Haat de islam Joden? Wat de Koran werkelijk zegt over Joden, kritiek en rechtvaardigheid

Illustratie over wat de Koran zegt over Joden, kritiek, rechtvaardigheid en omgang met religieuze verschillen

De vraag of de islam Joden haat, kan niet eerlijk worden beantwoord door alleen de vriendelijkste teksten te verzamelen. De Koran spreekt op verschillende plaatsen buitengewoon scherp over groepen uit de Kinderen van Israël en over Joden. Hij spreekt over verbroken verbonden, het verdraaien en verbergen van openbaring, het onrechtmatig nemen van bezit, rente, het doden van profeten, vijandschap, verraad en het aanwakkeren van oorlog. Ook in de overleveringen van Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) staan moeilijke teksten, waaronder een bekende hadith over een toekomstige strijd met Joden vóór het einde der tijden.

Een moslim hoeft zich voor die teksten niet te verontschuldigen en hoeft hun betekenis niet af te zwakken om aan moderne verwachtingen te voldoen. Wie gelooft dat de Koran het woord van Allah (God) is, begint bij wat Allah werkelijk heeft gezegd. Maar dezelfde gehoorzaamheid betekent dat we ook moeten aanvaarden wat de Koran zegt wanneer hij onderscheid maakt, rechtvaardigheid gebiedt, trouw aan afspraken eist en verbiedt dat afkeer ons tot onrecht brengt.

Daar ligt de kern van dit onderwerp. De Koran leert de moslim niet om blind of goedgelovig te zijn tegenover mensen, groepen of machten die onrecht plegen. Hij leert hem evenmin om een hele bevolking tot één karaktertype te reduceren. Hij leert hem waarheid van leugen te onderscheiden, verraad te herkennen, trouw te waarderen, waakzaam te blijven, maar ook zichzelf te beheersen wanneer woede hem dreigt weg te trekken van wat Allah heeft bevolen.

De Koran verbergt de zware kritiek niet

Een groot deel van de discussie ontstaat doordat sommige mensen doen alsof de Koran slechts enkele historische incidenten beschrijft die verder niets zeggen. Dat doet geen recht aan de tekst. De Koran brengt ernstige verwijten naar voren en verbindt die soms met terugkerende patronen.

Allah zegt over het verbreken van een verbond: “Vanwege het verbreken van hun verbond vervloekten Wij hen en maakten Wij hun harten hard. Zij verdraaien woorden van hun juiste plaatsen en zij vergaten een deel van datgene waaraan zij herinnerd waren. En jij zult voortdurend verraad van hen ontdekken, behalve van enkelen onder hen. Maar vergeef hen en zie het voorbij. Allah houdt werkelijk van degenen die het goede doen.” (Soera al Maida 5:13).

Dit is een scherp vers. Het spreekt over het verbreken van het verbond, hardheid van het hart, verdraaiing en verraad. Maar opmerkelijk genoeg bevat hetzelfde vers ook een beperking: “behalve van enkelen onder hen”. En het eindigt, binnen de context waarin dit bevel werd gegeven, zelfs met vergeving en het doen van het goede. De Koran verbergt dus het kwaad niet, maar geeft de gelovige ook geen toestemming om zelf onbegrensd te worden.

Ook over het veranderen van religieuze woorden zegt Allah: “En werkelijk, onder hen is een groep die met haar tongen het Boek verdraait, zodat jullie denken dat het uit het Boek komt, terwijl het niet uit het Boek komt. En zij zeggen: ‘Dit komt van Allah’, terwijl het niet van Allah komt. Zij spreken bewust een leugen over Allah.” (Soera Aal Imraan 3:78).

Voor de islamitische geloofsleer is dit belangrijk. Moslims geloven dat de oorspronkelijke Thora aan Moesa door Allah werd geopenbaard. De boodschap van Moesa stond, zoals die van alle profeten, in het teken van aanbidding van Allah en gehoorzaamheid aan Hem. Tegelijk leert de Koran dat mensen uit de gemeenschappen die later met deze openbaring omgingen, woorden verdraaiden, gedeelten vergaten of zaken aan Allah toeschreven die niet van Hem kwamen. Daarom erkent de moslim de goddelijke oorsprong van de openbaring aan Moesa, zonder daarmee te zeggen dat iedere latere religieuze formulering of iedere tekstoverlevering onaangetast gebleven is.

De Koran noemt eveneens andere ernstige daden. Hij verwijt vroegere groepen dat zij profeten zonder recht doodden en verbindt dat met ongehoorzaamheid en voortdurende overtreding in Soera al Baqara 2:61. Ook veroordeelt hij het nemen van rente terwijl die verboden was en het onrechtmatig consumeren van het bezit van andere mensen in Soera an Nisa 4:161. Zulke teksten hoeven niet te worden weggepoetst om respectvol over Joden te kunnen spreken. Respect voor mensen betekent niet dat de moslim moet zwijgen over wat zijn eigen openbaring als zonde benoemt.

De Koran zegt zelf: niet iedereen is hetzelfde

Wie vervolgens van zulke verzen naar de conclusie springt dat iedere Jood noodzakelijk dezelfde eigenschappen bezit, loopt echter tegen de Koran zelf aan. Een van de duidelijkste voorbeelden staat in Soera Aal Imraan en gaat precies over een eigenschap die in menselijk verkeer van groot belang is: betrouwbaarheid.

Allah zegt: “Onder de Mensen van het Boek is er iemand die, als jij hem een grote hoeveelheid bezit toevertrouwt, die aan jou teruggeeft. En onder hen is er iemand die, als jij hem één dinar toevertrouwt, die niet aan jou teruggeeft tenzij jij voortdurend boven hem blijft staan. Dat is omdat zij zeggen: ‘Tegenover de ongeletterden rust op ons geen verwijt.’ Zij spreken bewust een leugen over Allah.” (Soera Aal Imraan 3:75).

At Tabari wees in zijn uitleg uitdrukkelijk op dit onderscheid: onder de Mensen van het Boek bevinden zich mensen die een toevertrouwd bezit teruggeven en mensen die het vertrouwen beschamen.

Dat is een belangrijk Koranisch principe. Allah had eenvoudig een algemene beschuldiging kunnen geven, maar Hij deed dat niet. Hij noemt degene die zelfs een groot vermogen teruggeeft én degene die zelfs bij één dinar onbetrouwbaar handelt. De gelovige moet dus leren kijken naar wat mensen werkelijk doen.

Een paar hoofdstukken later zegt Allah nog duidelijker: “Zij zijn niet allemaal gelijk. Onder de Mensen van het Boek is een standvastige gemeenschap die gedurende de nacht de verzen van Allah reciteert terwijl zij zich neerbuigt. Zij geloven in Allah en de Laatste Dag, gebieden het goede, verbieden het verwerpelijke en haasten zich naar goede daden. Zij behoren tot de rechtschapenen. En welk goed zij ook doen, het zal hun niet worden ontzegd. Allah kent degenen die Hem vrezen.” (Soera Aal Imraan 3:113–115).

Klassieke uitleggers bespraken wie precies met deze gelovige groep bedoeld werd, onder meer mensen uit de Mensen van het Boek die de boodschap van Profeet Mohammed ﷺ erkenden. Maar de formulering zelf blijft principieel belangrijk: “zij zijn niet allemaal gelijk”. At Tabari legde dit uit als een werkelijk verschil tussen mensen in goed en kwaad, rechtschapenheid en verdorvenheid.

Dat is niet hetzelfde als zeggen dat de harde Koranische kritiek slechts over een paar individuen ging. Soms spreekt de Koran duidelijk in bredere termen over gemeenschappen en terugkerende gedragingen. Het punt is iets anders: een collectieve waarschuwing verandert niet automatisch iedere individuele Jood in een persoonlijke drager van alle zonden die in de geschiedenis van zijn gemeenschap worden genoemd.

Zijn de waarschuwingen alleen geschiedenis?

Ook het tegenovergestelde uiterste klopt niet: doen alsof iedere scherpe tekst uitsluitend over één afgesloten moment in het verleden ging en dus geen blijvende waarschuwing bevat.

Een van de sterkste verzen staat in Soera al Maida. Allah zegt: “De Joden zeggen: ‘De hand van Allah is gebonden.’ Hun handen zijn gebonden en zij zijn vervloekt vanwege wat zij zeiden. Nee, Zijn beide handen zijn uitgestrekt; Hij schenkt zoals Hij wil. En wat van jouw Heer aan jou is neergezonden zal velen van hen zeker doen toenemen in opstandigheid en ongeloof. En Wij hebben vijandschap en haat tussen hen geworpen tot de Dag der Opstanding. Telkens wanneer zij een vuur voor de oorlog ontsteken, dooft Allah het. Zij streven op aarde naar verderf, en Allah houdt niet van de verderfzaaiers.” (Soera al Maida 5:64).

Dit vers mag niet gereduceerd worden tot een onschuldige historische voetnoot. De woorden verbinden vijandschap met “tot de Dag der Opstanding” en spreken over het telkens opnieuw ontsteken van oorlogsvuur. Ibn Kathir en andere uitleggers behandelden het beeld van het ontsteken van oorlog als een terugkerend patroon van vijandige plannen die Allah tenietdoet.

Maar ook hier moeten we precies blijven. Een blijvende Koranische waarschuwing is niet hetzelfde als een biologische erfelijkheidsleer. De Koran zegt niet dat ieder kind dat als Jood geboren wordt persoonlijk schuldig is aan oorlog, verraad of verderf. De waarschuwing blijft actueel waar het beschreven handelen zich voordoet. Wanneer groepen of machthebbers verdragen verbreken, oorlog aanwakkeren of verderf verspreiden, mag een moslim de Koranische taal daarover niet uit angst voor kritiek wegstoppen. Maar hij mag evenmin zonder bewijs hetzelfde oordeel op zijn buurman leggen enkel vanwege diens afkomst.

Ook dit vers bevat bovendien de woorden “velen van hen”, niet “ieder van hen”. Dat soort Koranische precisie mogen we niet verliezen.

“Zij zullen niet tevreden zijn totdat jij hun godsdienst volgt”

Een andere tekst die een blijvende geestelijke betekenis heeft, is Soera al Baqara 2:120. Allah zegt: “De Joden en de christenen zullen nooit tevreden met jou zijn totdat jij hun godsdienst volgt. Zeg: ‘De leiding van Allah is werkelijk de leiding.’ En als jij hun verlangens zou volgen nadat de kennis tot jou is gekomen, dan zou jij tegenover Allah geen beschermer en geen helper hebben.” (Soera al Baqara 2:120).

At Tabari legt hier uit dat Profeet Mohammed ﷺ niet zijn missie moest aanpassen om de religieuze goedkeuring van Joden of christenen te verkrijgen, maar het welbehagen van Allah moest zoeken.

Dit vers blijft voor moslims bijzonder relevant. Een moslim mag anderen respecteren en vreedzaam met hen samenleven, maar zijn godsdienst niet veranderen om door een andere religieuze gemeenschap aanvaard te worden. Zijn maatstaf is niet: “Wat moet ik van mijn geloof opgeven zodat anderen tevreden zijn?” Zijn maatstaf is: “Wat heeft Allah geopenbaard?”

Tegelijk zegt dit vers niet dat iedere Jood of christen persoonlijk iedere moslim haat, nooit met hem kan samenwerken of nooit tevreden kan zijn over zijn gedrag als buur, collega of vriend. Het gaat in de eerste plaats over religieuze navolging en uiteindelijke instemming met de geloofsweg. Persoonlijke hoffelijkheid en godsdienstige instemming zijn verschillende zaken.

“De sterksten in vijandschap”: ook deze tekst hoort erbij

Soera al Maida bevat nog een vers dat niet uit een eerlijk artikel mag verdwijnen. Allah zegt: “Je zult zeker merken dat van de mensen de Joden en degenen die deelgenoten aan Allah toekennen het sterkst zijn in vijandschap tegenover degenen die geloven. En je zult zeker merken dat degenen die zeggen: ‘Wij zijn christenen’, het dichtst bij de gelovigen staan in genegenheid. Dat is omdat onder hen priesters en monniken zijn en omdat zij niet hoogmoedig zijn.” (Soera al Maida 5:82).

Dit is geen zachte formulering. De Koran gebruikt hier bewust de taal van sterke vijandschap. Een moslim hoeft niet te doen alsof het vers iets anders zegt.

Maar ook hier wordt betekenis gevonden door de Koran met de Koran te lezen. Dezelfde openbaring zegt dat Mensen van het Boek onderling verschillen, noemt betrouwbare mensen onder hen, staat voedsel en huwelijk toe en beveelt rechtvaardigheid tegenover tegenstanders. Een collectieve Koranische beschrijving van vijandschap in de verhouding tussen gemeenschappen kan dus niet worden veranderd in de regel dat iedere individuele Jood persoonlijk als vijand behandeld moet worden voordat hij ook maar iets heeft gedaan.

De gelovige neemt de waarschuwing serieus zonder van zijn waakzaamheid een vooroordeel te maken. Hij hoeft niet naïef te zijn, maar hij mag evenmin vals getuigen over iemand omdat hij denkt dat diens groepsidentiteit voldoende bewijs is.

Loyaliteit is niet hetzelfde als normale menselijke omgang

Ook Soera al Maida 5:51 wordt vaak genoemd. Allah zegt: “Jullie die geloven, neem de Joden en de christenen niet als beschermende bondgenoten; zij zijn beschermende bondgenoten van elkaar. Wie van jullie zich in die loyaliteit bij hen aansluit, behoort werkelijk tot hen. Allah leidt de onrechtvaardige mensen niet.” (Soera al Maida 5:51).

Het gebruikte begrip heeft een bredere betekenis dan gewone persoonlijke vriendelijkheid. Het kan gaan over bescherming, bondgenootschap, loyaliteit en het zich aansluiten bij een andere groep op een manier die de trouw aan de eigen geloofsgemeenschap raakt. Daarom is het te oppervlakkig om het vers te vertalen tot: “Een moslim mag nooit vriendelijk bevriend zijn met een Jood of christen.”

Dat zou bovendien botsen met de praktische wereld die de Koran zelf schept. De moslim mag volgens de Koran voedsel van Mensen van het Boek eten en een moslimman mag onder de bekende voorwaarden met een kuise vrouw uit de Mensen van het Boek trouwen. Een vrouw met wie iemand zijn huis en gezin deelt is geen persoon met wie ieder menselijk contact verboden kan zijn.

Het beginsel is dus niet sociale vijandschap, maar het bewaren van geloof, loyaliteit en identiteit zonder onrecht tegenover andere mensen.

Waakzaamheid zonder zelf verrader te worden

Misschien wordt nergens duidelijker hoe de islam waakzaamheid en moraal samenbrengt dan in de regels over verdragen.

Allah zegt: “En als jij van een volk verraad vreest, werp hun verdrag dan op gelijke wijze naar hen terug. Allah houdt werkelijk niet van verraders.” (Soera al Anfal 8:58).

Ibn Kathir legt uit dat wanneer er gegronde vrees bestaat dat een partij haar vredesverdrag zal verraden, het verdrag openlijk moet worden beëindigd zodat beide partijen weten dat het niet langer geldt. Het vers staat dus geen geheime tegenverraderij toe: ook tegenover een mogelijke tegenstander blijft de moslim gebonden aan de afkeer van Allah voor verraad.

Dat is misschien een van de meest praktische lessen voor dit hele onderwerp. Islamitische waakzaamheid betekent niet dat je iedereen automatisch vertrouwt. Maar zij betekent evenmin dat je jezelf dezelfde zonde toestaat waarvan je een ander verdenkt.

Een moslim mag verdragsbreuk herkennen. Hij mag historische ervaringen bestuderen. Hij mag patronen zien en voorzorgsmaatregelen nemen. Maar zijn geloof wordt niet bewezen doordat hij zelf gaat liegen, verraden of onrechtmatig handelen. Juist wanneer hij met iemand te maken heeft die hij niet vertrouwt, wordt zichtbaar of zijn moraal werkelijk van Allah komt of slechts afhankelijk is van hoe de andere partij zich gedraagt.

De Thora, de oorspronkelijke openbaring en latere verandering

De scherpe Koranische kritiek op bepaalde Joodse groepen betekent niet dat de islam de oorspronkelijke boodschap van Moesa verwerpt. Integendeel: Moesa is een van de grootste profeten in de Koran en de Thora die Allah aan hem openbaarde, behoort tot de oorspronkelijke goddelijke openbaringen waarin moslims geloven.

Vanuit islamitisch perspectief riepen alle profeten uiteindelijk op tot overgave aan Allah. De latere religieuze geschiedenis van verschillende gemeenschappen moet daarvan worden onderscheiden. De Koran bevestigt openbaring die vóór Mohammed ﷺ kwam, maar beschuldigt tegelijkertijd groepen van Mensen van het Boek van verdraaiing, verzwijging en het toeschrijven van menselijke woorden aan Allah.

Daarom is het onnauwkeurig om te zeggen dat de islam eenvoudig “het jodendom haat”. De verhouding is veel dieper. De islam erkent Moesa, Haroen, Dawoed, Soelaiman, Zakaria, Yahya en andere profeten uit de geschiedenis van de Kinderen van Israël als profeten van Allah. Tegelijk verwerpt hij overtuigingen en veranderingen die volgens de Koran afwijken van de oorspronkelijke leiding.

Theologische kritiek is dus geen afwijzing van de hele profetische geschiedenis. Voor moslims behoort een aanzienlijk deel van die geschiedenis juist tot hun eigen geloof.

Apen en varkens: wat zegt de tekst werkelijk?

Een van de grofste misbruiken van Koranische taal ontstaat wanneer Joden in het algemeen “apen en varkens” worden genoemd.

Allah zegt over overtreders van de sabbat: “Jullie kennen zeker degenen onder jullie die de sabbat overtraden. Wij zeiden tegen hen: ‘Word verachte apen.’” (Soera al Baqara 2:65).

En in een andere passage zegt Allah: “Zeg: ‘Zal ik jullie vertellen wie bij Allah een slechtere vergelding verdienen? Degenen die Allah heeft vervloekt, op wie Zijn toorn rustte, van wie Hij sommigen tot apen en varkens maakte en die valse machten dienden. Zij bevinden zich in een slechtere positie en zijn verder afgedwaald van de rechte weg.’” (Soera al Maida 5:60).

Het gaat om goddelijke bestraffing van mensen vanwege concrete overtreding. De tekst zegt niet dat iedere Jood een aap of varken is.

Abdullah ibn Masud (moge Allah tevreden met hem zijn) vertelde dat aan de Profeet ﷺ werd gevraagd over de apen en varkens die met de verandering van eerdere mensen in verband werden gebracht. De Profeet ﷺ zei: “Allah heeft geen volk vernietigd of bestraft en vervolgens hun nakomelingen laten voortbestaan. Apen en varkens bestonden al vóór dat.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2663).

Wie van een specifieke goddelijke straf een etnische scheldnaam voor miljoenen mensen maakt, gaat dus verder dan de teksten zelf.

Mensen van het Boek: verschil én samenleven

De Koran kan streng zijn over geloof en toch praktische omgang toestaan. Allah zegt: “Vandaag zijn alle goede dingen voor jullie toegestaan. Het voedsel van degenen aan wie het Boek is gegeven is voor jullie toegestaan en jullie voedsel is voor hen toegestaan. Ook kuise vrouwen uit de gelovigen en kuise vrouwen uit degenen aan wie vóór jullie het Boek is gegeven zijn voor jullie toegestaan, wanneer jullie hun hun bruidsgave geven en een eerbaar huwelijk aangaan, niet in ontucht en niet met geheime minnaressen. Wie het geloof verwerpt, diens werk is vruchteloos en in het Hiernamaals behoort hij tot de verliezers.” (Soera al Maida 5:5).

Dit vers is bijzonder omdat het religieuze verschil niet wegneemt. Het eindigt zelfs met een waarschuwing over geloof. Toch staat dezelfde tekst voedseluitwisseling en huwelijk toe.

Daarmee erkent islamitisch recht een werkelijkheid waarin moslims en Joden of christenen naast elkaar leven, handelen, familiebanden kunnen hebben en elkaar in het dagelijks leven ontmoeten. Dat is iets anders dan zeggen dat alle religies hetzelfde zijn. De islam vraagt van een moslim geen theologische gelijkstelling, maar evenmin een samenleving waarin ieder religieus verschil automatisch vijandschap betekent.

Hoe behandelde de Profeet ﷺ Joden die met hem samenleefden?

De profetische praktijk (soenna) maakt dit nog concreter. Onze moeder Aisha (moge Allah tevreden met haar zijn) vertelde: “De Profeet ﷺ kocht voedsel van een Jood op uitgestelde betaling en gaf hem zijn ijzeren harnas als onderpand.” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 2386).

Dat is geen theorie over interreligieuze relaties. Het is een handelsrelatie waarbij de Profeet ﷺ aan een Jood een waardevol onderpand gaf. Hij behandelde hem als iemand met wie een geldige overeenkomst kon bestaan.

Ook bij een begrafenis zien we een opmerkelijk moment. Sahl ibn Hoenaif en Qais ibn Saad (moge Allah tevreden met hen zijn) vertelden dat een begrafenisstoet langs de Profeet ﷺ kwam en hij opstond. Toen hem werd gezegd dat het de begrafenis van een Jood was, antwoordde hij: “Is het niet een menselijke ziel?” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 1312–1313).

En Anas ibn Malik (moge Allah tevreden met hem zijn) vertelde: “Een Joodse jongen die de Profeet ﷺ diende werd ziek. De Profeet ﷺ ging hem bezoeken, ging bij zijn hoofd zitten en zei tegen hem: ‘Word moslim.’ De jongen keek naar zijn vader, die bij hem zat. Zijn vader zei tegen hem: ‘Gehoorzaam Aboe al Qasim.’ Daarop werd hij moslim. De Profeet ﷺ ging naar buiten en zei: ‘Alle lof behoort aan Allah, Die hem van het Vuur heeft gered.’” (Overgeleverd door al Boekhari, hadith 1356).

Ook hier zien we geen relativisme. De Profeet ﷺ wilde dat de jongen moslim werd en geloofde werkelijk dat dit zijn redding betrof. Tegelijk ging hij naar zijn ziekbed. Overtuiging en menselijkheid stonden niet tegenover elkaar.

Conflicten met Joodse groepen in Medina

Dat de Profeet ﷺ met individuele Joden handelde en hen bezocht, betekent niet dat zijn verhouding met alle Joodse groepen vreedzaam bleef. De vroege islamitische geschiedenis kent ernstige conflicten met Banoe Qaynoeqa, Banoe Nadir en Banoe Qoeraiza. Daarin liepen religieuze tegenstelling, verdragen, politieke allianties, veiligheid en oorlog door elkaar.

Het is onjuist om die gebeurtenissen voor te stellen alsof alleen een onschuldig verschil van godsdienst tot strijd leidde. Evenmin moeten we ontkennen dat de Koran en de islamitische bronnen harde kritiek op religieuze standpunten en gedragingen bevatten. De geschiedenis van Medina leert juist dat relaties afhankelijk waren van concrete verdragen, loyaliteiten en handelingen.

Dat helpt ook vandaag om niet alles op één hoop te gooien. Wie een verbond respecteert is niet hetzelfde als wie het breekt. Wie vreedzaam naast je leeft is niet hetzelfde als wie je bestrijdt. Wie een misdaad begaat wordt vanwege die daad beoordeeld, niet omdat iemand anders met dezelfde religieuze achtergrond een misdaad heeft gepleegd.

Een moeilijke hadith over begroeting en de weg

Ook teksten die ongemakkelijk klinken mogen niet worden verborgen. Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden met hem zijn) vertelde dat de Profeet ﷺ zei: “Begin de Joden en de christenen niet met de vredesgroet. En wanneer jullie een van hen op een weg ontmoeten, laat hem dan naar het smalste deel ervan gaan.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2167).

De klassieke juridische discussie over dit soort teksten is uitgebreider dan één Nederlandse zin kan weergeven. Imam an Nawawi legde bij deze hadith uit dat iemand niet zo mag worden weggedrukt dat hij bijvoorbeeld tegen een muur wordt geduwd of lichamelijke schade ondervindt. De tekst werd dus niet behandeld als een vrijbrief voor mishandeling.

Dit is belangrijk voor de manier waarop we met moeilijke overleveringen omgaan. We hoeven niet te zeggen dat de hadith “eigenlijk iets heel anders betekent”. Maar we mogen er ook geen gedraging aan toevoegen die de geleerden er niet uit afleidden. Religieuze gehoorzaamheid vereist nauwkeurigheid, niet maximalisme.

De hadith over de Joden aan het einde der tijden

Nog gevoeliger is de bekende hadith over gebeurtenissen vóór het Laatste Uur. Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden met hem zijn) vertelde dat de Profeet ﷺ zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat de moslims tegen de Joden strijden en de moslims hen doden, totdat een Jood zich achter een steen of een boom verschuilt en de steen of boom zegt: ‘Moslim, dienaar van Allah, hier bevindt zich een Jood achter mij; kom en dood hem’, behalve de gharqadboom, want die behoort tot de bomen van de Joden.” (Overgeleverd door Moeslim, hadith 2922).

Een moslim die de authenticiteit van deze overlevering aanvaardt, hoeft haar niet te verbergen of te herschrijven. Zij vertelt over een toekomstige strijd en hoort binnen de overleveringen over gebeurtenissen die aan het einde der tijden zullen plaatsvinden.

Maar een voorspelling is niet automatisch een opdracht om de voorspelde gebeurtenis zelf te beginnen. De hadith zegt niet: ga vandaag op zoek naar Joden en behandel hen alsof die toekomstige strijd al is aangebroken. Wij weten evenmin hoe de wereld, machtsverhoudingen en omstandigheden eruit zullen zien wanneer de gebeurtenissen van het einde der tijden plaatsvinden.

De moslim is daarom verantwoordelijk voor de voorschriften die op hem in zijn huidige werkelijkheid rusten. Wie onder bescherming of in vrede met hem leeft, wordt niet door een eindtijdhadith plotseling tot een vogelvrije vijand. Verdragen blijven verdragen. Eigendom blijft beschermd. Buren hebben rechten. Onrecht blijft verboden. Wat Allah voor een toekomstige tijd heeft bepaald, hoeft een mens niet vooruit te lopen door eigenmachtig geweld.

Dit onderscheid is geen verzwakking van de hadith. Het is juist gehoorzaamheid aan zowel deze hadith als aan de andere teksten die ons handelen nu regelen.

De grootste bescherming tegen haat is rechtvaardigheid

De Koran geeft uiteindelijk een toets die geen ruimte laat voor de gedachte dat sterke afkeer onrecht mag rechtvaardigen.

Allah zegt: “Jullie die geloven, sta standvastig voor Allah als getuigen van rechtvaardigheid. Laat de afkeer van een volk jullie er niet toe brengen onrechtvaardig te zijn. Wees rechtvaardig; dat staat dichter bij godsvrees. En vrees Allah. Allah is volledig op de hoogte van wat jullie doen.” (Soera al Maida 5:8).

Let op wat Allah hier niet zegt. Hij zegt niet dat de afkeer altijd ongegrond is. Hij zegt niet dat er nooit vijandigheid of werkelijk onrecht van een andere groep kan bestaan. Hij geeft juist een regel voor het moment waarop afkeer aanwezig is: laat die afkeer jou niet veranderen in een onrechtvaardig mens.

Dat is een geestelijke opdracht. De gelovige moet zijn hart bewaken wanneer hij beelden van oorlog, dode kinderen, bezetting, vernedering of onderdrukking ziet. Woede over onrecht kan op zichzelf begrijpelijk zijn, maar zij geeft hem geen toestemming om een onschuldige buurman verantwoordelijk te maken voor wat een regering of leger elders doet.

Allah zegt ook: “Allah verbiedt jullie niet om goed en rechtvaardig te zijn tegenover degenen die jullie niet vanwege jullie godsdienst bestrijden en jullie niet uit jullie huizen verdrijven. Allah houdt werkelijk van degenen die rechtvaardig handelen.” (Soera al Moemtahana 60:8).

De woorden gaan verder dan slechts “hen met rust laten”. De Koran gebruikt taal van goedheid en rechtvaardigheid.

Een misdaad blijft een misdaad, ongeacht wie haar pleegt

Juist daarom hoeft een moslim niet te kiezen tussen het veroordelen van Israëlisch onrecht en het rechtvaardig behandelen van Joden.

Wanneer een Israëlische regering, militair, kolonist of andere actor een misdaad pleegt, beoordeelt men die daad en degene die ervoor verantwoordelijk is. Wanneer een moslimregering of moslimgroep een misdaad pleegt, verandert de religieuze identiteit van de dader die misdaad evenmin in iets goeds. Het Koranische criterium draait niet mee met onze groepssympathieën.

Ook in het hedendaagse internationale recht worden concrete actoren benoemd. Het Internationaal Strafhof vaardigde in november 2024 arrestatiebevelen uit tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant omdat de rechters redelijke gronden zagen voor verdenking van onder meer oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Dat zijn juridische beschuldigingen tegen genoemde personen; het zijn geen oordelen over Joden als religieuze gemeenschap.

Het Internationaal Gerechtshof nam in januari 2024 bovendien kennis van verschillende ontmenselijkende uitspraken van hoge Israëlische functionarissen en beval dat directe en openbare opruiing tot genocide moest worden voorkomen en bestraft. Dat bevel was een voorlopige maatregel en geen definitief oordeel dat genocide juridisch bewezen was, maar het laat wel zien dat extreem en ontmenselijkend taalgebruik niet hoeft te worden verzwegen wanneer het gedocumenteerd is.

En wanneer het over de bezette Palestijnse gebieden gaat, is de term Israëlische bezetting geen losse slogan. Het Internationaal Gerechtshof oordeelde in zijn advies van juli 2024 dat de voortdurende aanwezigheid van Israël als bezettende macht in het Palestijnse gebied dat sinds 1967 bezet is, onrechtmatig is.

Een moslim hoeft zulke feiten niet te verbergen uit angst dat duidelijke taal als vijandigheid tegen Joden zal worden gezien. Het onderscheid moet juist scherper worden: kritiek op bezetting, militaire handelingen, politici of ideologie is iets anders dan iemand aanvallen omdat hij Joods is.

Ook Joden zijn politiek geen blok

De werkelijkheid zelf toont waarom dit onderscheid nodig is. Er bestaan Joden die zionistische of Israëlische politiek sterk ondersteunen, Joden die bepaalde onderdelen daarvan bekritiseren en Joden die zich er radicaal tegen verzetten. In New York protesteerden leden van Jewish Voice for Peace bijvoorbeeld in 2025 tegen Amerikaanse bewapening van Israël en voor Gaza.

Dat betekent niet dat hun religieuze overtuigingen daardoor islamitisch correct worden. Het betekent eenvoudig dat “Joods” geen volledige politieke beschrijving van een mens is.

Ook in Europa kan dezelfde Jood die theologisch diep met een moslim verschilt naast hem staan wanneer hun burgerlijke of religieuze belangen samenkomen. Een concreet voorbeeld komt uit België. Nadat Vlaanderen strengere regels voor religieuze slacht invoerde, trokken meerdere Joodse en islamitische verenigingen samen naar de rechter omdat zij vonden dat hun godsdienstvrijheid werd geraakt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie beschreef expliciet dat zowel Joodse als islamitische verenigingen het Vlaamse decreet aanvochten.

Dat is een herkenbare Europese werkelijkheid. Moslims en Joden kunnen buren zijn, collega’s, handelaars of gezamenlijk een juridisch belang verdedigen, terwijl hun geloofsovertuigingen sterk verschillen. Islam vraagt niet dat die verschillen worden verborgen.

De waarschuwing van de Koran is ook een spiegel voor moslims

Er bestaat nog een gevaar wanneer een moslim alle verzen over de fouten van eerdere gemeenschappen alleen gebruikt om naar anderen te wijzen. De Koran werd ook geopenbaard als leiding voor degene die hem leest.

Als Allah het verbreken van verbonden veroordeelt, mag een moslim zijn eigen verbond niet breken. Als Allah leugens over Hem veroordeelt, mag een moslim geen religieuze verhalen verzinnen. Als Allah het onrechtmatig nemen van bezit veroordeelt, wordt rente of diefstal niet toegestaan zodra de dader een moslim is. Als hoogmoed, hypocrisie, hebzucht, verraad en wereldse machtswellust eerdere gemeenschappen vernietigden, kunnen dezelfde zonden ook moslims ziek maken.

De Koran is geen boek dat een gelovige slechts leert welke fouten “de anderen” hebben. Hij leert hem ook te vrezen dat hij zelf dezelfde weg kan volgen.

Daarom is het verkeerd wanneer iemand met grote ijver de veroordeling van een ander reciteert, terwijl hij zelf liegt, een belofte breekt, mensen bedriegt of onrecht verdedigt omdat de dader tot zijn eigen groep behoort. De zonde verandert niet van naam wanneer de identiteit van de zondaar verandert.

Voorzichtigheid is iets anders dan haat

Wat leert de Koran de moslim dan uiteindelijk over zijn houding tegenover Joden?

Hij leert hem dat geloofsverschillen werkelijk zijn. Hij leert hem dat ernstige fouten en terugkerende patronen in de geschiedenis van groepen uit de Kinderen van Israël niet verzwegen hoeven te worden. Hij waarschuwt voor verbondsbreuk, verdraaiing van religie, onrecht, rente, vijandigheid, verraad en het ontsteken van oorlog. Hij leert hem bovendien zijn eigen geloof niet afhankelijk te maken van de goedkeuring van Joden, christenen of welke andere gemeenschap dan ook.

Maar dezelfde Koran leert hem mensen van elkaar te onderscheiden. De één geeft een toevertrouwd vermogen terug, de ander niet. Niet iedereen is gelijk. Tegenover wie hem niet bestrijdt mag hij goed en rechtvaardig handelen. Zelfs tegenover mensen voor wie hij afkeer voelt, blijft rechtvaardigheid verplicht. En wanneer hij verraad vreest, mag hij niet zelf verrader worden.

De profetische leiding bevestigt hetzelfde evenwicht. De Profeet ﷺ kende conflict met Joodse groepen en de overlevering bevat harde teksten over bepaalde situaties en over de eindtijd. Maar hij kocht ook bij een Jood op krediet, gaf zijn harnas als onderpand, bezocht een zieke Joodse jongen en erkende bij een Joodse begrafenis de menselijke ziel die werd gedragen.

Dat is geen tegenstrijdigheid. Het is een volwassen geloofsleer waarin de werkelijkheid niet tot één emotie wordt gereduceerd.

Een moslim hoeft daarom niet te zeggen dat alle kritiek op Joden slechts een misverstand is. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover de Koran. Hij hoeft evenmin van iedere Jood een vijand te maken. Ook dat zou niet eerlijk zijn tegenover de Koran.

De diepere opdracht is moeilijker: herken kwaad wanneer Allah het kwaad noemt, wees waakzaam waar waarschuwing nodig is, houd vast aan je geloof wanneer anderen het niet aanvaarden, en verlies ondertussen niet de rechtvaardigheid waarmee Allah jouzelf zal beoordelen.

Juist daar krijgt dit onderwerp een aanbiddende dimensie. De vraag is uiteindelijk niet alleen wat jij van Joden vindt. De vraag is wat jouw reactie op verschil, conflict en onrecht zegt over jouw gehoorzaamheid aan Allah. Kun je de waarheid zeggen zonder te liegen? Kun je waakzaam zijn zonder te verraden? Kun je tegen onrecht opstaan zonder zelf onrechtvaardig te worden? Kun je iemand als religieuze tegenstander zien en toch erkennen dat Allah jou heeft bevolen zijn rechten niet te schenden?

Daarom zegt Allah niet alleen dat wij rechtvaardig moeten zijn. Hij verbindt die rechtvaardigheid rechtstreeks met godsvrees: “Wees rechtvaardig; dat staat dichter bij godsvrees.” (Soera al Maida 5:8).

Wie die woorden werkelijk gelooft, hoeft niet naïef te zijn en hoeft de Koran niet te verzachten. Maar hij moet ook vrezen dat zijn eigen woede hem laat overtreden wat Allah hem juist heeft bevolen.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ☰ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.