgvuldig corrigeren. Wanneer een opmerking je raakt, probeer dan eerst te begrijpen wat er inhoudelijk wordt gezegd voordat je je reputatie verdedigt. Soms is de kritiek onjuist en mag je haar weerleggen; soms bevat zij een waarheid waarvoor je dankbaar kunt zijn. Laat de mogelijkheid dat je iets kunt leren open, ook wanneer je eerste reactie afweer is.
Laat dankbaarheid ook zichtbaar worden in je omgang met mensen. Erken wie je heeft geholpen, geef een ander ruimte om iets goed te doen en verricht taken die nuttig zijn zonder veel aanzien op te leveren. Zoek gezelschap waarin eerlijkheid en dienstbaarheid worden gewaardeerd en waarin men je durft te verbeteren. Verborgen goede daden kunnen helpen tegen afhankelijkheid van publiek, maar vragen nog steeds om bewaking tegen innerlijke zelfbewondering.
Abdoellah ibn Oemar (Abdullah ibn Umar), moge Allah tevreden met hem en zijn vader zijn, overleverde dat de Profeet ﷺ zei: “Er zijn drie vernietigende zaken, drie reddende zaken, drie zaken die zonden uitwissen en drie zaken die in rang verheffen. De vernietigende zaken zijn: gierigheid waaraan wordt gehoorzaamd, begeerte die wordt gevolgd en zelfbewondering. De reddende zaken zijn: rechtvaardigheid bij boosheid en tevredenheid, matigheid bij armoede en rijkdom en ontzag voor Allah in het verborgene en in het openbaar. De zaken die zonden uitwissen zijn: het wachten op het volgende gebed na een gebed, de kleine rituele wassing zorgvuldig verrichten bij kou en de stappen naar de gezamenlijke gebeden. De zaken die in rang verheffen zijn: voedsel geven, de vredesgroet verspreiden en ’s nachts bidden terwijl de mensen slapen.” (Overgeleverd door at Tabarani in Al-Mu’jam al-Awsat, hadith 5754. De afzonderlijke keten bevat zwakte; al Albani beoordeelde de overlevering op grond van ondersteunende routes als hasan li-ghayrihi).
De volledige overlevering plaatst zelfbewondering naast het volgen van begeerte en gehoorzaamde gierigheid. Daarna wijst zij niet alleen op een innerlijk gevoel, maar op concrete wegen van herstel: rechtvaardigheid, matigheid, ontzag voor Allah, gebed en zorg voor anderen. Bescheidenheid wordt zo geoefend in de manier waarop iemand leeft, niet alleen in wat hij over zichzelf denkt.
Wie zich bewust heeft verheven, kan daar oprecht berouw over hebben zonder een nieuwe voorstelling van nederigheid op te voeren. Stop met de grootspraak, vraag Allah om vergeving en herstel het gedrag waarin zij zichtbaar werd. Heb je iemand gekleineerd of diens bijdrage onterecht aan jezelf toegeschreven, bied dan passende excuses aan of corrigeer wat je hebt gezegd. Herstel rechten naar vermogen, zonder een openbare bekentenis te gebruiken die de benadeelde opnieuw beschadigt.
Maak van het gevecht tegen zelfbewondering geen reden om kennis, werk of aanbidding op te geven. De duivel kan de angst voor een slechte bedoeling gebruiken om je bij het goede weg te houden. Ga door met wat juist is, zoek bescherming bij Allah en corrigeer de houding waarmee je het doet. Een betere verhouding tot Hem groeit door terugkeer en oefening, niet door te wachten totdat je geen enkele verkeerde neiging meer opmerkt.
Welke smeekbeden en vormen van gedenken helpen tegen zelfbewondering?
Smeekbeden (dua) maken de afhankelijkheid van Allah concreet. Je vraagt Hem om de zuivering die je nastreeft, om bescherming tegen het kwaad van de ziel en de duivel en om hulp bij goed handelen. De volgende gebeden hebben elk hun eigen betekenis en hoeven niet als één vaste reeks te worden gelezen. Waar een bijzonder moment is overgeleverd, wordt dat erbij vermeld.
Dankbaarheid en goede daden vragen
De woorden van de profeet Soelayman (Sulayman), vrede zij met hem, tonen hoe een ontvangen gunst tot dankbaarheid kan leiden. Hij vraagt om het vermogen de gunst goed te beantwoorden en om de barmhartigheid van Allah. De Koran vertelt: “Hij glimlachte om haar woorden en zei: ‘Mijn Heer, geef mij het vermogen dankbaar te zijn voor Uw gunst die U mij en mijn ouders hebt geschonken en goede daden te verrichten die U behagen. En neem mij door Uw barmhartigheid op onder Uw rechtschapen dienaren.’” (Soera an Naml 27:19).
