Aboe Oebayda ibn al Djarrah: de jaren in de Sjam en de pest van Amwas – deel 2

Illustratie bij Aboe Oebayda ibn al Djarrah: een leider van achteren bij een kamp, met de tekst ‘Trouw in moeilijke tijden’.

Aboe Oebayda ibn al Djarrah (Abu Ubayda ibn al Jarrah), moge Allah (God) tevreden met hem zijn, kreeg na het overlijden van Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) steeds grotere verantwoordelijkheden. In de historische Levant, in de islamitische bronnen bekend als de Sjam, leidde hij legers, onderhandelde hij met steden en hield hij toezicht op de uitvoering van overeenkomsten. Zijn naam raakte verbonden met de verovering en het bestuur van het gebied, maar ook met de pest van Amwas, waaraan hij in 639 overleed. De gebeurtenissen uit deze jaren laten zien hoe hij omging met gezag, geld, samenwerking en de zorg voor zijn mensen.

Van Medina naar de legers in de Sjam

Na de dood van de Profeet ﷺ werd Aboe Bakr (Abu Bakr), moge Allah tevreden met hem zijn, kalief. Aboe Oebayda behoorde tot de vooraanstaande metgezellen rondom het nieuwe bestuur. De vroege historicus Khalifa ibn Khayyat (Khalifah ibn Khayyat) vermeldt dat Aboe Bakr hem belastte met het beheer van de gemeenschapsmiddelen. Adh Dhahabi (al Dhahabi) neemt dit bericht op in Siyar Alam al Nubala (Sijar Alam an Noebala) en verduidelijkt dat het om de middelen van de moslims ging. Een openbare schatkist met een verder uitgewerkte organisatie ontstond pas later.

Na de oorlogen in Arabië richtte Aboe Bakr zijn aandacht op de Sjam. Dat gebied omvatte veel meer dan het huidige Syrië: ook Libanon, Jordanië en het historische Palestina behoorden ertoe. Grote delen stonden onder Byzantijns gezag. De moslimlegers vertrokken erheen in verschillende groepen, met eigen bevelhebbers en opdrachten.

Over Aboe Oebayda’s plaats in die eerste uitzendingen verschillen de bronnen. Al Baladhoeri (al Baladhuri) schrijft in Futuh al Buldan (Foetoeh al Boeldan) dat Aboe Bakr hem een legerbevel wilde geven, maar dat hij vroeg daarvan te worden vrijgesteld. Al Baladhoeri acht de versie waarin hij toen daadwerkelijk een afzonderlijk leger kreeg niet stevig bevestigd. Hij bewaart daarnaast een bericht waarin Aboe Oebayda wordt genoemd als gezamenlijke bevelhebber wanneer de legers samen zouden optreden.

Zijn positie bij het bestuur van Medina en zijn uiteindelijke leiderschap in de Sjam zijn duidelijker dan de precieze stappen daartussen. De bekende voorstelling waarin hij vanaf het begin zonder meer één van vier uitgezonden legercommandanten was, vraagt daarom om enige terughoudendheid.

Hoe ging de leiding van Khalid naar Aboe Oebayda over?

Khalid ibn al Walid (Khalid ibn al Waleed), moge Allah tevreden met hem zijn, kwam vanuit Irak naar de Sjam en werd daar een centrale militaire leider. Aboe Bakr overleed in 634, in het dertiende jaar na de emigratie van Mekka naar Medina (hidjra). Omar ibn al Khattab (Umar ibn al Khattab), moge Allah tevreden met hem zijn, volgde hem op als kalief. Onder hem kwam de hoogste verantwoordelijkheid voor de Sjam bij Aboe Oebayda te liggen.

De overgang wordt op verschillende manieren verteld. Sommige berichten verbinden zijn benoeming rechtstreeks met Omars aantreden. Andere plaatsen de bekendmaking tijdens een militaire operatie. Ook het verhaal dat Aboe Oebayda een brief over Khalids vervanging tijdelijk achterhield, verschijnt in uiteenlopende versies. De precieze omstandigheden en het moment van bekendmaking kunnen daardoor niet met zekerheid worden gereconstrueerd.

Bij sommige vertellingen speelt bovendien een chronologisch probleem. Ze verbinden het nieuws van Aboe Bakrs overlijden met de slag bij de Yarmouk, terwijl die slag doorgaans in 636 wordt geplaatst, twee jaar na zijn dood. De oude geschiedschrijvers geven verschillende dateringen en volgordes van de eerste veldtochten. Hun berichten kunnen daarom niet zonder meer tot één doorlopend verslag worden samengevoegd.

De samenwerking tussen Khalid en Aboe Oebayda bleef na de verandering bestaan. Khalid bleef belangrijke militaire opdrachten uitvoeren. Het hoogste bevel over het gebied, de leiding van een legeronderdeel en het sluiten van overeenkomsten waren taken die door verschillende mannen konden worden gedragen.

Damascus en Homs: de eerste grote steden

De eerste inname van Damascus wordt meestal geplaatst in 635, het veertiende jaar na de hidjra, vóór de beslissende slag bij de Yarmouk. Verschillende legeronderdelen bezetten de toegangen tot de stad. De belegering eindigde met de komst van de moslims binnen de muren, maar over de manier waarop dat gebeurde lopen de berichten uiteen.

In een bekende versie dringt Khalid met geweld binnen, terwijl Aboe Oebayda via een overeenkomst toegang krijgt. Al Baladhoeri bewaart ook een versie waarin juist Khalid de overeenkomst sluit en Aboe Oebayda na gevechten binnentrekt. De bronnen verschillen dus over de rol van de bevelhebbers en de verhouding tussen gevechten en onderhandelingen. In de door al Baladhoeri beschreven regeling erkende Aboe Oebayda de bescherming die aan de inwoners was toegezegd.

Na een overgave moesten afspraken over inwoners, eigendommen, woningen en gebedshuizen worden uitgevoerd. De bevelhebbers moesten vaststellen welke voorwaarden golden en ervoor zorgen dat hun manschappen die respecteerden. De onderhandelingen hadden daarmee gevolgen die verder reikten dan het beëindigen van een belegering.

Ook Homs, ten noorden van Damascus, kreeg in deze fase een belangrijke plaats. Al Baladhoeri beschrijft hoe Aboe Oebayda met de inwoners een overeenkomst sloot en vervolgens taken aan anderen overdroeg. Het bezit van de ingenomen steden bleef aanvankelijk onzeker. Een grote Byzantijnse tegenaanval zou de moslimlegers dwingen hun troepen opnieuw bijeen te brengen.

Aboe Oebayda bij de Yarmouk: wie voerde het bevel?

De slag bij de Yarmouk, doorgaans gedateerd in 636, het vijftiende jaar na de hidjra, veranderde de machtsverhoudingen in de Sjam ingrijpend. De Byzantijnse keizer Heraclius (Herakleios) probeerde met een grote strijdmacht de verloren gebieden terug te winnen. Aan zijn kant vochten ook troepen uit de regio en christelijke Arabische groepen.

De moslimlegers moesten hun verschillende strijdmachten samenbrengen. Verspreide bezettingen van steden boden onvoldoende zekerheid tegenover de komende aanval. Historische beschrijvingen verbinden daarom de terugtrekking uit eerder ingenomen gebieden met het verzamelen van de legers bij de Yarmouk. De overgeleverde aantallen strijders verschillen sterk en kunnen niet als nauwkeurige tellingen worden gebruikt.

Veel klassieke vertellingen geven Aboe Oebayda de overkoepelende verantwoordelijkheid en schrijven Khalid een doorslaggevende rol toe in de organisatie van het leger en de uitvoering van het gevecht. Over het precieze moment waarop Aboe Oebayda de hoogste leiding kreeg, blijven de berichten uiteenlopen. Een voorstelling waarin één van beiden alle beslissingen nam, doet onvoldoende recht aan die bronnen.

De overwinning bracht het Byzantijnse vermogen om het binnenland van de Sjam te beheersen een zware slag toe. Daarna konden de moslimlegers eerder ingenomen gebieden opnieuw bezetten en verder naar het noorden oprukken.

Verder naar het noorden: Qinnasrin, Aleppo en Antiochië

Na de Yarmouk beschrijft al Baladhoeri een tocht van Aboe Oebayda via Homs naar Qinnasrin. Khalid voerde de voorhoede aan. Na gevechten trokken de verdedigers zich terug in hun versterking en vroegen zij om een overeenkomst. Aboe Oebayda sloot die volgens voorwaarden die aansloten bij de regeling voor Homs.

Bij Aleppo trad Iyaad ibn Ghanm (Iyad ibn Ghanm), moge Allah tevreden met hem zijn, op de voorgrond. Volgens al Baladhoeri onderhandelde hij over de regeling voor de stad, waarna Aboe Oebayda die bekrachtigde. De beschreven bescherming betrof onder meer de inwoners, hun eigendommen, woningen en kerken. Over de omstandigheden en de precieze voorwaarden bewaart de geschiedschrijver verschillende versies.

Dezelfde bron verbindt Aboe Oebayda met de tocht naar Antiochië. Na een confrontatie buiten de stad en een belegering volgde een overeenkomst. Sommige inwoners vertrokken, anderen bleven. De berichten vertellen ook over een latere verbreking van de afspraken, waarop opnieuw troepen werden gestuurd. Een overgave betekende dus niet dat het bestuur overal meteen duurzaam gevestigd was.

Aan de kust werkte Oebada ibn as Samit (Ubadah ibn al Samit), moge Allah tevreden met hem zijn, binnen deze militaire organisatie. Al Baladhoeri beschrijft zijn optreden bij Latakia. De verschillende tochten werden uitgevoerd door bevelhebbers die eigen opdrachten kregen; Aboe Oebayda nam niet persoonlijk iedere stad in.

Aboe Oebayda en de overgave van Jeruzalem

Jeruzalem, in de Arabische geschiedschrijving vaak Iliya genoemd, had een grote religieuze betekenis en een eigen politieke en kerkelijke orde. Al Baladhoeri verbindt Aboe Oebayda met het beleg en de onderhandelingen, naast Amr ibn al Aas (Amr ibn al As), moge Allah tevreden met hem zijn.

In één van zijn versies arriveerde Aboe Oebayda terwijl Amr de stad belegerde. De inwoners vroegen om bescherming en een overeenkomst, met de voorwaarde dat Omar zelf de regeling zou bekrachtigen. Aboe Oebayda schreef daarover naar de kalief, die naar de Sjam kwam en de overeenkomst bevestigde.

De overgave wordt meestal in 637 of 638 geplaatst. De oude bronnen geven verschillende dateringen en bijzonderheden. Ook de overgeleverde teksten van de garanties aan de inwoners zijn niet allemaal gelijk. De uitvoerige gesprekken uit populaire vertellingen kunnen daarom niet zonder afzonderlijke beoordeling worden overgenomen. In de hier beschreven overlevering bestond Aboe Oebayda’s rol vooral uit het voeren van onderhandelingen en het voorleggen van de gevraagde regeling aan Omar.

Bestuur, bescherming en het geld van Homs

De gebieden in de Sjam werden geleidelijk georganiseerd in militaire bestuursdistricten. De leiding moest zorgen voor de troepen, inkomsten, verbindingen en uitvoering van afspraken. Al Baladhoeri beschrijft hoe Aboe Oebayda taken verdeelde: Yazid ibn Aboe Soefyan (Yazid ibn Abi Sufyan), moge Allah tevreden met hem zijn, kreeg verantwoordelijkheid in Damascus; Amr werkte in Palestina. Shoerahbil ibn Hasana (Shurahbil ibn Hasanah), moge Allah tevreden met hem zijn, droeg verantwoordelijkheid voor het historische district Jordanië, dat ook gebieden ten westen van de Jordaan omvatte.

De verdragen met steden bevatten verplichtingen voor beide kanten. Er werden belastingen afgesproken, zoals de belasting voor niet-moslimonderdanen (jizya) en grondbelasting (kharadj), terwijl bescherming van personen en bezit onderdeel van de regeling kon zijn. De voorwaarden verschilden per overeenkomst en hingen samen met de omstandigheden waarin die werd gesloten.

Vóór de slag bij de Yarmouk kwam de toegezegde bescherming onder druk te staan. Aboe Yoesoef (Abu Yusuf) vertelt in Kitab al Kharaj (Kitab al Kharadj) dat Aboe Oebayda, na berichten over de naderende Byzantijnse strijdmacht, opdracht gaf ontvangen belastinggeld terug te betalen aan steden waarmee overeenkomsten waren gesloten. De inwoners moesten te horen krijgen dat de moslims hun bescherming op dat moment niet konden waarmaken. Al Baladhoeri bewaart een verwant bericht dat Homs uitdrukkelijk noemt.

Het gaat om een historisch bericht. De uitvoerige gesprekken en reacties van de bevolking die erbij worden overgeleverd, kunnen niet woordelijk als vaststaand worden weergegeven. De bestuurlijke handeling die wordt beschreven is duidelijk: de leiding verbond de ontvangen betalingen aan een toezegging waarvoor zij zich verantwoordelijk achtte.

De algemene islamitische norm over het nakomen van wat wordt toevertrouwd en het rechtvaardig oordelen staat in de Koran. Allah zegt: “Allah beveelt jullie het toevertrouwde terug te geven aan de rechthebbenden en, wanneer jullie tussen mensen oordelen, rechtvaardig te oordelen. Hoe voortreffelijk is wat Allah jullie daarmee leert. Allah is Alhorend, Alziend.” (Soera an Nisa, vers 58). Het vers geeft de algemene norm; het bericht over Homs beschrijft een afzonderlijke historische situatie waarin het nakomen van afspraken werd beproefd.

Aboe Oebayda als overleveraar van profetische lessen

Naast zijn militaire en bestuurlijke werk gaf Aboe Oebayda uitspraken van de Profeet ﷺ door. Er zijn relatief weinig overleveringen van hem bewaard gebleven. Onder degenen die van hem overleverden, noemen de biografische bronnen Aboe Oemama al Bahili (Abu Umama al Bahili), moge Allah tevreden met hem zijn, en al Irbad ibn Sariya (al Irbad ibn Sariyah), moge Allah tevreden met hem zijn.

An Nasai (Ahmad ibn Shuayb al Nasai) neemt een uitspraak op waarin Aboe Oebayda vertelt dat hij de Profeet ﷺ hoorde zeggen: “Vasten is een schild, zolang je het niet beschadigt.” (Sunan an Nasai, hadith 2233). Over de betrouwbaarheid van deze overlevering bestaat verschil van beoordeling. Uitgeverij Darussalam beoordeelt haar als goed (hasan), terwijl de hadithgeleerde al Albani (Muhammad Nasir al Din al Albani) haar als zwak (daif) beoordeelde.

Omar en de metgezellen over zijn karakter

Al Hakim (al Hakim al Naysaburi) vermeldt in al Mustadrak ala al Sahihayn een bijeenkomst waarin Omar de mensen in zijn gezelschap vroeg wat zij zouden wensen. Sommigen wensten een huis vol goud of kostbaarheden om die in de weg van Allah uit te geven. Omar wenste een huis vol mannen zoals onder anderen Aboe Oebayda en Moeadh ibn Djabal (Muadh ibn Jabal), moge Allah tevreden met hem zijn. Adh Dhahabi beoordeelde dit aan Omar overgeleverde bericht als authentiek (sahih). De wensen van de aanwezigen gingen over het verrichten van goed; Omar legde daarbij de nadruk op mensen aan wie belangrijke taken konden worden toevertrouwd. (Al Mustadrak ala al Sahihayn, 3/252).

Een ander bericht vertelt dat Omar vierhonderd dinar naar Aboe Oebayda stuurde en de boodschapper vroeg te blijven kijken wat hij ermee zou doen. Het geld was bestemd voor zijn persoonlijke behoeften. Aboe Oebayda liet het vervolgens in kleinere bedragen aan anderen uitdelen, totdat het op was. Al Albani beoordeelde dit bericht over het handelen van de metgezellen als goed. (Sahih al Targhib wa al Tarhib, nr. 926).

Ook het verhaal over Omars bezoek aan zijn eenvoudige woning is bekend. Daarin treft de kalief weinig huisraad en eenvoudig voedsel aan. De uitspraak dat de wereld iedereen had veranderd behalve Aboe Oebayda, wordt aan dat bezoek verbonden. Shoeayb al Arnaoet (Shuayb al Arnaut) beoordeelde de overleveringsketen van deze versie als zwak. De precieze woorden van het gesprek kunnen daarom niet zonder voorbehoud als vaststaand worden aangehaald.

Ibn Saad (Muhammad ibn Sad) vermeldt daarnaast een bericht waarin Moeadh hem verdedigde tijdens een moeilijke militaire situatie. Toen iemand suggereerde dat de toestand onder Khalid beter zou zijn geweest, sprak Moeadh die geringschatting tegen en prees hij Aboe Oebayda. De aangehaalde route van dit historische bericht bevat een onderbreking in de overdracht.

Een later bericht over Omars eigen opvolging noemt Aboe Oebayda eveneens. Volgens deze overlevering zou Omar hem hebben vertrouwd met de leiding als hij nog in leven was geweest. Ahmad Shaakir (Ahmad Shakir) beoordeelde de keten als authentiek, terwijl Shoeayb al Arnaoet haar vanwege een zwakke overleveraar afwees. Het betreft een verschillend beoordeelde uitspraak van Omar over zijn vertrouwen in Aboe Oebayda. (Musnad Ahmad, nr. 129).

De pest van Amwas en zijn laatste dagen

De epidemie die bekendstaat als de pest van Amwas trof de Sjam zwaar. Amwas was een plaats tussen Jeruzalem en Ramla. De uitbraak wordt meestal gedateerd in 639, het achttiende jaar na de hidjra; sommige historische berichten noemen de voorafgaande jaargang. De ziekte trof zowel de militaire kampen als de bevolking in een gebied waar het nieuwe bestuur nog maar kort gevestigd was.

Het overleg bij Sargh: vluchten voor Allahs beschikking?

Een van de best bevestigde ontmoetingen tussen Omar en Aboe Oebayda vond plaats bij Sargh, op de route naar de Sjam. Omar was onderweg toen de legerleiders hem vertelden dat er in het gebied een epidemie was uitgebroken. Abdoellah ibn Abbas (Abdullah ibn Abbas), moge Allah tevreden met hem zijn, vertelde uitvoerig hoe de kalief daarna overleg voerde. Het verslag is opgenomen door al Boekhari (al Bukhari) en Moeslim (Muslim).

Omar raadpleegde eerst de vroege emigranten uit Mekka. Hun meningen verschilden. Sommigen vonden dat hij zijn voorgenomen reis moest voortzetten; anderen wezen erop dat hij mensen en metgezellen van de Profeet ﷺ bij zich had die hij niet aan de epidemie moest blootstellen. Daarna raadpleegde hij de helpers uit Medina. Ook zij waren verdeeld. Een derde groep oudere mannen uit de Qoeraysh (Quraysh), die rond de inname van Mekka naar Medina waren gekomen, adviseerde eensgezind terug te keren.

Toen Omar aankondigde dat hij de volgende ochtend zou teruggaan, vroeg Aboe Oebayda of dat vluchten voor Allahs beschikking (qadar) was. Omar antwoordde: “Wij vluchten van de beschikking van Allah naar de beschikking van Allah.” Vervolgens gebruikte hij het voorbeeld van kamelen in een dal met een vruchtbare en een dorre zijde. Welke zijde iemand ook koos om zijn dieren te laten grazen, die keuze viel binnen Allahs beschikking.

Abd ar Rahman ibn Awf (Abd al Rahman ibn Awf), moge Allah tevreden met hem zijn, was afwezig geweest. Bij zijn terugkomst vertelde hij dat hij hierover een uitspraak van de Profeet ﷺ kende: “Wanneer jullie horen dat de pest in een land voorkomt, ga er dan niet naartoe. En wanneer zij uitbreekt in een land waar jullie zijn, verlaat het dan niet om ervoor te vluchten.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 5729; Moeslim, hadith 2219a). Omar prees Allah en keerde terug.

De overlevering bewaart een open gesprek tussen mensen die elkaar hoogachtten. Aboe Oebayda stelde een vraag over de betekenis van het besluit, Omar legde zijn afweging uit en een andere metgezel bracht de profetische uitspraak in. Hun geloof in Allahs beschikking ging samen met overleg en het gebruiken van de kennis die hun ter beschikking stond.

Waarom wilde Omar hem uit het getroffen gebied halen?

Naast het authentieke verslag van Sargh bestaan berichten over een brief waarmee Omar Aboe Oebayda naar zich toe wilde laten komen. At Tabari (al Tabari) bewaart de briefwisseling in zijn geschiedschrijving. Ibn Hadjar (Ibn Hajar al Asqalani) wijst op onbekende overleveraars in een keten, maar acht een andere route via Aboe Moesa al Ashari (Abu Musa al Ashari), moge Allah tevreden met hem zijn, aanvaardbaar.

Volgens dit bericht schreef Omar dat hij dringend behoefte aan Aboe Oebayda had en hem persoonlijk wilde spreken. Aboe Oebayda begreep dat de kalief hem uit het getroffen gebied wilde halen. Hij antwoordde dat hij bij zijn mensen wilde blijven en vroeg Omar hem van het bevel om te vertrekken vrij te stellen.

Toen Omar de brief las, huilde hij. De mensen vroegen of Aboe Oebayda was overleden. Hij antwoordde dat dit nog niet was gebeurd, maar sprak alsof hij vreesde dat het nabij was. Het bericht beschrijft zowel Omars zorg om hem als Aboe Oebayda’s wens om zijn manschappen niet achter te laten.

Volgens dezelfde overlevering schreef Omar vervolgens dat de mensen uit hun laaggelegen verblijf naar een hoger en gunstiger gelegen kamp moesten worden gebracht. Aboe Oebayda schakelde Aboe Moesa in om een geschikte plaats te zoeken en zette de verhuizing in gang. Zijn besluit om bij de groep te blijven ging binnen dit verslag samen met een poging hun omstandigheden te verbeteren.

Wanneer overleed Aboe Oebayda ibn al Djarrah?

Aboe Oebayda overleed aan de pest van Amwas, volgens de meest gangbare datering in 639, het achttiende jaar na de hidjra. Zijn leeftijd wordt meestal op ongeveer achtenvijftig jaar gesteld, al bewaren de biografische bronnen ook afwijkende gegevens. Hij had de gemeenschap meegemaakt vanaf haar eerste jaren in Mekka tot de uitbreiding van haar bestuur over grote gebieden buiten Arabië.

Over de precieze plaats van zijn overlijden bestaan verschillende berichten. Er worden plaatsen in de omgeving van de Jordaanvallei genoemd, waaronder Amta en Fihl. Zijn graf wordt traditioneel aangewezen in de Jordaanvallei, in het huidige Jordanië. De oude plaatsaanduidingen bieden onvoldoende grond om het huidige grafmonument met volledige historische zekerheid als zijn begraafplaats te beschrijven.

De epidemie trof vele anderen. Moeadh nam volgens de historische overlevering na Aboe Oebayda verantwoordelijkheid op zich, maar overleed eveneens aan de pest. Ook Yazid en Shoerahbil worden onder de gestorven metgezellen genoemd. Sommige bronnen spreken van ongeveer vijfentwintigduizend slachtoffers. Dat is een overgeleverd historisch aantal, geen nauwkeurige telling, maar het geeft een indruk van de omvang van de ramp zoals de geschiedschrijvers die beschreven.

Met de dood van zoveel mensen vielen bestuurlijke functies open en bleven getroffen gezinnen achter. Ibn Kathir (Ismail ibn Kathir) beschrijft dat Omar na het overlijden van Aboe Oebayda en Yazid het bestuur van Damascus toevertrouwde aan Moeawiya ibn Aboe Soefyan (Muawiya ibn Abi Sufyan), moge Allah tevreden met hem zijn. De overlevenden moesten de zorg voor de bevolking en het bestuur voortzetten terwijl een deel van de ervaren leiding was weggevallen.

Voor moslims is aan het sterven door de pest ook een bijzondere belofte verbonden. De Profeet ﷺ zei: “De dood door de pest geldt voor iedere moslim als martelaarschap.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 2830). De hoop op die beloning stond naast het verdriet om de gestorvenen en de zorg voor degenen die achterbleven.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ☰ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.