Waarom heeft Allah de mens geschapen? Het doel van het leven in de islam

Man kijkt uit over een landschap bij zonsondergang met de tekst: Je bestaan is geen toeval.

Een mens kan veel weten over hoe het leven werkt en toch blijven worstelen met de vraag waarvoor hij leeft. Hij kan een opleiding volgen, een gezin opbouwen, werken, reizen, plannen maken en doelen bereiken. Hij kan weten hoe het lichaam functioneert, hoe economieën groeien en hoe sterren ontstaan. Maar geen van die antwoorden zegt vanzelf waarom er überhaupt een mens is die dit alles meemaakt.

De vraag naar het doel van het leven is daarom niet alleen een religieuze vraag. Zij raakt aan iets wat ieder mens vroeg of laat kan tegenkomen: is mijn bestaan alleen het gevolg van een reeks gebeurtenissen, waarna ik zelf een tijdelijke betekenis moet bedenken? Of heeft mijn leven een doel dat al bestond voordat ik er zelf woorden aan kon geven?

De islam begint niet met de gedachte dat de mens toevallig in een zwijgende werkelijkheid is terechtgekomen. De Koran presenteert het bestaan als gewild, betekenisvol en moreel geladen. De mens is geschapen, heeft vermogens gekregen om te leren en te onderscheiden, ontvangt leiding en wordt verantwoordelijk gehouden voor wat hij met die mogelijkheden doet. Leven is in die visie geen doelloze wachttijd tussen geboorte en dood.

Tegelijk geeft de islam geen oppervlakkig antwoord in de vorm van één slogan. De bekende uitspraak dat de mens is geschapen om Allah (God) te aanbidden roept onmiddellijk nieuwe vragen op. Waarom wil Allah aanbidding als Hij niets nodig heeft? Wat betekent aanbidding eigenlijk? Waarom kreeg de mens keuzevrijheid als zijn doel al vaststaat? Waarom wordt hij getest als Allah vooraf weet wat hij zal doen? En hoe past een gewoon leven met werk, familie, rust, verdriet en ambitie binnen dat doel? Om die vragen te begrijpen, moeten doel, aanbidding, leiding, vrijheid, beproeving en terugkeer naar Allah als onderdelen van één geheel worden gelezen.

Van kennis naar dankbaarheid: waarom het bestaan zelf een gave wordt

De wetenschap dat de mens niet zonder doel is geschapen, wordt pas werkelijk vormend wanneer zij verder gaat dan een losse religieuze uitspraak. Binnen de islam begint een diepere verandering met kennis: een mens probeert te begrijpen wie Allah is, waarom hij is geschapen, wat Allah heeft geopenbaard en waar zijn bestaan uiteindelijk naartoe gaat. Dat vraagt meer dan toevallige informatie, korte berichten of beelden die via media en sociale netwerken voorbijkomen. Het vraagt lezen, nadenken, vragen stellen, betrouwbare kennis zoeken en tegelijk Allah vragen om leiding en standvastigheid. De mens leert met het verstand dat hem is gegeven, maar hij blijft afhankelijk van Degene die hem dat verstand, zijn waarneming en de mogelijkheid om te leren heeft geschonken.

De Koran herinnert de mens daarom zowel aan de waarde als aan de begrenzing van zijn kennis. Allah zegt:

“En zij vragen jou over de geest. Zeg: ‘De geest behoort tot de zaak van mijn Heer. En jullie is slechts weinig kennis gegeven.’” (Soera al Isra 17:85)

Met dat beperkte menselijke kennen zijn geneeskunde, techniek en wetenschap ontwikkeld, zijn grote afstanden overbrugd en zijn delen van de zichtbare wereld onderzocht die eerdere generaties nauwelijks konden waarnemen. De islam ontkent de waarde daarvan niet. Maar juist naast al die inspanning verschijnt een nog fundamentelere vraag: hoeveel tijd besteedt de mens aan de kennis die hem leert wie hem heeft geschapen, wat de dood betekent en wat hem wacht wanneer zijn korte verblijf in deze wereld voorbij is?

Ook leiding zelf moet daarbij zorgvuldig worden begrepen. Dat leiding van Allah komt, betekent in de Koran niet dat mensen tegenover een willekeurige verdeling staan waarbij de ene zonder reden wordt geholpen en de andere zonder reden wordt buitengesloten. Allah kent wat in de harten leeft, ook de eerlijkheid waarmee iemand naar waarheid zoekt. Allah zegt:

“En degenen die leiding hebben aanvaard, vermeerdert Hij in leiding en schenkt Hij hun hun godsvrees.” (Soera Mohammed 47:17)

Tegelijk waarschuwt de Koran voor het tegenovergestelde: een mens kan zich bewust van de waarheid afwenden en daarmee zijn ontvankelijkheid ervoor verder beschadigen. Over mensen die afweken terwijl zij wisten dat Moesa een boodschapper van Allah was, zegt Allah:

“En toen Moesa tegen zijn volk zei: ‘Mijn volk, waarom doen jullie mij pijn terwijl jullie weten dat ik de boodschapper van Allah aan jullie ben?’ Toen zij afdwaalden, liet Allah hun harten afdwalen. En Allah leidt het opstandige volk niet.” (Soera as Saff 61:5)

Ibn Kathir legt bij deze woorden uit dat zij afweken van het volgen van de waarheid terwijl zij die kenden, waarna hun harten verder van de leiding afdwaalden. Daarmee wordt ook duidelijk waarom mensen voorzichtig moeten zijn met oordelen over het innerlijk van een ander. Er is verschil tussen iemand die vragen heeft en oprecht wil weten wat waar is, en iemand die bij voorbaat heeft besloten dat geen enkel antwoord hem mag overtuigen. Alleen Allah kent volledig wat in een hart leeft, wat iemand werkelijk heeft bereikt, wat hij kon begrijpen en hoe eerlijk hij daarop reageerde.

Ook wanneer iemand oprecht begint te zoeken en zijn leven eindigt voordat andere mensen kunnen vaststellen waar die zoektocht hem zou hebben gebracht, is zijn uiteindelijke oordeel niet aan hen. Allah kent zijn bedoeling, zijn mogelijkheden en zijn omstandigheden volkomen en doet niemand onrecht. De islam roept de zoeker daarom niet op tevreden te zijn met de gedachte dat zijn intentie wel voldoende zal zijn. Hij blijft zoeken, onderzoeken en leren, terwijl hij Allah nederig vraagt hem naar de waarheid te leiden.

Wanneer deze kennis groeit, verandert geleidelijk ook de betekenis van het bestaan zelf. De dood is binnen de islam geen moment waarop de mens in het niets verdwijnt. Zij is een overgang binnen een veel grotere werkelijkheid: na het aardse leven volgt wat Allah voor de mens na de dood heeft bepaald, daarna de opstanding en uiteindelijk het blijvende leven van het hiernamaals. Allah zegt:

“En dat het aan Hem is de andere schepping voort te brengen.” (Soera an Najm 53:47)

Wie alleen naar de tientallen jaren tussen geboorte en dood kijkt, beoordeelt zijn bestaan daarom vanuit een ander perspectief dan degene die met zekerheid gelooft dat hij opnieuw zal worden opgewekt en dat voor hem een leven kan liggen waaraan de dood geen einde meer maakt.

Juist daar kan kennis veranderen in liefde, hoop en verlangen. Wie Allah beter leert kennen, Zijn barmhartigheid, wijsheid, vergeving en beloften leert begrijpen en steeds sterker gelooft in de ontmoeting met Hem en in het eeuwige leven, kan uiteindelijk ook anders naar het feit van zijn eigen schepping kijken. Hij is dan niet slechts iemand aan wie het bestaan zonder verklaring is overkomen. Allah heeft hem uit het niet-bestaan tot bestaan gebracht, hem het vermogen gegeven zijn Schepper te leren kennen, voor hem de mogelijkheid van leiding en berouw geopend en hem geroepen naar een bestemming die veel verder reikt dan de dood. Voor een hart waarin dit geloof werkelijk groeit, kan de vraag “Waarom ben ik geschapen?” daardoor uiteindelijk vergezeld worden door een andere gedachte: wat een gunst dat Allah mij überhaupt heeft geschapen en mij de mogelijkheid heeft gegeven Hem te kennen.

Dat inzicht ontstaat niet noodzakelijk in één ogenblik. Kennis, geloof, zekerheid, liefde voor Allah en geestelijke voortreffelijkheid (ihsan) kennen groei en graden. Een mens kan beginnen met vragen, twijfels onderzoeken, veel moeten leren en Allah herhaaldelijk om leiding vragen. Hij hoeft zijn verstand daarbij niet uit te schakelen; juist het tegenovergestelde is het geval. Hij leest, vergelijkt, denkt na en probeert te begrijpen. Maar naarmate wat hij leert niet alleen informatie blijft maar overtuiging wordt, kan ook zijn innerlijke verhouding tot de toekomst veranderen. Wat voor iemand anders alleen een onbekend einde lijkt, kan voor de gelovige steeds meer de doorgang worden naar de ontmoeting met Allah en naar het leven waarop hij hoopt.

Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem) maakte duidelijk hoe diep dat vooruitzicht kan gaan. Onze moeder Aisha (moge Allah tevreden met haar zijn) vertelde dat hij zei:

“Wie ervan houdt Allah te ontmoeten, Allah houdt ervan hem te ontmoeten, en wie het haat Allah te ontmoeten, Allah haat het hem te ontmoeten.” Aisha zei: “Boodschapper van Allah, gaat het dan om de afkeer van de dood? Wij hebben allemaal een afkeer van de dood.” Hij zei: “Zo is het niet. Wanneer de gelovige het goede nieuws krijgt van Allahs barmhartigheid, Zijn tevredenheid en Zijn Paradijs, houdt hij ervan Allah te ontmoeten en houdt Allah ervan hem te ontmoeten. En wanneer de ongelovige het nieuws krijgt van Allahs bestraffing en Zijn ontevredenheid, haat hij het Allah te ontmoeten en haat Allah het hem te ontmoeten.” (Moeslim, hadith 2684)

Dit hadith verheerlijkt de dood niet en verlangt evenmin van een gelovige dat hij zijn natuurlijke gehechtheid aan het leven verliest. Onze moeder Aisha stelde juist zelf de vraag naar de menselijke afkeer van de dood. De Profeet ﷺ maakte duidelijk dat het om iets diepers gaat: wanneer voor de gelovige zichtbaar wordt wat Allah voor hem heeft bereid, verandert zijn verlangen. De ontmoeting met Allah wordt dan niet gevreesd als een sprong in het niets, maar verwacht als de overgang naar de werkelijkheid waarin zijn geloof zijn vervulling vindt.

Ook daarom betekent geloof niet dat een mens in deze wereld nooit verdriet, ziekte, angst of verlies ervaart. Het verschil ligt niet in de afwezigheid van pijn, maar in het kader waarin de gelovige die pijn leert dragen. De Profeet ﷺ zei:

“Wonderlijk is de zaak van de gelovige. Zijn hele zaak is goed, en dat geldt voor niemand behalve voor de gelovige. Als hem iets goeds treft, is hij dankbaar en dat is goed voor hem. En als hem tegenspoed treft, is hij geduldig en dat is goed voor hem.” (Moeslim, hadith 2999)

Dankbaarheid in voorspoed en geduld in tegenspoed maken beide deel uit van dezelfde weg naar Allah. De gelovige hoeft dus niet te doen alsof pijn geen pijn is. Hij kan huilen, verlies voelen en zwaar beproefd worden, terwijl onder die menselijke emoties een andere zekerheid blijft bestaan: zijn geschiedenis eindigt niet bij wat hem vandaag overkomt.

Soms kan juist de zwaarte van het wereldse leven het verlangen naar het hiernamaals versterken. Niet omdat lijden op zichzelf gezocht moet worden, maar omdat de gelovige door wat hij over de openbaring heeft geleerd weet dat de wereld niet de definitieve maatstaf van geluk is. Tijdens het graven van de Gracht, terwijl de metgezellen groeven en aarde droegen en de Profeet ﷺ bij hen was, zei hij:

“O Allah, er is geen werkelijk leven behalve het leven van het hiernamaals. Vergeef daarom de Moehadjirien en de Ansar.” (al Boekhari, hadith 4098)

Deze woorden werden niet uitgesproken vanuit wereldvreemde afzondering, maar midden in vermoeidheid, gevaar en verantwoordelijkheid. Het hiernamaals maakte de aardse inspanning niet betekenisloos; het gaf haar juist haar uiteindelijke plaats.

Dat perspectief bereikt een bijzonder krachtige vorm in een ander hadith. De Profeet ﷺ zei:

“Op de Dag van de Opstanding zal degene uit de mensen van het Vuur worden gebracht die in deze wereld het meest in weelde heeft geleefd. Hij zal eenmaal in het Vuur worden ondergedompeld. Daarna zal tegen hem worden gezegd: ‘Zoon van Adam, heb jij ooit iets goeds gezien? Heb jij ooit enige welvaart meegemaakt?’ Hij zal zeggen: ‘Nee, bij Allah, mijn Heer.’ Vervolgens zal degene uit de mensen van het Paradijs worden gebracht die in deze wereld het zwaarste leven heeft gekend. Hij zal eenmaal in het Paradijs worden ondergedompeld. Daarna zal tegen hem worden gezegd: ‘Zoon van Adam, heb jij ooit ellende gekend? Heb jij ooit enige tegenspoed meegemaakt?’ Hij zal zeggen: ‘Nee, bij Allah, mijn Heer. Ik heb nooit ellende gekend en nooit tegenspoed gezien.’” (Moeslim, hadith 2807)

Dit hadith zegt niet dat de herinneringen aan het aardse leven letterlijk uit het geheugen worden gewist. Het maakt met een indringend beeld duidelijk hoe radicaal de maatstaf verandert wanneer het tijdelijke tegenover het eeuwige wordt geplaatst. Een heel leven van luxe kan voor degene die uiteindelijk verloren gaat zijn gewicht verliezen tegenover één aanraking met de werkelijkheid van het Vuur, terwijl een heel leven van zware beproeving voor degene die het Paradijs binnengaat verbleekt tegenover één moment van het geluk dat Allah daar heeft bereid. Het islamitische perspectief vraagt daarom niet alleen hoeveel genot of pijn iemand in enkele tientallen jaren heeft gekend. De beslissende vraag is waar zijn reis uiteindelijk eindigt.

Wanneer deze werkelijkheid niet alleen wordt gehoord maar werkelijk wordt geloofd, krijgt dankbaarheid een diepere betekenis. De gelovige dankt Allah niet alleen voor gezondheid wanneer hij gezond is, voor bezit wanneer hij bezit heeft of voor zijn familie wanneer zij om hem heen is. Hij kan uiteindelijk Allah prijzen voor iets fundamentelers: dat hij überhaupt is geschapen, dat hem de mogelijkheid is gegeven zijn Heer te kennen, dat na fouten de deur van berouw openstaat en dat de moeilijke wereld waarin hij tijdelijk leeft niet de laatste vorm van zijn bestaan hoeft te zijn. Zelfs een beproeving kan dan, zonder haar pijn te ontkennen, zijn verlangen naar Allah en het hiernamaals verdiepen.

Daarmee wordt kennis veel meer dan het verzamelen van religieuze feiten. Zij kan een weg worden van weten naar zekerheid, van zekerheid naar liefde en van liefde naar dankbaarheid en verlangen. De mens leert wie Allah is, begrijpt steeds beter waarheen hij terugkeert en ontdekt daardoor opnieuw wat het betekent dat hij überhaupt bestaat. Voor wie deze werkelijkheid diep in het hart gaat geloven, hoeft het feit dat hij geschapen is geen vraag te blijven die alleen met een theoretische formule wordt beantwoord. Het kan zelf een bron van vreugde en lof worden: Allah heeft hem niet in het niet-bestaan gelaten, maar hem het leven gegeven, hem geroepen tot Zijn kennis en voor hem de mogelijkheid geopend van een eeuwig leven waarin de korte pijn van deze wereld niet het laatste woord heeft.

Waarom heeft Allah de mens geschapen?

De Koran benadert de vraag naar het menselijke doel door eerst een misvatting weg te nemen: de mens is niet zonder bedoeling geschapen. Allah zegt:

“Dachten jullie dan dat Wij jullie zonder doel hadden geschapen en dat jullie niet tot Ons zouden worden teruggebracht?” (Soera al Moeminoen 23:115)

In een ander vers wordt dezelfde gedachte in de vorm van een indringende vraag gesteld:

“Denkt de mens dat hij zomaar aan zichzelf zal worden overgelaten?” (Soera al Qiyama 75:36)

Koranverklaarder al Qurtubi noemt bij dit vers nauw verbonden betekenissen: de mens wordt niet achtergelaten zonder gebod en verbod, en hij wordt evenmin na zijn dood vergeten zonder opstanding en rekenschap. Ibn Kathir legt eveneens het verband tussen verantwoordelijkheid in het aardse leven en de terugkeer na de dood. Daarmee ontstaat de eerste lijn van het islamitische antwoord: de mens is niet geschapen en vervolgens aan zichzelf overgelaten. Zijn bestaan heeft een oorsprong, een richting en een terugkeer.

De Koran benoemt vervolgens de hoogste bedoeling van de schepping van mensen en djinn:

“Ik heb de djinn en de mensen slechts geschapen opdat zij Mij aanbidden. Ik verlang geen voorziening van hen en Ik verlang niet dat zij Mij voeden. Allah is werkelijk de Voorziener, de Bezitter van kracht, de Sterke.” (Soera adh Dhariyat 51:56–58)

Deze drie verzen horen inhoudelijk bij elkaar. Het eerste vers noemt aanbidding als doel; de twee verzen erna sluiten onmiddellijk uit dat dit doel uit een behoefte van de Schepper voortkomt. De mens aanbidt dus niet omdat Allah iets mist wat de mens Hem moet geven. Al Tabari verbindt de betekenis van het eerste vers met onderwerping en dienstbaarheid aan Allah. Ibn Kathir benadrukt eveneens dat Allah de schepselen heeft geschapen om hen tot Zijn aanbidding te roepen, niet omdat Hij hen nodig heeft.

Dat onderscheid is beslissend. “Geschapen om te aanbidden” betekent binnen de islam niet dat de mens een behoefte van Allah moet vervullen. Het betekent dat zijn bestaan op zijn juiste plaats komt wanneer hij zijn Schepper kent, Hem als zijn Heer erkent en zijn leven daarop richt.

Allah heeft onze aanbidding niet nodig

De vraag ligt voor de hand: als Allah volmaakt is, waarom wil Hij dan dat mensen Hem aanbidden? De Koran beantwoordt eerst het deel dat over Allah gaat:

“O mensen, jullie zijn het die Allah nodig hebben, terwijl Allah de Onafhankelijke, de Geprezene is.” (Soera Fatir 35:15)

Aanbidding voegt dus niets toe aan Allahs volmaaktheid. Als alle mensen zouden geloven, wordt Allah daardoor niet groter. Als alle mensen Hem zouden ontkennen, wordt Hij daardoor niet kleiner. De behoefte ligt aan de kant van de mens.

Dat is vergelijkbaar met andere goddelijke geboden. Allah verbiedt onrecht niet omdat Hij door menselijk onrecht iets tekortkomt; het verbod beschermt en vormt de mens en de samenleving. Hij beveelt dankbaarheid niet omdat Hij afhankelijk is van menselijke waardering; dankbaarheid leert de mens de werkelijkheid van ontvangen goed te erkennen. Zo is ook aanbidding geen voeding voor de Schepper, maar ordening voor het schepsel.

Daarom is het verschil tussen “Allah verdient aanbidding” en “Allah heeft aanbidding nodig” zo belangrijk. In de islam volgt het eerste uit wie Allah is: de Schepper, Onderhouder, Kenner en Heer. Het tweede wordt juist ontkend. Deze gedachte voorkomt ook een verkeerd beeld van religie als een soort ruilhandel waarbij de mens religieuze handelingen levert en Allah daarvoor erkenning ontvangt. De Koran keert dat beeld om. De mens ontvangt bestaan, vermogens, voorziening, leiding en kansen tot terugkeer. Zijn aanbidding is een antwoord op die werkelijkheid, geen dienst waarmee hij een tekort bij Allah aanvult.

Aanbidding is meer dan rituelen

Wie bij aanbidding alleen denkt aan rituelen, zal de uitspraak over het doel van de mens te smal begrijpen. Gebed, vasten, liefdadigheid en bedevaart behoren tot de duidelijkste vormen van aanbidding, maar de islamitische betekenis is breder.

Ibn Taymiyya gaf in Al Ubudiyyah (Over aanbidding) een bekende omschrijving: aanbidding omvat alles wat Allah liefheeft en waarmee Hij tevreden is, zowel innerlijke als uiterlijke woorden en daden. Die definitie is invloedrijk geworden omdat zij twee kanten bij elkaar houdt: wat een mens doet en wat er in zijn hart leeft.

Aanbidding is daarom niet alleen knielen, vasten of een religieuze formule uitspreken. Ook liefde voor Allah, eerbied, vertrouwen, hoop, vrees, dankbaarheid, oprechtheid en berouw behoren tot de innerlijke kant ervan. De uiterlijke kant krijgt juist betekenis doordat zij uit zo’n verhouding tot Allah voortkomt.

Imam al Ghazali werkt in Ihya Ulum al Din (De herleving van de religieuze wetenschappen) uitvoerig uit hoe liefde voor Allah samenhangt met kennis van Hem. Een mens houdt dieper van wat hij werkelijk leert kennen. In zijn spirituele benadering staan kennis, dankbaarheid, verlangen naar Allah en gehoorzaamheid daarom niet los van elkaar.

Dat helpt om een veelvoorkomende misvatting te vermijden. Het doel van het leven is niet dat de mens zoveel mogelijk losse religieuze handelingen verzamelt terwijl zijn hart, karakter en omgang met anderen buiten beeld blijven. De bedoeling is dat hij zich als mens tot zijn Schepper verhoudt en dat die verhouding zijn denken, verlangen en handelen vormt.

Daarom kan eerlijkheid aanbidding zijn, net als zorg voor ouders, rechtvaardigheid in handel, zorg voor kinderen, het beheersen van woede, het zoeken van nuttige kennis en het verdienen van een toegestaan inkomen. Niet omdat ieder gewoon gedrag automatisch aanbidding wordt, maar omdat toegestaan handelen met een oprechte intentie en binnen de grenzen die Allah heeft gesteld deel kan worden van gehoorzaamheid. Aanbidding heeft zo zowel een verticale als een horizontale uitwerking: zij richt de mens op Allah en vormt vervolgens de manier waarop hij met mensen, bezit, macht, tijd en zichzelf omgaat.

Aanbidding begint met weten voor Wie je leeft

De vraag naar aanbidding brengt ons bij een diepere vraag: hoe kan een mens zich bewust tot Allah richten als hij niet weet wie Allah is, waarom hij hier is en wat van hem wordt gevraagd? De islam beschouwt de mens niet als een wezen zonder oorspronkelijke ontvankelijkheid voor zijn Schepper en voor waarheid. De Koran spreekt over de aangeboren menselijke natuur (fitrah):

“Richt je daarom standvastig op de godsdienst, als iemand die zich oprecht tot de waarheid wendt: de natuurlijke aanleg waarmee Allah de mensen heeft geschapen. Er is geen verandering in de schepping van Allah. Dat is de rechte godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet.” (Soera ar Roem 30:30)

De Profeet ﷺ zei:

“Ieder kind wordt geboren volgens de natuurlijke aanleg. Daarna maken zijn ouders hem tot een jood, een christen of een magiër, zoals een dier een volkomen jong voortbrengt. Zien jullie daarin iets verminkts?” (al Boekhari, hadith 1385)

De natuurlijke aanleg betekent niet dat ieder mens bij zijn geboorte al een uitgewerkte geloofsleer bewust kent. Dit hadith laat juist zien dat opvoeding en omgeving invloed hebben. In de uitleg van veel geleerden wijst de natuurlijke aanleg erop dat de mens niet zonder oorspronkelijke ontvankelijkheid voor zijn Schepper en voor waarheid wordt geboren, terwijl die aanleg door opvoeding, gewoonten en keuzes kan worden gevormd, bedekt, versterkt of verzwakt.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Daarnaast heeft de mens verstand, waarneming en het vermogen om te leren. Maar ook die vermogens zijn begrensd. De Koran herinnert de mens eraan dat hij zijn leven niet begon met allesomvattende kennis:

“Allah bracht jullie uit de schoot van jullie moeders terwijl jullie niets wisten. Hij gaf jullie gehoor, zicht en harten, opdat jullie dankbaar zouden zijn.” (Soera an Nahl 16:78)

Het verstand is in de islam daarom kostbaar zonder tot een allesomvattende bron van kennis te worden verheven. Het kan waarnemen, vergelijken, oorzaken zoeken, argumenten beoordelen en tekenen in de schepping overdenken. Maar het kan niet uit zichzelf alles weten over het ongeziene, de precieze vorm van aanbidding, wat er na de dood gebeurt of welke morele grenzen Allah heeft vastgesteld.

Hier krijgt openbaring haar plaats. De Koran presenteert zichzelf niet als vervanging van denken, maar als leiding die het menselijke denken oriënteert:

“Voorwaar, deze Koran leidt naar wat het meest recht is en brengt de gelovigen die goede daden verrichten het goede nieuws dat voor hen een grote beloning is.” (Soera al Isra 17:9)

Op een veel lager, menselijk niveau kennen we iets vergelijkbaars wanneer ingewikkelde apparaten worden ontworpen. Een machine, voertuig of elektronisch systeem wordt doorgaans geleverd met een handleiding die uitlegt waarvoor het bedoeld is, hoe het veilig wordt gebruikt, welk onderhoud nodig is en welke handelingen schade kunnen veroorzaken. De ontwerper kent de constructie beter dan de gebruiker. De vergelijking heeft duidelijke grenzen: Allah is niet te vergelijken met Zijn schepping. Toch kan dit beeld één gedachte verduidelijken: binnen de islamitische visie is het niet vreemd dat de Schepper van de mens hem niet zonder uitleg over zijn doel en morele richting laat.

De Koran is daarbij veel meer dan een technische handleiding. Hij geeft geen schema voor ieder detail van het wereldse leven. Hij leert de mens wie zijn Heer is, wie hij zelf is, wat goed en kwaad betekent, hoe hij behoort te aanbidden, welke grenzen hem beschermen, hoe hij met anderen omgaat en waar zijn leven uiteindelijk naartoe gaat. De profetische leiding (soenna) laat bovendien zien hoe die leiding in het leven wordt toegepast.

Wie vraagt wat de islam over het doel van het leven zegt, kan die aanspraak op leiding daarom niet eerlijk beoordelen zonder zich ook met die leiding bezig te houden. Dat betekent niet dat iedere twijfelaar onwillig of onoprecht is. Mensen verschillen in opvoeding, kennis, ervaringen en in wat zij daadwerkelijk van de islam hebben leren kennen. Intellectuele openheid vraagt wel dat een antwoord wordt onderzocht voordat het wordt verworpen. Een boek kan niet voor iemand spreken die weigert het te openen; tegelijk rust op degene die het boek presenteert de verantwoordelijkheid om het eerlijk en begrijpelijk uit te leggen.

Het verstand blijft daarbij actief. Het onderzoekt, overweegt en probeert te begrijpen. Openbaring geeft het echter kennis waartoe het niet zelfstandig kan komen en corrigeert het wanneer menselijke voorkeur of beperkte waarneming tot de uiteindelijke maatstaf van de werkelijkheid wordt gemaakt.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Als de mens een doel heeft, waarom kreeg hij dan vrije wil?

Een vooraf gegeven doel lijkt op het eerste gezicht moeilijk te combineren met keuzevrijheid. Als de mens is geschapen om Allah te aanbidden, waarom kan hij dan weigeren? Het antwoord begint bij het onderscheid tussen doel en dwang.

Een mens kan voor een doel zijn geschapen zonder ertoe mechanisch gedwongen te worden. Binnen de islam krijgt zijn aardse leven juist morele betekenis doordat hij kan luisteren of afwenden, dankbaar of ondankbaar kan zijn, gehoorzamen of ongehoorzaam zijn. Zonder werkelijke verantwoordelijkheid zouden woorden als oprechtheid, geduld, berouw, trouw en rechtvaardigheid hun morele gewicht verliezen.

De Koran verbindt schepping, test, menselijke vermogens en leiding in twee korte verzen:

“Wij hebben de mens geschapen uit een gemengde druppel om hem te beproeven, en daarom gaven Wij hem gehoor en zicht. Wij hebben hem de weg gewezen, of hij nu dankbaar is of ondankbaar.” (Soera al Insaan 76:2–3)

De mens creëert de waarheid niet door te kiezen. Hij kiest hoe hij zich tot de waarheid en de leiding verhoudt. Vrijheid betekent daarom in de islam niet dat alle keuzes uiteindelijk dezelfde betekenis hebben. Zij betekent dat gehoorzaamheid pas moreel gewicht krijgt wanneer de mens werkelijk kan afwijken en dat verantwoordelijkheid verbonden is aan wat hij met zijn mogelijkheden doet.

Dat maakt ook duidelijk waarom leiding meer is dan informatie. Iemand kan een argument horen en toch weigeren er eerlijk naar te kijken. Hij kan weten dat bepaald gedrag hem schaadt en het toch blijven kiezen. Mensen worden niet uitsluitend door bewijs bewogen; trots, angst, groepsdruk, verlangen, gewoonte en eigenbelang spelen eveneens mee.

De Koran roept daarom tegelijk op tot denken en tot morele eerlijkheid. Hij prijst niet alleen intelligentie, maar ook nederigheid tegenover waarheid. Wie de werkelijkheid alleen wil aanvaarden voor zover zij zijn voorkeur bevestigt, gebruikt zijn verstand anders dan iemand die bereid is zichzelf door overtuigend bewijs te laten corrigeren.

Dat is ook waarom de islam geen eenvoudige formule leert als: “Denk lang genoeg na en je zult automatisch geloven.” Leiding is uiteindelijk van Allah, terwijl de mens verantwoordelijkheid draagt voor zijn zoeken, luisteren en reageren. Allah zegt:

“En degenen die zich voor Ons inspannen, zullen Wij zeker naar Onze wegen leiden. En Allah is werkelijk met degenen die goeddoen.” (Soera al Ankaboot 29:69)

Oprechte inspanning en goddelijke leiding staan hier niet tegenover elkaar. De mens zoekt, onderzoekt, bidt, strijdt tegen vooroordelen en probeert de waarheid te volgen; Allah is Degene die leiding schenkt.

Het leven als beproeving: niet alleen wat je bereikt, maar hoe je leeft

Wanneer de Koran het leven een test noemt, gaat het niet alleen over rampen. Allah zegt:

“Hij is Degene die de dood en het leven heeft geschapen om jullie te beproeven: wie van jullie het beste handelt. En Hij is de Almachtige, de Vergevingsgezinde.” (Soera al Moelk 67:2)

Opvallend is dat het vers niet zegt: wie het meeste bezit, de meeste invloed krijgt of het langst leeft. De maatstaf is de kwaliteit van het handelen. De vroege geleerde al Fudayl ibn Iyad legde “het beste handelen” uit als handelen dat zowel oprecht als juist is: oprecht doordat het voor Allah wordt gedaan en juist doordat het overeenstemt met de profetische leiding. Zijn uitleg onderstreept dat de test niet alleen om hoeveelheid draait, maar ook om de innerlijke bedoeling en de manier waarop een daad wordt verricht.

Beproeving is bovendien breder dan lijden. Allah zegt:

“Iedere ziel zal de dood proeven. Wij beproeven jullie met het slechte en het goede als een test, en tot Ons zullen jullie worden teruggebracht.” (Soera al Anbiya 21:35)

Het goede kan dus eveneens een test zijn. Rijkdom laat zien wat iemand met bezit doet. Macht toont hoe hij met zwakkeren omgaat. Kennis stelt de vraag of zij tot nederigheid of hoogmoed leidt. Gezondheid kan worden gebruikt voor het goede of worden verspild. Liefde, gezin, tijd, talent en maatschappelijke positie brengen allemaal verantwoordelijkheid mee.

Evenzo kan verlies zichtbaar maken wat iemand werkelijk als zijn fundament beschouwde. Dat betekent niet dat verdriet of angst een gebrek aan geloof is. De profeten kenden verdriet, verlies en gevaar. Een test is geen toneel waarop de gelovige geen menselijke emoties meer mag hebben. Het gaat om de manier waarop hij binnen die menselijkheid zijn verhouding tot Allah bewaart en probeert juist te handelen.

Hierdoor verandert ook de definitie van succes. Een gebeurtenis die vanuit werelds perspectief als mislukking voelt, kan geestelijk waardevol blijken wanneer zij geduld, berouw of morele standvastigheid voortbrengt. Omgekeerd kan een zichtbare overwinning geestelijk schadelijk zijn wanneer zij hoogmoed en onrecht voedt. Dat betekent niet dat de islam wereldse prestaties onbelangrijk vindt; zij zijn alleen niet de laatste maatstaf.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Als Allah al weet wat wij zullen doen, waarom worden wij dan getest?

Dit is een van de moeilijkste vragen die uit het begrip beproeving voortkomen. Als Allah alles weet, weet Hij dan niet al vóór een keuze wat een mens zal doen? En als Hij dat weet, waarom is er dan nog een test nodig? De islamitische uitleg begint met een onderscheid tussen kennis en dwang.

Allahs kennis is volledig en gaat aan onze handelingen vooraf. Maar het feit dat Allah weet welke keuze iemand zal maken, is niet hetzelfde als dat Hij die persoon dwingt om tegen zijn wil in die keuze te maken. Allahs kennis maakt de menselijke daad niet tot een onvrij toneelstuk waarin de mens zelf niets werkelijk doet.

De Koran spreekt daarom tegelijkertijd over Allahs kennis en over beproeving. Allah zegt:

“En Wij zullen jullie zeker beproeven totdat Wij degenen onder jullie onderscheiden die zich inspannen en geduldig zijn, en Wij zullen jullie toestand toetsen.” (Soera Mohammed 47:31)

Klassieke Koranverklaarders hebben bij zulke formuleringen uitgelegd dat zij niet betekenen dat Allah door de test kennis verwerft die Hij eerder niet bezat. Ibn Kathir legt bij dit vers uit dat Allah de dingen reeds kent voordat zij plaatsvinden; de beproeving brengt wat mensen werkelijk doen in de werkelijkheid van hun geleefde leven aan het licht.

Dat verschil is belangrijk voor rechtvaardigheid. Een mens wordt niet veroordeeld omdat Allah wist dat hij een slechte daad zou kiezen voordat hij haar beging. Zijn leven is de werkelijkheid waarin hij die keuze daadwerkelijk maakt, omstandigheden ontmoet, kansen krijgt, waarschuwingen ontvangt, berouw kan tonen en handelingen verricht waarvoor hij verantwoordelijk is.

De test is dus geen examen waarmee Allah informatie over de kandidaat probeert te verzamelen. Het is het geleefde bestaan waarin geloof, ongeloof, dankbaarheid, verzet, geduld, onrecht en berouw daadwerkelijk vorm krijgen.

Daarmee is niet ieder vraagstuk rond goddelijke voorbeschikking opgelost. De verhouding tussen Allahs wil, kennis en menselijke verantwoordelijkheid behoort tot de grote onderwerpen van de islamitische geloofsleer en is door geleerden uitvoerig besproken. Voor deze vraag is echter één onderscheid voldoende: voorafgaande kennis is niet hetzelfde als morele dwang, en de test is niet bedoeld om een gebrek in Allahs kennis aan te vullen.

De wereld als plaats van verantwoordelijkheid

Als het uiteindelijke doel bij Allah ligt en er een hiernamaals is, zou iemand kunnen denken dat deze wereld slechts iets is om zo snel mogelijk achter zich te laten. Dat is niet de islamitische houding. De wereld is niet de eindbestemming, maar zij is wel de plaats waar verantwoordelijkheid wordt geleefd.

Men kan geen eerlijkheid tonen zonder situaties waarin eerlijkheid iets kost. Men kan geen zorg voor ouders, kinderen, buren of armen tonen zonder menselijke relaties. Men kan geen rechtvaardigheid beoefenen zonder bezit, macht, afspraken en belangen. Zelfs het gebed wordt in tijd en ruimte verricht, door een lichaam dat voeding, rust en verzorging nodig heeft.

Daarom is het verkeerde alternatief niet: ofwel je leeft voor Allah, ofwel je neemt het aardse leven serieus. Juist wie voor Allah leeft, krijgt redenen om het aardse leven zorgvuldig te behandelen. Werk kan verantwoordelijkheid zijn. Kennis kan dienstbaar worden aan mensen. Handel heeft morele regels. Een huwelijk brengt rechten en plichten mee. De natuur mag niet uitsluitend als materiaal voor onbeperkte uitputting worden gezien. Wie publieke verantwoordelijkheid draagt, kan die niet losmaken van rechtvaardigheid.

Soms wordt hiervoor gesproken over het bouwen of ontwikkelen van de aarde en over menselijke verantwoordelijkheid daarin. Dat zijn waardevolle dimensies van het leven, maar zij moeten niet als een afzonderlijk hoogste scheppingsdoel naast de aanbidding van Allah worden gezet. Juist binnen aanbidding krijgen menselijke arbeid, zorg en maatschappelijke verantwoordelijkheid hun juiste plaats. De islam vraagt dus geen vlucht uit de wereld, maar ook geen verering van de wereld. De mens gebruikt haar zonder haar tot zijn hoogste doel te maken.

Werk, studie en gezinsleven binnen aanbidding

Het brede begrip van aanbidding krijgt vooral betekenis op gewone dagen. De meeste mensen brengen niet het grootste deel van hun tijd in een moskee door. Zij slapen, reizen, werken, koken, verzorgen kinderen, volgen onderwijs, doen boodschappen en lossen dagelijkse problemen op. Als aanbidding alleen uit afzonderlijke rituelen zou bestaan, zou een groot deel van het menselijke leven buiten het doel van de schepping vallen.

De islam verbindt toegestaan handelen daarom aan intentie (niyyah), manier en doel. De Profeet ﷺ zei:

“Daden worden alleen naar intenties beoordeeld, en ieder mens krijgt wat hij heeft bedoeld. Wie zijn emigratie verrichtte voor Allah en Zijn Boodschapper, diens emigratie was voor Allah en Zijn Boodschapper. En wie emigreerde om een werelds voordeel te verkrijgen of om met een vrouw te trouwen, diens emigratie was naar datgene waarvoor hij emigreerde.” (al Boekhari, hadith 1; Moeslim, hadith 1907)

Dit hadith maakt intentie belangrijk, maar niet magisch. Een goede bedoeling maakt een verboden handeling niet toegestaan. Evenmin verandert ieder neutraal gedrag automatisch in aanbidding doordat iemand er achteraf een religieuze bedoeling aan toevoegt. Intentie werkt samen met een handeling die op zichzelf toegestaan of voorgeschreven is en met een manier die de grenzen van Allah respecteert.

Daarom kan iemand studeren om nuttige kennis te verwerven en anderen te dienen. Hij kan werken om zijn gezin op toegestane wijze te onderhouden, onafhankelijk te blijven en zijn verplichtingen na te komen. Ouders kunnen de dagelijkse zorg voor hun kinderen beleven als verantwoordelijkheid tegenover Allah. Rust kan waarde krijgen wanneer zij het lichaam helpt om zijn plichten te dragen.

Dit maakt het religieuze leven niet kleiner, maar groter. Een moslim hoeft niet voortdurend te kiezen tussen “godsdienst” en “het echte leven”. Het echte leven is juist de plaats waar zijn geloof zichtbaar wordt.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Geluk is een gave, niet het hoogste doel

Veel moderne levensvisies gebruiken geluk als vanzelfsprekend eindpunt: kies wat je gelukkig maakt, bouw een leven waarin je je goed voelt, verwijder wat je rust verstoort. Er zit iets menselijks in dat verlangen. De islam beschouwt vreugde, rust, liefde en tevredenheid niet als vijanden. Zij kunnen grote gunsten zijn. Maar geluk in de betekenis van voortdurend aangename gevoelens kan moeilijk het uiteindelijke doel van een mens zijn.

Een ouder die ’s nachts voor een ziek kind zorgt, kiest soms vermoeidheid boven comfort. Iemand die eerlijk blijft terwijl bedrog winstgevender is, kan tijdelijk verlies accepteren. Wie berouw toont, moet misschien iets erkennen wat zijn ego pijn doet. Een mens kan dus juist door betekenis en verantwoordelijkheid kiezen voor iets dat op korte termijn minder plezierig is.

Daarom onderscheidt de islam innerlijke rust van een leven zonder pijn. Allah zegt:

“Degenen die geloven en van wie de harten rust vinden in het gedenken van Allah — voorwaar, in het gedenken van Allah vinden de harten rust.” (Soera ar Raad 13:28)

Die rust betekent niet dat een gelovige nooit angst, rouw, depressie, stress of onzekerheid kan ervaren. Geloof maakt de menselijke psychologie niet onkwetsbaar. Het geeft wel een diepere oriëntatie: verdriet hoeft niet betekenisloos te zijn, verlies is niet noodzakelijk het einde van hoop en succes hoeft niet de maatstaf van menselijke waarde te worden.

Ibn al Qayyim beschrijft in Madarij al Salikin (De stadia van de reizigers) hoe het hart een behoefte aan gerichtheid op Allah heeft die niet eenvoudig door drukte, bezit of gezelschap kan worden vervangen. Zijn spirituele punt is niet dat wereldse gunsten waardeloos zijn, maar dat zij niet kunnen innemen wat in het hart tot de verhouding met de Schepper behoort.

Ook de waarschuwing van de Koran over het afwenden van goddelijke herinnering moet zorgvuldig worden gelezen:

“Maar wie zich van Mijn herinnering afwendt, zal een beklemd leven hebben, en op de Dag van de Opstanding zullen Wij hem blind doen opstaan.” (Soera Taha 20:124)

Dit vers is geen eenvoudige psychologische diagnose waarmee men kan zeggen dat iedere niet-gelovige zichtbaar ongelukkig moet zijn. Een mens kan zonder geloof rijkdom, plezier, liefde, succes en momenten van diepe tevredenheid ervaren. Omgekeerd kan een gelovige zware psychische of materiële beproevingen ondergaan.

Koranverklaarders hebben de “beklemming” daarom niet beperkt tot armoede of een permanent somber gevoel. Ibn Kathir legt de nadruk op een bestaan zonder werkelijke gerustheid en zekerheid, zelfs wanneer iemand uiterlijk in comfort leeft. Andere uitlegtradities wijzen er eveneens op dat armoede op zichzelf niet de betekenis kan zijn, omdat ook profeten en vrome mensen zware materiële beproevingen hebben gekend. De waarschuwing gaat dus dieper: zij betreft het leven dat zich van goddelijke leiding afkeert en de gevolgen daarvan in deze wereld en het hiernamaals.

De islam belooft daarom niet dat geloof betekent dat een mens nooit meer pijn zal voelen. De islam geeft een andere oriëntatie: het leven hoeft niet zonder richting te zijn, ook wanneer het pijn doet.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Kan iemand zonder geloof toch betekenis in zijn leven ervaren?

Een volwassen gesprek over levensdoel moet ruimte laten voor een eenvoudige werkelijkheid: ook mensen zonder geloof in een Schepper kunnen hun leven als betekenisvol ervaren. Iemand kan diep van zijn kinderen houden, zich inzetten voor rechtvaardigheid, wetenschap beoefenen, kunst maken, een zieke verzorgen of zijn leven aan een maatschappelijke zaak wijden. Het zou zowel menselijk als intellectueel zwak zijn om al die ervaringen af te doen alsof zij voor de betrokken persoon niets betekenen.

De islamitische vraag ligt echter op een ander niveau. Er is een verschil tussen de betekenis die een mens binnen zijn leven ervaart en het uiteindelijke doel waarvoor zijn bestaan er is. Het eerste kan iemand gedeeltelijk zelf formuleren: “Ik leef voor mijn gezin”, “ik wil mensen helpen” of “ik wil kennis vergroten.” Zulke doelen kunnen oprecht en waardevol zijn. Maar zij beantwoorden nog niet noodzakelijk de vraag waarom een mens überhaupt bestaat, waarom morele verplichtingen hem uiteindelijk zouden binden en wat de betekenis van zijn leven is wanneer alles wat hij opbouwt door de dood wordt beëindigd.

De islam zegt dat de mens niet zelf de auteur is van zijn bestaan. Daarom is hij ook niet de enige bron van de uiteindelijke betekenis ervan. Zijn persoonlijke doelen kunnen belangrijk zijn, maar zij staan binnen een groter doel dat door de Schepper wordt gegeven.

Dat perspectief hoeft persoonlijke betekenis niet te vernietigen. Het kan haar juist ordenen. Liefde voor een kind wordt niet kleiner wanneer zij tegelijk als verantwoordelijkheid tegenover Allah wordt gezien. Het zoeken naar kennis wordt niet minder menselijk wanneer waarheid als gave en plicht wordt behandeld. Dienstbaarheid aan anderen hoeft niet te verdwijnen; zij krijgt een plaats binnen een morele werkelijkheid die verder reikt dan persoonlijke voorkeur.

Dit is ook waarom de islamitische uitnodiging tot geloof meer vraagt dan het winnen van een debat. Een mens moet bereid zijn te onderzoeken of zijn eigen uitgangspunten waar zijn, zoals een gelovige eveneens verplicht is zijn geloof niet op blindheid en lege gewoonte te bouwen. Eerlijk zoeken vraagt intellectuele én morele nederigheid.

Wanneer middelen zelf het levensdoel worden

Veel dingen waarvoor mensen leven zijn op zichzelf niet verkeerd. Geld is nodig. Een beroep kan waardevol zijn. Erkenning kan deuren openen. Schoonheid, ontspanning en bezit behoren tot de genoegens van het leven. Het probleem ontstaat wanneer een middel de plaats van het hoogste doel inneemt.

Wie zijn eigen waarde volledig aan carrière koppelt, kan instorten wanneer die carrière verdwijnt. Wie bezit als uiteindelijke zekerheid behandelt, ontdekt vroeg of laat dat bezit ziekte, verlies en dood niet kan beheersen. Wie voortdurend erkenning nodig heeft, maakt zijn innerlijke toestand afhankelijk van de blik van andere mensen. En wie iedere begeerte als bevel behandelt, kan uiteindelijk worden geleid door wat hij dacht zelf vrij te kiezen.

De Koran spreekt daarom niet alleen over onwetendheid, maar ook over achteloosheid, hoogmoed en het volgen van verlangens. Het probleem van de mens is niet altijd dat er geen aanwijzing bestaat; soms wil hij de aanwijzing niet laten beslissen over wat hij graag wil doen.

Hier krijgt ook Iblis, de grote verleider van de mens, zijn plaats in het islamitische mensbeeld. De Koran stelt hem niet voor als een tweede goddelijke macht die de mens tegen Allahs wil kan overnemen. Zijn werking bestaat uit oproepen, influisteren, verleiden, valse beloften doen en het verkeerde aantrekkelijk voorstellen. Uiteindelijk blijft de mens verantwoordelijk voor zijn antwoord.

De Koran laat Satan op de Dag van het Oordeel zelf zeggen:

“En wanneer de zaak beslist is, zal Satan zeggen: ‘Allah heeft jullie een ware belofte gedaan. Ik heb jullie ook iets beloofd, maar ik heb mijn belofte aan jullie gebroken. Ik had geen macht over jullie; ik heb jullie alleen geroepen en jullie hebben mij geantwoord. Verwijt het mij daarom niet, maar verwijt jezelf. Ik kan jullie niet redden en jullie kunnen mij niet redden. Ik verwerp dat jullie mij vroeger naast Allah plaatsten. Voor de onrechtvaardigen is er werkelijk een pijnlijke bestraffing.’” (Soera Ibrahim 14:22)

Dit vers voorkomt twee uitersten. De mens hoeft de kracht van verleiding niet te ontkennen; de islam neemt innerlijke strijd serieus. Maar hij kan Satan ook niet als excuus gebruiken alsof zijn eigen keuze verdwenen is.

Hetzelfde geldt voor de eigen begeerten. De ziel heeft behoeften en verlangens die niet op zichzelf slecht zijn. Honger, seksualiteit, behoefte aan veiligheid en verlangen naar waardering behoren tot het menselijke bestaan. Het probleem ontstaat wanneer verlangen niet langer wordt geleid, maar zelf de hoogste gids wordt.

Religieuze discipline is daarom niet bedoeld om de mens van zijn menselijkheid te beroven. Zij leert hem dat vrijheid niet hetzelfde is als iedere impuls gehoorzamen. Soms blijkt juist het vermogen om “nee” te zeggen tegen een sterke wens een diepere vorm van vrijheid.

Dood en hiernamaals maken het antwoord compleet

Een theorie over het doel van het leven die bij de dood stopt, laat voor de islam een beslissend deel weg. De Koran verbindt al in de vraag “dachten jullie dat Wij jullie zonder doel schiepen?” het doel van de schepping met de terugkeer naar Allah. Het menselijke leven is dus niet alleen een begin en een midden; het heeft een bestemming.

Dat geeft morele verantwoordelijkheid een horizon die groter is dan onmiddellijk resultaat. Niet ieder goed mens ontvangt in deze wereld volledige rechtvaardigheid. Niet ieder slachtoffer ziet herstel. Niet iedere onderdrukker wordt hier gestopt. Mensen sterven met onafgemaakte verhalen, onuitgesproken excuses en rechten die nooit zijn teruggegeven.

Binnen de islam is de dood daarom geen ontkenning van het doel, maar een overgang naar wat erop volgt. De mens keert terug naar zijn Schepper, wordt opgewekt en krijgt rekenschap over wat hij met zijn leven heeft gedaan. Het wereldse bestaan is belangrijk juist omdat keuzes hier niet verdwijnen alsof zij nooit hebben plaatsgevonden.

Dit verandert ook de vraag naar geluk en verlies. Wie alleen het korte aardse venster ziet, kan een offer dat geen zichtbaar resultaat oplevert als zinloos beschouwen. Wie rekening houdt met het hiernamaals, kan begrijpen dat geen oprechte daad verloren hoeft te gaan doordat mensen haar niet zagen of beloonden. Het hiernamaals maakt de wereld daarom niet onbelangrijk; het maakt wat hier gebeurt juist moreel ernstiger.

Meer over dit onderwerp? Klik hier.

Een doel dat het gewone leven verandert

De vraag “Waarom heeft Allah mij geschapen?” krijgt uiteindelijk pas betekenis wanneer het antwoord het dagelijkse leven binnengaat. De mens begint zijn leven zonder kennis en ontvangt stap voor stap vermogens, kansen en relaties. De Koran noemt gehoor, zicht en hart in dezelfde adem als dankbaarheid. Dat is veelzeggend: leven wordt niet alleen beschreven als iets wat de mens bezit, maar als iets waarop hij kan antwoorden.

Dankbaarheid gaat daarom verder dan het opsommen van prettige omstandigheden. Zij begint bij het erkennen dat de mens zichzelf niet heeft gemaakt. Hij heeft zijn bestaan niet uit het niets aan zichzelf gegeven. Hij koos zijn eerste adem niet, bouwde zijn eigen bewustzijn niet vóór hij bestond en bepaalde niet zelf de fundamentele voorwaarden waardoor hij kon leren, liefhebben en zoeken.

Voor een gelovige kan daaruit een diepere vorm van dankbaarheid groeien: niet alleen dankbaarheid voor wat hij in zijn leven heeft ontvangen, maar ook voor het feit dat hij überhaupt tot bestaan is gebracht en de mogelijkheid heeft gekregen zijn Schepper te kennen. Allah zegt:

“En toen jullie Heer bekendmaakte: ‘Als jullie dankbaar zijn, zal Ik jullie zeker meer geven. Maar als jullie ondankbaar zijn, dan is Mijn bestraffing werkelijk streng.’” (Soera Ibrahim 14:7)

Dat betekent niet dat hij ieder moment van het leven prettig moet vinden. Een mens kan zijn bestaan als gave erkennen en tegelijk huilen om verlies, pijn ervaren, bang zijn of vragen hebben die tijd nodig hebben. Dankbaarheid is geen verbod op verdriet.

Zij krijgt haar diepte wanneer kennis van Allah groeit. Wie in de Koran leest over Zijn schepping, voorziening, rechtvaardigheid, barmhartigheid en kennis, en vervolgens in de wereld en in zichzelf nadenkt over afhankelijkheid, orde, kwetsbaarheid en leven, kan zijn bestaan steeds minder als een geïsoleerd toeval gaan zien. Kennis, liefde voor Allah, dankbaarheid en gehoorzaamheid staan daarbij niet los van elkaar: wat het hart werkelijk leert kennen, kan ook de manier veranderen waarop het liefheeft en leeft.

De menselijke kennis blijft altijd beperkt. De mens kan de grootheid van Allah niet omvatten. Hij kent zelfs de schepping maar gedeeltelijk, laat staan de Schepper volledig. Nederigheid tegenover die grens is geen oproep om te stoppen met denken; zij is erkenning dat een eindig verstand niet de maatstaf van alle werkelijkheid kan zijn.

De Koran roept juist tot overdenking op. Tekenen in de kosmos, in het leven en in de mens zelf worden niet gepresenteerd om nieuwsgierigheid te doven, maar om haar te verdiepen. De gelovige wordt gevraagd te kijken, te luisteren, te leren en zich af te vragen wat die werkelijkheid over zijn plaats zegt. Allah zegt:

“Voorwaar, in de schepping van de hemelen en de aarde en in de afwisseling van nacht en dag zijn tekenen voor mensen met inzicht. Zij gedenken Allah terwijl zij staan, zitten en op hun zij liggen, en zij denken na over de schepping van de hemelen en de aarde: ‘Onze Heer, U hebt dit niet zonder doel geschapen. Verheven bent U. Bescherm ons daarom tegen de bestraffing van het Vuur.’” (Soera Ali Imran 3:190–191)

Hier worden denken en gedenken niet tegenover elkaar geplaatst. Het verstand kijkt naar de schepping, terwijl het hart de Schepper niet uit het oog verliest. De conclusie van die overdenking is bovendien dezelfde lijn waarmee dit artikel begon: dit alles is niet zonder doel geschapen.

Zo ontstaat een beweging die in het islamitische mensbeeld telkens terugkeert: de mens wordt geschapen, maar niet doelloos. Hij ontvangt een natuurlijke aanleg en verstand, maar wordt niet aan verstand alleen overgelaten. Hij ontvangt openbaring, maar wordt niet gedwongen haar te volgen. Hij krijgt keuzevrijheid, maar niet zonder verantwoordelijkheid. Hij ontmoet verleiding, maar niet zonder mogelijkheid tot verzet. Hij wordt getest, maar niet omdat Allah iets over hem moet ontdekken. Hij leeft in de wereld, maar de wereld is niet zijn laatste bestemming.

Wie zich eerlijk voor leiding opent, tegen zijn trots en verlangens strijdt, nadenkt over de tekenen van Allah en de geopenbaarde leiding probeert te volgen, kan daardoor steeds dieper leren waarvoor hij leeft. Dat proces is niet alleen intellectueel. Waar kennis werkelijkheid wordt, kan zij liefde, eerbied, vertrouwen, verlangen en dankbaarheid voortbrengen.

Daarmee verandert ook aanbidding. Zij is niet langer alleen een antwoord op de vraag “wat moet ik doen?”, maar op de vraag “voor Wie leef ik?” Het gebed wordt dan geen onderbreking van het echte leven, maar een terugkeer naar het centrum ervan. Werk is niet alleen inkomen, gezin niet alleen emotionele vervulling, bezit niet alleen zekerheid en kennis niet alleen status. Alles krijgt een plaats zonder zelf de hoogste plaats in te nemen.

En juist daar ligt een van de diepste antwoorden die de islam geeft op de vraag waarom de mens is geschapen: hij is niet uit het niet-bestaan tot leven gebracht om enkele tientallen jaren verlangens na te jagen en vervolgens te verdwijnen. Hij is geschapen om zijn Heer te kennen en te aanbidden, om binnen vrijheid en verantwoordelijkheid het goede te kiezen, om door leiding te groeien en uiteindelijk naar Allah terug te keren.

Voor de gelovige kan dat inzicht de oorspronkelijke vraag langzaam omvormen. “Waarom ben ik geschapen?” blijft dan niet alleen een filosofisch probleem waarop een antwoord moet worden gevonden. Het kan uitmonden in verwondering en dankbaarheid: dat hij bestaat, dat hij kan kennen, dat hij na fouten kan terugkeren, dat hij leiding kan ontvangen en dat zijn leven een bestemming heeft die verder reikt dan de dood.

De waarde van die overtuiging ligt niet in het ontkennen van de moeilijkheden van het bestaan. Zij ligt erin dat zelfs binnen die moeilijkheden het bestaan niet zonder richting hoeft te zijn. De mens is niet aan zichzelf overgelaten. Hij heeft een Schepper, een doel, leiding, verantwoordelijkheid en een terugkeer. En naarmate kennis uitgroeit tot zekerheid en zekerheid tot liefde en hoop, kan de mens niet alleen begrijpen waarom hij leeft, maar ook steeds dieper beseffen waarom het feit dat Allah hem tot bestaan heeft gebracht zelf een reden tot dankbaarheid is.

Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.

Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam

Lees Begrijp Islam makkelijker
Installeer de app en open artikelen direct vanaf je startscherm.