Uitspraak: Rabbi awzi’nie an ashkoera ni’matakal-latie an’amta ‘alayya wa ‘alaa waalidayya, wa an a’mala saalihan tardaahoe, wa adkhilnie bi-rahmatika fie ‘ibaadikas-saalihien.
Bescherming tegen de aansporingen van de duivels
Een gelovige hoeft de vijand niet op eigen kracht te weerstaan. Hij wendt zich tot Allah en vraagt bescherming tegen wat hem van gehoorzaamheid probeert af te brengen. Allah leert: “En zeg: ‘Mijn Heer, ik zoek bescherming bij U tegen de aansporingen van de duivels. En ik zoek bescherming bij U, mijn Heer, tegen hun aanwezigheid bij mij.’” (Soera al Moeminoen 23:97–98).
Uitspraak: Rabbi a’oedhoe bieka min hamazaatish-shayaatien. Wa a’oedhoe bieka rabbi an yahdoeroen.
Allah vragen de ziel te zuiveren
Dit gebed leert een mens zijn behoefte aan zuivering te erkennen. Het verbindt die behoefte met bescherming tegen kennis die geen goede vrucht draagt en een hart dat niet nederig is. Zayd ibn Arqam, moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ bad: “O Allah, ik zoek bescherming bij U tegen onvermogen, luiheid, lafheid, gierigheid, de gebreken van de hoge ouderdom en de bestraffing van het graf. O Allah, geef mijn ziel haar godsvrees en zuiver haar; U bent de beste Die haar zuivert. U bent haar Beschermer en haar Heer. O Allah, ik zoek bescherming bij U tegen kennis die niet baat, een hart dat niet nederig is, een ziel die niet verzadigd raakt en een smeekbede die niet wordt verhoord.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2722).
Uitspraak: Allaahoemma innie a’oedhoe bieka minal-‘adjzi wal-kasali wal-djoebni wal-boekhli wal-harami wa ‘adhaabil-qabr. Allaahoemma aati nafsie taqwaahaa, wa zakkiehaa, anta khayroe man zakkaahaa, anta waliyyoehaa wa mawlaahaa. Allaahoemma innie a’oedhoe bieka min ‘ilmin laa yanfa’, wa min qalbin laa yakhsha’, wa min nafsin laa tashba’, wa min da’watin laa yoestadjaaboe lahaa.
Leiding naar de beste karaktereigenschappen
Een gebrek herkennen is nog niet hetzelfde als weten hoe je goed moet handelen. Dit gebed vraagt zowel om leiding naar het goede als om het afwenden van slechte eigenschappen. Ali ibn Aboe Talib (Ali ibn Abi Talib), moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde dat de Profeet ﷺ in zijn openingsgebed onder meer vroeg: “Leid mij naar de beste karaktereigenschappen; niemand leidt naar de beste ervan behalve U. En wend de slechte ervan van mij af; niemand wendt de slechte ervan van mij af behalve U.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 771).
Uitspraak: Wahdinie li-ahsanil-akhlaaqi, laa yahdie li-ahsanihaa illaa anta, wasrif ‘annie sayyi’ahaa, laa yasrifoe ‘annie sayyi’ahaa illaa ant.
Hulp bij gedenken, danken en aanbidden
Zelfs het goed verrichten van aanbidding vraagt om de hulp van Allah. Dit gebed verbindt het gedenken van Hem met dankbaarheid en de kwaliteit van de aanbidding. Moeadh ibn Djabal (Muadh ibn Jabal), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ zijn hand vastpakte, hem vertelde dat hij van hem hield en hem opdroeg aan het einde van ieder gebed te blijven zeggen: “O Allah, help mij U te gedenken, U te danken en U goed te aanbidden.” (Overgeleverd door Aboe Dawoed, hadith 1522; al Albani beoordeelde de overlevering als authentiek).
Uitspraak: Allaahoemma a’innie ‘alaa dhikrika wa shoekrika wa hoesni ‘ibaadatik.
Vergeving en vrede na het gebed
Na het gebed past het om vergeving te vragen in plaats van jezelf zonder voorbehoud zuiver te verklaren. Thawbaan (Thawban), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ na zijn gebed driemaal vergeving vroeg en vervolgens zei: “O Allah, U bent de Vrede en van U komt vrede. Gezegend bent U, Bezitter van majesteit en eer.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 591). De vraag om vergeving onderwijst de gelovige om ook na gehoorzaamheid afhankelijk te blijven van Allah.
Uitspraak: Astaghfiroellaah, astaghfiroellaah, astaghfiroellaah. Allaahoemma antas-salaam, wa minkas-salaam, tabaarakta dhal-djalaali wal-ikraam.
Bescherming tegen het kwaad van de ziel en de duivel
Dit ochtend- en avondgebed noemt beide gevaren samen en vraagt ook bescherming tegen het toebrengen van schade. Abdoellah ibn Amr (Abdullah ibn Amr), moge Allah tevreden met hem en zijn vader zijn, overleverde dat de Profeet ﷺ het aan Aboe Bakr (Abu Bakr), moge Allah tevreden met hem zijn, leerde: “O Allah, Schepper van de hemelen en de aarde, Kenner van het verborgene en het zichtbare, er is geen god die aanbidding verdient behalve U, Heer en Bezitter van alles. Ik zoek bescherming bij U tegen het kwaad van mijn ziel en tegen het kwaad van de duivel en zijn valstrikken, en tegen het begaan van kwaad tegen mijzelf of het toebrengen ervan aan een moslim.” (Overgeleverd door at Tirmidhi, hadith 3529; at Tirmidhi beoordeelde deze overleveringsroute als hasan gharib).
Uitspraak: Allaahoemma faatiras-samaawaati wal-ardi, ‘aalimal-ghaybi wash-shahaadati, laa ilaaha illaa anta, rabba koelli shay’in wa maliekahoe. A’oedhoe bieka min sharri nafsie wa min sharrish-shaytaani wa sharakihi, wa an aqtarifa ‘alaa nafsie soe’an aw adjoerrahoe ilaa moeslim.
Bij benauwdheid vragen niet aan jezelf te worden overgelaten
Bij bezorgdheid kan iemand merken hoe beperkt zijn eigen vermogen is om alles te beheersen. Dit gebed vraagt om barmhartigheid en om het op orde brengen van alle zaken. Aboe Bakra (Abu Bakrah), moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde dat de Profeet ﷺ als gebed voor iemand in benauwdheid leerde: “O Allah, op Uw barmhartigheid hoop ik. Laat mij geen oogwenk aan mijzelf over en breng al mijn zaken in orde. Er is geen god die aanbidding verdient behalve U.” (Overgeleverd door Aboe Dawoed, hadith 5090; al Albani beoordeelde de keten als goed).
Uitspraak: Allaahoemma rahmataka ardjoe, falaa takilnie ilaa nafsie tarfata ‘ayn, wa aslih lie sha’nie koellahoe, laa ilaaha illaa ant.
In de ochtend en avond de hulp van Allah zoeken
Ook zonder bijzondere benauwdheid blijft een mens de zorg van Allah nodig hebben. De Profeet ﷺ leerde zijn dochter Faatima (Fatimah), moge Allah tevreden met haar zijn, om dit gebed in de ochtend en avond te zeggen. Anas ibn Malik, moge Allah tevreden met hem zijn, overleverde zijn woorden: “O Levende, O Instandhouder, bij Uw barmhartigheid zoek ik hulp. Breng al mijn zaken in orde en laat mij geen oogwenk aan mijzelf over.” (Overgeleverd door an Nasai in Al-Sunan al-Kubra, hadith 10405; al Albani beoordeelde de overlevering als goed).
Uitspraak: Yaa Hayyoe yaa Qayyoem, bi-rahmatika astaghietsoe. Aslih lie sha’nie koellahoe, wa laa takilnie ilaa nafsie tarfata ‘ayn.
Bescherming tegen verkeerde eigenschappen en verlangens
Slecht gedrag groeit ook wanneer een mens zijn eigen verlangens zonder correctie blijft volgen. In dit gebed worden karakter, daden en verlangens samen genoemd. Qoetba ibn Malik (Qutbah ibn Malik), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde dat de Profeet ﷺ bad: “O Allah, ik zoek bescherming bij U tegen verwerpelijke karaktereigenschappen, daden en verlangens.” (Overgeleverd door at Tirmidhi, hadith 3591).
Uitspraak: Allaahoemma innie a’oedhoe bieka min moenkaraatil-akhlaaqi wal-a’maali wal-ahwaa’.
Bescheidenheid krijgt betekenis wanneer je iets goeds kunt doen zonder er een aanspraak op voortreffelijkheid van te maken. Je mag je mogelijkheden gebruiken, vooruitgang zien en blij zijn met wat lukt, terwijl je ruimte houdt voor de hulp en waarheid die je nog nodig hebt. Wie in zijn prestatie ook de gunst van Allah herkent, kan haar met meer dankbaarheid dragen. Hij hoeft zichzelf niet kleiner te maken om de grootheid van zijn Heer te erkennen.
Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.
Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam









