Een gevoelige vraag die eerlijk beantwoord moet worden
Sommige mensen lezen vertalingen van de Koran en krijgen de indruk dat de Koran hard spreekt over mensen die geen moslim zijn. Zij zien woorden als ongeloof, dwaling, afgoderij of waarschuwingen voor de Hel, en vragen zich af: beledigt de Koran mensen die niet tot de islam behoren? Leert de Koran moslims om neer te kijken op anderen? Of gaat het om iets anders?
Deze vraag is belangrijk, vooral voor moslims en mensen die geen moslim zijn in Nederland, België en Vlaanderen. Moslims leven hier met buren, collega’s, klasgenoten, familieleden, artsen, leraren en medeburgers die verschillende overtuigingen hebben. Als de Koran verkeerd wordt gelezen, kan dat leiden tot afstand, wantrouwen, harde taal of zelfs een gevaarlijk gevoel van religieuze superioriteit. Als de Koran te oppervlakkig wordt verdedigd, verdwijnt juist de ernst van zijn boodschap.
Het eerlijke antwoord is: de Koran beledigt mensen niet omdat zij simpelweg mens zijn of omdat een moslim hen persoonlijk mag vernederen. De Koran spreekt wel duidelijk en soms streng over ongeloof, afgoderij, onrecht, hoogmoed, huichelarij en het bewust afwijzen van de waarheid. Dat is geen oproep om mensen te beschimpen, maar een openbaring die geloof en ongeloof, waarheid en dwaling, recht en onrecht niet gelijkstelt.
De Koran combineert twee zaken: duidelijke waarheid en rechtvaardige omgang. Hij verzwakt de waarheid niet om mensen tevreden te stellen, maar hij geeft moslims ook geen toestemming om mensen te vernederen, te bespotten of onrecht aan te doen.
Het korte antwoord: kritiek is niet hetzelfde als belediging
Wanneer de Koran een overtuiging afwijst, betekent dat niet automatisch dat hij een mens als mens beledigt. Er is een verschil tussen het beoordelen van een geloofsovertuiging, een houding of een daad, en het ontkennen van menselijke waardigheid.
De Koran zegt duidelijk dat de mens geschapen is met eer en verantwoordelijkheid. Allah (God) zegt: “En Wij hebben de kinderen van Adam zeker geëerd. Wij hebben hen gedragen over land en zee, Wij hebben hen van de goede dingen voorzien en Wij hebben hen duidelijk boven velen van wat Wij geschapen hebben bevoorrecht.” (Soera al Isra 17:70)
Dit vers spreekt over de kinderen van Adam in algemene zin. De menselijke waardigheid is dus geen bezit van één volk, één ras of één sociale groep. Tegelijk betekent menselijke waardigheid niet dat elke overtuiging waar is of dat elke daad goed is. De Koran kan de mens eren als schepsel en tegelijk zijn ongeloof, onrecht of hoogmoed scherp bekritiseren.
Daarom is de vraag niet alleen: gebruikt de Koran soms sterke taal? Ja, dat doet de Koran. De diepere vraag is: waarvoor gebruikt hij die taal, tegen wie is zij gericht, en mag een moslim die taal veranderen in persoonlijke belediging? Het antwoord op dat laatste is nee.
Het verschil tussen de mens en zijn overtuiging
In het islamitische begrip is de mens geen dier, geen voorwerp en geen waardeloze massa. Hij is een schepsel van Allah, verantwoordelijk, aanspreekbaar en geroepen tot aanbidding van zijn Schepper. Daarom wordt hij in de Koran serieus genomen. Juist omdat de mens waardigheid en verantwoordelijkheid heeft, wordt hij aangesproken op geloof, keuzes, woorden en daden.
De Koran spreekt dus niet over mensen die geen moslim zijn alsof zij allemaal één soort groep zijn met één karakter en één lot in deze wereld. Hij spreekt over verschillende houdingen: mensen die zoeken, mensen die twijfelen, mensen die onrecht doen, mensen die bestrijden, mensen die vreedzaam leven, mensen van het Boek, afgodenaanbidders in specifieke historische situaties, huichelaars binnen de moslimgemeenschap en mensen die de waarheid bewust verwerpen nadat die duidelijk voor hen is geworden.
Wanneer deze verschillen verdwijnen, ontstaat misverstand. Dan lijkt het alsof elk streng vers over een vijandige of hoogmoedige groep automatisch op elke mens die geen moslim is in elke tijd en plaats wordt geplakt. Dat is geen eerlijke manier van lezen.
Een moslim mag dus niet zeggen: “De Koran gebruikt sterke woorden, dus ik mag mensen uitschelden.” De Koran is openbaring. De mens is geen openbaring. Een moslim moet de Koran begrijpen volgens kennis, context, rechtvaardigheid en de profetische leiding (soenna), niet volgens woede, trots of sociale media.
Welke woorden zorgen vaak voor misverstanden?
Een belangrijk deel van de verwarring komt door vertaling. In het Nederlands worden woorden soms hard of vlak vertaald, waardoor de diepere betekenis verdwijnt. Daarom is het belangrijk om enkele begrippen zorgvuldig te begrijpen.
Het woord ongeloof (kufr) betekent in de Koran niet simpelweg een neutraal administratief label voor iedereen die geen moslim is. Het heeft te maken met het bedekken, ontkennen of afwijzen van de waarheid. Afhankelijk van de context kan het gaan om duidelijke verwerping, ondankbaarheid tegenover Allah, het afwijzen van openbaring, of het zich afkeren van wat men als waarheid heeft herkend.
Afgoderij (shirk) betekent dat iets of iemand naast Allah wordt geplaatst in aanbidding, goddelijke eigenschappen of ultieme afhankelijkheid. De Koran beschouwt dit als een ernstige aantasting van de eenheid van Allah, maar dat betekent niet dat een moslim mensen mag mishandelen of vernederen die deze overtuiging hebben.
Huichelarij (nifaq) betekent dat iemand uiterlijk geloof toont maar innerlijk ongeloof, vijandschap of bedrog verbergt. Opvallend is dat dit begrip juist vaak wordt gebruikt voor mensen binnen de zichtbare moslimgemeenschap. Dat laat zien dat de Koran niet alleen “anderen” aanspreekt, maar ook moslims waarschuwt voor innerlijk verval.
Dwaling betekent dat iemand afwijkt van leiding. Ook dat is geen straatwoord om mensen mee uit te schelden. Het is een religieuze en morele beoordeling die vraagt om kennis, voorzichtigheid en context.
Wat betekent ongeloof in de Koran?
Ongeloof (kufr) is in de Koran geen scheldwoord dat een moslim naar willekeur mag gebruiken. Het is een ernstige religieuze beschrijving. De Koran gebruikt het in verschillende betekenissen en contexten. Soms gaat het over het bewust verwerpen van Allah en Zijn tekenen. Soms over ondankbaarheid. Soms over het bestrijden van de waarheid. Soms over het bedekken van wat men eigenlijk weet.
Daarom moet een moslim voorzichtig zijn. Niet iedere persoon die geen moslim is, heeft dezelfde kennis, dezelfde toegang tot de boodschap, dezelfde innerlijke houding of dezelfde verantwoordelijkheid in detail. Allah kent de harten, de omstandigheden, de ontvangen boodschap en de mate van duidelijkheid.
Dit betekent niet dat de islam de grens tussen geloof en ongeloof laat verdwijnen. De islam leert duidelijk dat het geloof in Allah, Zijn openbaring en Zijn Boodschapper waar is. Maar het betekent wel dat moslims niet achteloos met zware woorden omgaan en mensen niet op straat, op school, op het werk of online vernederen met religieuze termen.
De taal van de Koran is waarheidstaal. Wanneer mensen die taal gebruiken zonder kennis, nederigheid en rechtvaardigheid, veranderen zij haar in ruwe menselijke taal. Dat is niet de bedoeling van openbaring.
Niet iedereen draagt dezelfde verantwoordelijkheid voor wat hij niet wist
Een belangrijke islamitische regel is dat Allah volmaakt rechtvaardig is. Hij weet wie de boodschap duidelijk heeft ontvangen, wie alleen een vertekend beeld heeft gezien, wie nooit werkelijk heeft begrepen wat de islam leert, en wie de waarheid herkende maar haar uit trots of eigenbelang afwees.
Daarom mag een moslim niet doen alsof hij het uiteindelijke oordeel over elk individueel mens in handen heeft. De Koran leert dat Allah niet straft zonder dat de boodschap is gekomen en de verantwoordelijkheid is gevestigd.
Allah (God) zegt: “En Wij bestraffen niet voordat Wij een boodschapper hebben gezonden.” (Soera al Isra 17:15)
Dit vers leert een fundamentele balans. De Koran waarschuwt ernstig tegen ongeloof en afwijzing van Allah, maar Allah oordeelt met volledige kennis en volledige rechtvaardigheid. Een mens die nooit een zuivere uitleg van de islam heeft gehoord, of de islam alleen heeft leren kennen via vervorming, propaganda, slechte voorbeelden of verwarring, is niet hetzelfde als iemand die de waarheid helder herkende en haar bewust verwierp.
Dit betekent niet dat moslims de waarheid moeten relativeren. Het betekent dat zij nederig moeten blijven over het oordeel van Allah. De taak van moslims is niet om het uiteindelijke lot van individuele mensen vast te leggen, maar om de boodschap eerlijk, wijs en met goed karakter over te brengen. Het oordeel over de harten, de ontvangen boodschap en de uiteindelijke bestemming behoort aan Allah.
Spreekt de Koran over alle mensen die geen moslim zijn op dezelfde manier?
Nee. De Koran spreekt niet over alle mensen die geen moslim zijn op één manier. Dit is een van de belangrijkste sleutels voor het onderwerp.
Soms spreekt de Koran over mensen die de waarheid bestrijden en moslims vervolgen. Soms over mensen van het Boek, zoals joden en christenen. Soms over afgodenaanbidders in de Mekkaanse en Arabische context. Soms over mensen die niet vechten en geen vijandschap tonen. Soms over leiders van onrecht. Soms over gewone mensen. Soms over mensen die nooit werkelijk zijn geconfronteerd met een duidelijke uitleg van de waarheid.
Wie deze verschillen negeert, leest de Koran alsof elk vers over elke mens die geen moslim is gaat. Dat is onjuist. Een vers over oorlog is niet hetzelfde als een vers over buren. Een vers over bewuste vijandschap is niet hetzelfde als een vers over vreedzaam samenleven. Een vers over hoogmoedige afwijzing is niet hetzelfde als een situatie waarin iemand de islam nauwelijks kent of alleen vertekende informatie heeft ontvangen.
Allah (God) zegt: “Allah verbiedt jullie niet om goed en rechtvaardig te zijn tegenover degenen die jullie niet bestrijden vanwege de godsdienst en jullie niet uit jullie huizen verdrijven. Voorwaar, Allah houdt van de rechtvaardigen.” (Soera al Moemtahana 60:8)
Dit vers is fundamenteel. Het maakt duidelijk dat de Koran niet leert dat moslims onvriendelijk, oneerlijk of hard moeten zijn tegen mensen die geen moslim zijn. Integendeel: goedheid en rechtvaardigheid worden bevestigd.
Menselijke waardigheid en theologische waarheid
Sommige mensen denken dat er maar twee mogelijkheden zijn: of je zegt dat alle overtuigingen even waar zijn, of je beledigt mensen. De Koran volgt geen van beide. Hij bevestigt menselijke waardigheid, maar hij stelt overtuigingen niet allemaal gelijk.
De islam leert dat de aanbidding van Allah alleen de waarheid is. Hij wijst afgoderij, ongeloof en het ontkennen van openbaring af. Maar deze theologische helderheid betekent niet dat de menselijke waardigheid van anderen verdwijnt. Iemand die geen moslim is, kan recht hebben op eerlijkheid, veiligheid, goede omgang, bescherming tegen onrecht, respectvolle taal en correcte behandeling.
Dit onderscheid is belangrijk in een pluralistische samenleving. Een moslim hoeft zijn geloof niet te verdunnen om vriendelijk te zijn. En hij hoeft niet hard of beledigend te zijn om trouw te blijven aan zijn geloof. Hij kan duidelijk zijn in overtuiging en rechtvaardig in omgang.
Dat is precies de balans die de Koran leert: waarheid zonder hoogmoed, respect zonder geloofsverwatering, duidelijke overtuiging zonder onrecht.
Rechtvaardigheid tegenover mensen met wie wij verschillen
De Koran verbindt geloof sterk met rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid is niet alleen verplicht wanneer mensen ons aardig vinden, onze overtuiging delen of tot onze groep behoren. Rechtvaardigheid blijft verplicht, ook wanneer er spanning, verschil of afkeer bestaat.
Allah (God) zegt: “O jullie die geloven, wees standvastig voor Allah als getuigen van rechtvaardigheid. En laat de haat tegenover een volk jullie er niet toe brengen om onrechtvaardig te zijn. Wees rechtvaardig; dat is dichter bij godsvrees. En vrees Allah. Voorwaar, Allah is volledig op de hoogte van wat jullie doen.” (Soera al Maida 5:8)
Dit vers is buitengewoon belangrijk. Het verbiedt dat negatieve gevoelens leiden tot onrecht. Zelfs wanneer er haat of diepe spanning bestaat tussen groepen, blijft rechtvaardigheid verplicht. Hoe kan een moslim dan denken dat gewone buren, collega’s, klasgenoten of medeburgers vernederd mogen worden omdat zij geen moslim zijn?
Wie dit vers begrijpt, ziet dat de Koran geen vrijbrief geeft voor groepshaat. De Koran roept op tot trouw aan Allah, en trouw aan Allah betekent rechtvaardigheid.
Goedheid, omgang en samenleven
De Koran spreekt niet alleen over overtuiging, maar ook over omgang. Moslims worden niet opgevoed om hardvochtig te zijn. Zij worden opgevoed tot eerlijkheid, betrouwbaarheid, geduld, barmhartigheid, goede woorden en het nakomen van rechten.
In Nederland, België en Vlaanderen is dit geen theoretisch onderwerp. De meeste moslims leven dagelijks samen met mensen die geen moslim zijn: op school, in ziekenhuizen, op de werkvloer, in winkels, in buurten, in families en in publieke instellingen. Een moslim die de Koran goed begrijpt, gebruikt zijn geloof niet om onfatsoen te rechtvaardigen. Hij begrijpt dat zijn gedrag een getuigenis is.
De eerste betekenisvolle les ligt in het voorbeeld van Profeet Mohammed ﷺ (vrede zij met hem). Hij was in zijn omgang met mensen geen ruwe belediger. Hij nodigde uit, verduidelijkte, waarschuwde, sloot verdragen, sprak met delegaties, handelde eerlijk en droeg onrecht met geduld wanneer dat nodig was. Zijn voorbeeld laat zien hoe de Koran geleefd wordt: met waarheid én karakter.
Daarom kan een moslim een overtuiging afwijzen en toch de persoon correct behandelen. Hij kan theologisch duidelijk zijn en sociaal rechtvaardig. Hij kan geloven dat de islam de waarheid is en toch zijn buur die geen moslim is helpen, zijn collega eerlijk behandelen en zijn familielid met respect aanspreken.
Waarom gebruikt de Koran soms harde taal?
De Koran is geen boek dat alleen spreekt om mensen te bevestigen in wat zij al prettig vinden. Hij is leiding. Leiding corrigeert, waarschuwt en confronteert. Wanneer de Koran harde taal gebruikt, is dat vaak om een diepe geestelijke ziekte bloot te leggen: hoogmoed, ondankbaarheid, onrecht, bewuste afwijzing, hypocrisie, afgoderij of het bespotten van de waarheid.
Sterke taal is in de Koran niet hetzelfde als vulgaire belediging. Het is morele en geestelijke diagnose. Een arts die zegt dat een ziekte ernstig is, beledigt de patiënt niet; hij benoemt het gevaar. De Koran benoemt de toestand van het hart en de gevolgen van keuzes, omdat de mens anders in slaap kan blijven.
Maar de moslim moet hier zeer voorzichtig zijn. Het feit dat de Koran soms streng spreekt, betekent niet dat iedere moslim op elk moment streng moet spreken. De Koran spreekt met goddelijke kennis. De mens spreekt met beperkte kennis, emoties, haast en persoonlijke zwakheden. Daarom moet de moslim leren wanneer hij spreekt, hoe hij spreekt en met welke bedoeling hij spreekt.
Allah (God) zegt: “Nodig uit tot de weg van jouw Heer met wijsheid en goede vermaning, en discussieer met hen op de beste wijze. Voorwaar, jouw Heer weet het beste wie van Zijn weg is afgedwaald, en Hij weet het beste wie geleid zijn.” (Soera an Nahl 16:125)
Dit vers leert dat uitnodiging tot Allah niet gebeurt door belediging, maar door wijsheid, goede vermaning en de beste manier van spreken.
Is scherpe kritiek hetzelfde als belediging?
Scherpe kritiek is niet automatisch belediging. Elke diepe overtuiging maakt onderscheid tussen waarheid en onwaarheid, goed en kwaad, leiding en dwaling. Ook buiten religie doen mensen dit. Een samenleving kan racisme afwijzen zonder elke racist als mens buiten het recht te plaatsen. Een arts kan roken schadelijk noemen zonder de roker als mens waardeloos te maken. Een rechter kan een daad veroordelen zonder de dader willekeurig te mishandelen.
De Koran bekritiseert ongeloof, afgoderij, onrecht en hoogmoed omdat deze zaken volgens de islam ernstig zijn. Dat is inhoudelijke en morele kritiek. Belediging is iets anders: iemand vernederen om hem te breken, hem uitlachen, zijn waardigheid ontkennen, hem onrecht aandoen of religieuze woorden gebruiken om trots te tonen.
Daarom moet een moslim leren onderscheiden tussen waarheid spreken en mensen beschadigen. Waarheid heeft geen grofheid nodig om waar te zijn. En vriendelijkheid hoeft de waarheid niet te verbergen om vriendelijk te blijven.
Wat met verzen waarin sommige mensen met dieren worden vergeleken?
Een van de gevoeligste onderwerpen zijn verzen waarin de Koran bepaalde mensen vergelijkt met dieren of spreekt over mensen die niet werkelijk horen, zien of begrijpen. Zulke verzen worden soms aangehaald om te beweren dat de Koran mensen ontmenselijkt.
Een eerlijke lezing vraagt om context. De Koran gebruikt zulke vergelijkingen niet als straattaal waarmee moslims mensen mogen uitschelden. Het gaat om geestelijke en morele waarschuwingen. De mens heeft oren, ogen en een hart, maar hij kan die vermogens weigeren te gebruiken voor waarheid. Hij kan zien zonder te willen begrijpen. Hij kan horen zonder te willen luisteren. Hij kan denken, maar zijn denken onderwerpen aan begeerte, trots of groepsdruk.
Allah (God) zegt: “En Wij hebben zeker velen van de djinn en de mensen voor de Hel geschapen. Zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen, zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen. Zij zijn als vee; nee, zij zijn nog verder afgedwaald. Zij zijn degenen die achteloos zijn.” (Soera al Araf 7:179)
Dit vers is streng, maar het is geen toestemming voor een moslim om mensen te vernederen. Het beschrijft een ernstige toestand van achteloosheid en het uitschakelen van de vermogens waarmee men leiding kan herkennen. De waarschuwing is bovendien niet alleen voor “anderen”. Ook een moslim moet vrezen dat zijn hart hard wordt, dat hij hoort zonder te handelen, en dat hij religie kent zonder zich eraan te onderwerpen.
Daarom moet zo’n vers leiden tot nederigheid, niet tot arrogantie. Wie het gebruikt om anderen te bespotten, heeft de waarschuwing niet goed begrepen.
De Koran waarschuwt moslims ook streng
Een belangrijk punt wordt vaak vergeten: de Koran spreekt niet alleen streng over mensen buiten de islam. Hij waarschuwt ook moslims. Hij waarschuwt voor huichelarij, roddel, hoogmoed, onrecht, gierigheid, begeerte, ongehoorzaamheid, hardheid van het hart, verdeeldheid en het zeggen van wat men niet doet.
Allah (God) zegt: “O jullie die geloven, laat geen volk een ander volk bespotten; misschien zijn zij beter dan zij. En laat geen vrouwen andere vrouwen bespotten; misschien zijn zij beter dan zij. En beledig elkaar niet en geef elkaar geen slechte bijnamen. Slecht is de naam van verdorvenheid na het geloof. En wie geen berouw toont, zij zijn de onrechtplegers.” (Soera al Hoedjoerat 49:11)
Dit vers is direct gericht tot gelovigen. Het verbiedt bespotting, belediging en vernederende bijnamen. Als moslims onderling al zo streng worden opgevoed tegen minachting en spot, hoe kunnen zij dan denken dat geloof hen toestemming geeft om anderen achteloos te vernederen?
De Koran wil geen gemeenschap vormen die religieuze taal gebruikt om zichzelf boven mensen te verheffen. Hij wil harten vormen die Allah vrezen, rechtvaardig spreken en hun tong beheersen.
De moslim moet eerst zijn eigen verantwoordelijkheid zien
Een ernstig misverstand ontstaat wanneer een moslim zichzelf vooral ziet als iemand die over anderen oordeelt, maar vergeet dat hij zelf onder het oordeel van Allah staat. De Koran spreekt streng over ongeloof, maar hij spreekt ook streng over moslims die liegen, onrecht doen, huichelen, hun gebeden verwaarlozen, mensen kwetsen of hun geloof gebruiken als uiterlijk masker.
Allah (God) zegt: “Voorwaar, de huichelaars bevinden zich in de laagste diepte van het Vuur, en jij zult voor hen geen helper vinden.” (Soera an Nisa 4:145)
Dit vers laat zien dat uiterlijke aansluiting bij de moslimgemeenschap op zichzelf geen bescherming is tegen het oordeel van Allah. Een mens kan zichzelf moslim noemen en toch door huichelarij, onrecht of bedrog in groot gevaar verkeren. Daarom mag een moslim nooit hoogmoedig naar anderen kijken alsof zijn eigen toestand vanzelf veilig is.
Het is mogelijk dat iemand buiten de islam nooit een heldere en eerlijke uitleg van de boodschap heeft ontvangen, terwijl een moslim die in zijn buurt leeft wel wist dat hij moest spreken met goed karakter, maar zweeg, slecht gedrag toonde of de islam afstotelijk maakte door zijn houding. Het uiteindelijke oordeel is aan Allah, maar deze gedachte moet de moslim wakker maken: hij is niet alleen toeschouwer van de fouten van anderen; hij is zelf verantwoordelijk voor zijn geloof, zijn karakter en zijn bijdrage aan het beeld dat mensen van de islam krijgen.
Wanneer religieuze woorden verkeerd worden gebruikt
Een gevaarlijk misbruik van religieuze taal ontstaat wanneer woorden uit de Koran worden losgemaakt uit hun betekenis en gebruikt worden om mensen te vernederen, jongeren af te zonderen of een gevoel van religieuze superioriteit te voeden. Vooral jonge moslims kunnen hierdoor in verwarring raken wanneer zij geen stevige kennis hebben van de Koran, de profetische leiding en de islamitische omgangsvormen (adab).
Het begint vaak niet met geweld, maar met taal. Mensen worden eerst gereduceerd tot labels. Daarna worden zij voorgesteld als vijanden. Daarna wordt hardheid gepresenteerd als geloof. Een jongere kan dan gaan denken dat hij pas “sterk” in zijn geloof is wanneer hij ruw spreekt, afstand neemt van iedereen en anderen voortdurend indeelt in vijandige categorieën.
De weg van de Koran is anders. De Koran leert duidelijke overtuiging, maar ook rechtvaardigheid, geduld, wijsheid en goede omgang. De Koran waarschuwt tegen ongeloof, maar verbiedt onrecht. De Koran benoemt dwaling, maar gebiedt uitnodiging met wijsheid. De Koran ontmaskert hoogmoed, maar verbiedt de gelovige zelf hoogmoedig te worden.
Daarom is het corrigeren van dit misbruik geen verzwakking van de islam. Het is juist bescherming van de islam tegen een harde en onwetende uitleg die jongeren kan beschadigen, families kan breken en de boodschap van de Koran kan vervormen.
Het voorbeeld van de Profeet ﷺ
De manier waarop de Profeet ﷺ met mensen omging, is onmisbaar om de Koran goed te begrijpen. Hij was de ontvanger van de openbaring en de beste uitlegger ervan door zijn woorden, daden en karakter.
Een bekend voorbeeld gaat over een begrafenis. Er kwam een begrafenisstoet voorbij, en de Profeet ﷺ stond op. Toen tegen hem werd gezegd dat het de begrafenis van een Jood was, antwoordde hij met woorden die de menselijke waardigheid diep raken: “Was het dan geen ziel?” Overgeleverd door al Boekhari en Moeslim.
Deze overlevering betekent niet dat religieuze verschillen onbelangrijk zijn. Zij betekent wel dat het mens-zijn niet verdwijnt door verschil in geloof. De Profeet ﷺ zag in die gestorven persoon niet alleen een label, maar een ziel. Dit is een belangrijk tegenwicht tegen ruwe, groepsgerichte taal.
De Profeet ﷺ kon ongeloof afwijzen, afgoderij bestrijden en de waarheid van de islam verkondigen, terwijl hij tegelijk rechtvaardig, waardig en beheerst bleef in zijn omgang. Dat is de profetische balans die moslims nodig hebben.
Mensen van het Boek en gesprek op de beste wijze
De Koran spreekt op verschillende manieren over de mensen van het Boek, vooral joden en christenen. Soms prijst hij bepaalde eigenschappen van sommige groepen onder hen, soms corrigeert hij overtuigingen, soms bekritiseert hij onrecht, en soms roept hij op tot gesprek.
Allah (God) zegt: “En redetwist niet met de mensen van het Boek behalve op de beste wijze, behalve met degenen onder hen die onrecht doen. En zeg: Wij geloven in wat aan ons is neergezonden en in wat aan jullie is neergezonden. Onze God en jullie God is één, en aan Hem onderwerpen wij ons.” (Soera al Ankabut 29:46)
Dit vers is bijzonder belangrijk. Het bevestigt verschil, maar verbiedt ruwe omgang in discussie. De moslim moet niet alleen vragen of zijn argument klopt, maar ook of zijn manier van spreken klopt. De waarheid mag niet gedragen worden met arrogantie.
Voor moslims in Europa is dit zeer praktisch. Veel gesprekken over geloof vinden plaats met christenen, joden, atheïsten, agnosten of mensen zonder duidelijke religieuze identiteit. De Koran leert niet dat zulke gesprekken gevoerd moeten worden met spot en vernedering, maar met duidelijke inhoud en een goede manier van spreken.
Theologische waarheid en burgerlijke omgang
Een belangrijke verwarring ontstaat wanneer mensen denken dat theologische overtuiging automatisch dezelfde gevolgen moet hebben als sociale of burgerlijke omgang. De islam zegt duidelijk dat geloof en ongeloof niet gelijk zijn bij Allah. Maar dat betekent niet dat de rechten van mensen in de wereld verdwijnen.
Iemand die geen moslim is, kan recht hebben op veiligheid, eerlijkheid, goede behandeling, bescherming tegen onrecht, het nakomen van afspraken, correcte betaling, respectvolle communicatie en hulp in nood. Dat zijn geen gunsten die een moslim uit persoonlijke sympathie geeft. Het zijn onderdelen van rechtvaardigheid en goed karakter.
Daarom kan een moslim zeggen: ik geloof dat de islam de waarheid is, en tegelijk: ik zal mijn buur die geen moslim is niet bedriegen. Ik zal mijn collega niet vernederen. Ik zal mijn docent of leerling eerlijk behandelen. Ik zal mijn familielid niet met religieuze termen kwetsen. Ik zal niemand onrecht aandoen omdat Allah rechtvaardigheid liefheeft.
Deze balans is noodzakelijk voor een gezonde moslimaanwezigheid in Nederland, België en Vlaanderen. Zonder deze balans worden sommige moslims hard en afstotend. Maar zonder duidelijke overtuiging wordt het geloof vaag en inhoudsloos. De Koran vraagt om beide: helderheid in waarheid en rechtvaardigheid in omgang.
Ruimte voor uitleg, dialoog en goed voorbeeld
Moslims in Nederland, België en Vlaanderen leven in samenlevingen waarin veel ruimte bestaat voor religieuze vrijheid, culturele uitleg, onderwijs, gesprek en maatschappelijke betrokkenheid. Dat schept niet alleen rechten, maar ook verantwoordelijkheid.
Wanneer mensen de islam niet kennen, of vooral kennen via angstbeelden, politieke discussies, negatieve mediafragmenten of slecht gedrag van sommige moslims, dan is een rustige en betrouwbare uitleg nodig. Dat kan gebeuren via websites, lessen, open gesprekken, buurtcontacten, jongerenwerk, publicaties, lezingen, goede omgang op het werk en eenvoudige dagelijkse betrouwbaarheid.
De beste uitleg van de islam is niet alleen een tekst. Het is ook een houding. Een moslim die eerlijk handelt, zijn buren respecteert, afspraken nakomt, vriendelijk spreekt en vragen rustig beantwoordt, kan soms meer misverstanden wegnemen dan iemand die alleen harde woorden gebruikt.
Dit betekent niet dat elke moslim een geleerde moet zijn of voortdurend discussies moet voeren. Maar het betekent wel dat moslims niet mogen bijdragen aan verwarring door slechte manieren, ruwe taal of onwetendheid. In een open samenleving is het verlaten van het goede voorbeeld een gemiste kans en soms een zware verantwoordelijkheid.
Hoe mogen moslims vandaag over mensen die geen moslim zijn spreken?
Moslims moeten hun taal bewaken. Het is niet juist om religieuze woorden als scheldwoorden te gebruiken. Woorden als ongelovige, ongeloof (kufr), afgoderij (shirk) of huichelarij (nifaq) hebben religieuze betekenis. Zij mogen niet worden gebruikt als wapens om mensen te vernederen in ruzies, online discussies of sociale spanningen.
Vooral jongeren kunnen hierin fouten maken. Soms nemen zij woorden over uit video’s, discussies of harde preken zonder kennis van betekenis, context en islamitische omgangsvormen. Zij denken dan dat hard spreken gelijkstaat aan sterk geloof. Maar sterk geloof blijkt niet alleen uit woorden. Het blijkt uit gebed, eerlijkheid, nederigheid, kennis, geduld, goede omgang en het vermijden van onrecht.
Een moslim mag duidelijk zeggen dat hij de islam als waarheid ziet. Hij mag uitleggen waarom hij afgoderij afwijst. Hij mag zeggen dat de Koran waarschuwt voor ongeloof. Maar hij moet dat doen met kennis, wijsheid en respectvolle taal. Wie mensen wil uitnodigen tot Allah, moet niet beginnen met het breken van hun waardigheid.
Misbruik door islamcritici en door sommige moslims
Dit onderwerp wordt van twee kanten misbruikt. Sommige islamcritici nemen verzen uit hun context en presenteren de Koran alsof hij alle mensen die geen moslim zijn zonder onderscheid beledigt of ontmenselijkt. Zij negeren verzen over menselijke waardigheid, rechtvaardigheid, goedheid en gesprek op de beste wijze. Zo ontstaat een karikatuur van de Koran.
Aan de andere kant zijn er ook moslims die religieuze woorden op een ruwe manier gebruiken. Zij nemen termen die in de Koran en islamitische leer een diepe betekenis hebben, en veranderen ze in slogans, scheldwoorden of groepslabels. Daarmee beschadigen zij het beeld van de islam en handelen zij in strijd met de verfijnde omgang die de Koran en de Profeet ﷺ leren.
Een eerlijke benadering corrigeert beide fouten. De Koran mag niet worden vervalst door vijandige selectie. Maar hij mag ook niet worden misbruikt door moslims die hun eigen hardheid verwarren met geloof.
Hoe lees je zulke verzen eerlijk?
Wie de Koran eerlijk wil lezen, moet niet alleen losse woorden verzamelen. Hij moet vragen stellen die recht doen aan de tekst.
Wat is de volledige zin? Wat staat ervoor en erna? Over wie gaat het vers? Gaat het over geloof, oorlog, verraad, sociale omgang, huichelarij, afgoderij, hoogmoed of algemene menselijke leiding? Is het een beschrijving, een waarschuwing, een juridische regel of een morele les? Hoe verhoudt dit vers zich tot andere verzen over rechtvaardigheid, goedheid en menselijke waardigheid?
Dit is geen manier om moeilijke verzen weg te verklaren. Het is juist de manier om ze serieus te nemen. Een tekst wordt niet eerlijker gelezen door hem uit zijn verband te halen. En een geloof wordt niet sterker verdedigd door alle moeilijke vragen te vermijden.
Voor een moslim is de Koran één geheel. De verzen die ongeloof bekritiseren horen bij de verzen die rechtvaardigheid bevelen. De verzen die waarschuwen voor de Hel horen bij de verzen die de deur van berouw openen. De verzen die dwaling benoemen horen bij de verzen die uitnodigen met wijsheid.
Waarom deze vraag belangrijk is in Nederland en België
In Nederland, België en Vlaanderen groeien moslimjongeren op in een omgeving met veel overtuigingen. Zij horen op school over vrijheid, gelijkheid, mensenrechten en diversiteit. Tegelijk lezen zij in de Koran duidelijke woorden over geloof, ongeloof, leiding en dwaling. Zonder goede uitleg kunnen zij in verwarring raken.
Sommigen kunnen denken dat respect voor anderen betekent dat je geen duidelijke islamitische overtuiging meer mag hebben. Anderen kunnen denken dat trouw aan de islam betekent dat je hard, afstandelijk of minachtend moet spreken over mensen die geen moslim zijn. Beide conclusies zijn verkeerd.
De juiste weg is dat een moslim zijn geloof helder kent en zijn karakter bewaakt. Hij hoeft zich niet te schamen dat de Koran waarheid en onwaarheid onderscheidt. Maar hij moet zich wel schamen als hij de Koran gebruikt als excuus voor slechte manieren, arrogantie of onrecht.
Een volwassen islamitische houding in Europa vraagt om kennis, innerlijke rust en goede taal. Moslims moeten leren dat zij tegelijk stevig en vriendelijk kunnen zijn, principieel en rechtvaardig, duidelijk en menselijk.
De Koran leert geen minachting, maar verantwoordelijkheid
De Koran beledigt mensen niet omdat zij mens zijn, en hij leert moslims niet om mensen die geen moslim zijn te vernederen. Hij spreekt wel helder over de ernst van ongeloof, afgoderij, onrecht, hoogmoed en het afwijzen van leiding. Dat hoort bij zijn functie als openbaring.
Wie de Koran eerlijk leest, ziet dat hij de mens aanspreekt als verantwoordelijk wezen. Hij prijst geloof, waarschuwt tegen dwaling, gebiedt rechtvaardigheid, verbiedt onrecht, erkent menselijke waardigheid en roept op tot spreken met wijsheid. Deze elementen horen samen.
Daarom is de vraag niet alleen of de Koran harde woorden gebruikt. De diepere vraag is of wij die woorden begrijpen zoals zij bedoeld zijn. Als een moslim de Koran gebruikt om mensen te vernederen, heeft hij de Koran niet goed begrepen. Als iemand de Koran beschuldigt door alleen losse harde woorden te tonen en alle verzen over rechtvaardigheid en waardigheid te negeren, leest hij ook niet eerlijk.
De Koran wil de mens niet leren om trots neer te kijken op anderen. Hij wil hem leren om de waarheid te erkennen, zichzelf te zuiveren, rechtvaardig te zijn en Allah te vrezen in wat hij gelooft, zegt en doet. Wie dat begrijpt, ziet dat de Koran geen boek van belediging is, maar een boek van leiding, waarschuwing, rechtvaardigheid en barmhartigheid.
ــــــــــــــــــــــــــــــــــــ
• Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan ≡ of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam





