In het eerste deel werd het verloop van de nachtelijke reis (Isra) en de hemelreis (Miraj) gevolgd: van Mekka via Jeruzalem en de Verre Moskee (al Aqsamoskee) naar de zeven hemelen en terug naar Mekka. Daar kwamen de belangrijkste gebeurtenissen aan bod: al Buraq, het gebed met de eerdere profeten, de ontmoetingen in de hemelen, het Vaak Bezochte Huis, de boom aan de uiterste grens en de verplichting van de vijf dagelijkse gebeden.
Isra en Miraj behoren tot de vaststaande wonderen uit het leven van Profeet Mohammed ﷺ (vrede en zegeningen zij met hem). De Koran bevestigt de nachtelijke reis naar al Aqsamoskee en de authentieke profetische overleveringen beschrijven de hemelreis en haar belangrijkste gebeurtenissen. De reis was geen gewoon menselijk avontuur, maar een teken dat Allah aan Zijn boodschapper schonk en een gebeurtenis die het gebed blijvend met het dagelijkse leven van de moslimgemeenschap verbond.
Rond sommige onderdelen ontstonden vragen die de geleerden uitvoerig hebben besproken. Ging de Profeet ﷺ met lichaam en ziel op reis? Hoe konden eerdere profeten in Jeruzalem en in de hemelen aanwezig zijn? Zag hij Allah, of verwijzen de verzen uit soera an Najm naar engel Djibril? En hoe moet onderscheid worden gemaakt tussen de authentiek overgeleverde kern en bekende details die via andere routes, latere verhalen of populaire voorstellingen zijn verspreid?
Die vragen raken de uitleg van de gebeurtenis, niet haar goddelijke werkelijkheid. De geleerden waren het breed eens over de kern van Isra en Miraj, terwijl zij bij enkele onderdelen verschillende verklaringen gaven. Een zorgvuldige behandeling bewaart daarom twee zaken tegelijk: de zekerheid van het wonder en de nauwkeurigheid waarmee afzonderlijke overleveringen en interpretaties worden besproken.
Gebeurden Isra en Miraj met lichaam en ziel?
De meeste geleerden van de profetische overleveringen (hadithgeleerden), Koranverklaarders en islamitische theologen gingen ervan uit dat de nachtelijke reis en de hemelreis in wakende toestand met lichaam en ziel plaatsvonden. Volgens deze uitleg bleef het lichaam van de Profeet ﷺ niet in Mekka achter terwijl alleen zijn ziel reisde. Allah bracht Zijn dienaar werkelijk naar Jeruzalem en verhief hem daarna naar de hemelen.
Een belangrijk argument is de formulering waarmee de Koran de nachtelijke reis opent. Allah (God) zegt: “Verheven is Degene Die Zijn dienaar in de nacht van de Gewijde Moskee naar de Verre Moskee bracht, waarvan Wij de omgeving hebben gezegend, om hem enkele van Onze tekenen te laten zien. Hij is werkelijk de Alhorende, de Alziende.” (Soera al Isra 17:1).
Veel uitleggers wezen erop dat het woord “dienaar” de mens in zijn geheel omvat. Ook het berijden en vastbinden van al Buraq, het gebed in Jeruzalem, de reis door de hemelen en de ondervraging door de Qoeraisj werden door hen gelezen als aanwijzingen voor een werkelijke reis.
De reactie in Mekka ondersteunt deze uitleg. Een gewone droom over Jeruzalem of de hemelen zou waarschijnlijk niet dezelfde ontzetting hebben veroorzaakt. De Qoeraisj reageerden zo scherp omdat de Profeet ﷺ vertelde dat hij in één nacht werkelijk naar Jeruzalem was gebracht en teruggekeerd. Zij vroegen hem daarom de stad te beschrijven en probeerden zijn bericht aan herkenbare details te toetsen.
Sommige vroege geleerden verbonden deze uitleg ook met een ander vers. Allah zegt: “En toen Wij tot jou zeiden: ‘Jouw Heer omvat de mensen.’ Wij maakten het visioen dat Wij jou lieten zien slechts tot een beproeving voor de mensen, evenals de vervloekte boom in de Koran. Wij waarschuwen hen, maar het doet hen alleen maar toenemen in grote opstandigheid.” (Soera al Isra 17:60).
Abdoellah ibn Abbas (Abdullah ibn Abbas), moge Allah tevreden met hem zijn, verklaarde: “Het waren beelden die met de ogen werden gezien en die aan de Boodschapper van Allah ﷺ werden getoond in de nacht waarin hij werd meegenomen.” (Overgeleverd door al Boekhari).
Naast deze breed gedragen uitleg zijn vroege uitspraken overgeleverd waarin de reis als een geestelijke waarneming of een reis van de ziel werd beschreven. Aan Aisja bint Aboe Bakr (Aisha bint Abi Bakr), moge Allah tevreden met haar zijn, wordt in vroege levensbeschrijvingen een uitspraak toegeschreven dat het lichaam van de Profeet ﷺ zijn plaats niet verliet en dat Allah hem met zijn ziel liet reizen.
Hadithgeleerden verschilden over de ketens en de precieze betekenis van zulke berichten. Sommigen wezen erop dat Aisja de gebeurtenis niet zelf had meegemaakt en haar kennis daarover van anderen moet hebben ontvangen. Anderen namen haar uitspraak serieus als uitleg van de aard van de reis, zonder de gebeurtenis zelf te ontkennen.
De geleerden maakten daarom soms onderscheid tussen een gewone droom, een werkelijke geestelijke ervaring en een reis met lichaam en ziel in wakende toestand. De meerderheid koos voor de laatste uitleg. Zij beschouwde Isra en Miraj als een werkelijk wonder dat Allah met Zijn volledige dienaar liet plaatsvinden.
Eén wonderbare nacht
De bekendste en meest verbreide uitleg gaat uit van één wonderbare nacht. De Profeet ﷺ werd vanuit Mekka naar al Aqsamoskee gebracht, bad daar, steeg door de hemelen en keerde vervolgens naar Mekka terug.
De overleveringen beschrijven die gebeurtenis niet allemaal in exact dezelfde volgorde. Sommige beginnen bij de Kaaba, andere noemen het onoverdekte gedeelte naast de Kaaba of een toestand tussen slapen en waken. De keuze tussen melk en wijn wordt niet in iedere route op hetzelfde moment genoemd. Ook de opening en reiniging van de borst worden in sommige overleveringen kort genoemd en in andere uitvoeriger beschreven.
Die verschillen hoeven niet te betekenen dat Isra en Miraj meerdere keren plaatsvonden. Een verteller kon bepaalde onderdelen weglaten, terwijl een andere verteller hetzelfde voorval vanuit een ander onderwerp ordende. De ene overlevering legt de nadruk op het gebed, de andere op de profeten in de hemelen en een derde op de opening van de hemelpoorten.
Sommige geleerden hielden wel rekening met de mogelijkheid dat een droom of geestelijke voorbereiding aan de werkelijke reis voorafging. Daarmee konden zij formuleringen over slapen en waken verbinden met de overleveringen die een lichamelijke reis beschrijven. Zij zagen zo’n voorbereiding echter niet noodzakelijk als een afzonderlijke Isra en Miraj.
De meest gangbare samenhangende uitleg blijft daarom dat de grote reis in één nacht plaatsvond. De gebeurtenis was één, terwijl de verschillende overleveringsroutes ieder een gedeelte, een volgorde of een betekenislaag ervan bewaren.
De profeten in Jeruzalem en de hemelen
Tijdens de nachtelijke reis leidde de Profeet ﷺ eerdere profeten in het gebed in Jeruzalem. In de hemelen ontmoette hij onder anderen Adam, Isa, Jahja, Joesoef, Idris, Haroen, Moesa en Ibrahim, vrede zij met hen.
Daaruit ontstaat een begrijpelijke vraag: hoe konden profeten die eeuwen eerder waren overleden in Jeruzalem en in de hemelen aanwezig zijn, terwijl hun graven zich op aarde bevinden?
De islamitische bronnen onderscheiden het aardse leven van het leven in de tussenwereld (barzakh). Met de dood verandert de verhouding van een mens tot zijn lichaam, zijn omgeving en de aardse tijd ingrijpend. Zijn bestaan houdt daarmee niet op. De tussenwereld behoort tot het ongeziene en hoeft niet te beantwoorden aan de regels waarmee mensen hun gewone aardse leven ervaren.
Over profeet Moesa (Musa) is een authentieke overlevering bewaard die dit vraagstuk nog scherper maakt. De Profeet ﷺ zei: “In de nacht waarin ik werd meegenomen, kwam ik langs Moesa bij de rode zandheuvel, terwijl hij in zijn graf stond te bidden.” (Overgeleverd door Moeslim).
Tijdens dezelfde reis ontmoette hij Moesa in de zesde hemel. Daar verwelkomde Moesa hem en adviseerde hij hem later om verlichting te vragen voor zijn gemeenschap. De overleveringen presenteren zijn gebed in het graf en zijn aanwezigheid in de hemel niet als tegenstrijdige berichten.
Sommige geleerden spraken daarom over een bijzonder leven dat de profeten in hun graven hebben. Anderen benadrukten dat hun zielen in een passende gedaante konden verschijnen. Weer anderen zeiden dat de Profeet ﷺ hen werkelijk ontmoette, terwijl de wijze waarop tot de geheimen van de ongeziene wereld behoort.
De bronnen geven geen volledig schema waarin wordt uitgelegd hoe graf, ziel, lichaam, tussenwereld en hemel zich precies tot elkaar verhouden. De ontmoeting wordt bevestigd, maar de wijze ervan wordt niet volledig beschreven. Het is daarom niet nodig een gedetailleerde voorstelling te maken van hoe de profeten zich vanuit hun graven naar Jeruzalem of de hemelen verplaatsten.
Uit deze uitzonderlijke ontmoeting kan evenmin worden afgeleid dat ieder mens naar eigen keuze met overleden profeten of andere overledenen kan spreken. Isra en Miraj waren een bijzonder wonder dat Allah aan Zijn boodschapper schonk, geen algemene methode om iedere latere droom of bewering over contact met de doden te bevestigen.
De samenkomst van de profeten draagt vooral een diepe betekenis. Zij worden niet voorgesteld als concurrerende stichters van losstaande religies. Hun bijeenkomst in Jeruzalem en hun verwelkoming van de laatste boodschapper tonen de eenheid van de oorsprong van hun boodschap. Het voorgaan van de Profeet ﷺ in het gebed wijst volgens veel uitleggers tegelijk op de voltooiing van de profetische reeks en zijn verantwoordelijkheid voor de laatste gemeenschap.
Soera an Najm en de waarneming bij de uiterste grens
Een van de bekendste vragen rond de hemelreis betreft de verzen van soera an Najm. Allah zegt: “En hij zag hem werkelijk nog een tweede keer, bij de boom aan de uiterste grens, waar de Tuin van het Verblijf zich bevindt, toen de boom werd bedekt door wat haar bedekte. Zijn blik week niet af en ging de grens niet te buiten. Hij zag werkelijk enkele van de grootste tekenen van zijn Heer.” (Soera an Najm 53:13–18).
De verzen noemen een tweede waarneming, maar geleerden verschilden over de verwijzing van het voornaamwoord “hem”. Een sterke vroege uitleg stelt dat de Profeet ﷺ Djibril in zijn oorspronkelijke gedaante zag.
Aisja, moge Allah tevreden met haar zijn, verklaarde dat de Profeet ﷺ Djibril tweemaal zag in de omvangrijke vorm waarin Allah hem had geschapen. Zij vertelde dat de Profeet ﷺ over deze verzen zei: “Dat was Djibril. Ik zag hem niet in de gedaante waarin hij geschapen werd, behalve bij deze twee gelegenheden. Ik zag hem uit de hemel neerdalen, terwijl de grootheid van zijn gestalte de ruimte tussen hemel en aarde vulde.” (Overgeleverd door Moeslim).
Ook Abdoellah ibn Masoed (Abdullah ibn Masud), moge Allah tevreden met hem zijn, en verschillende vroege Koranverklaarders verbonden de verzen met Djibril. De eerste waarneming vond volgens deze uitleg plaats aan de duidelijke horizon, terwijl de tweede bij de boom aan de uiterste grens plaatsvond. Het zien van Djibril in zijn oorspronkelijke vorm was zelf een van de grote tekenen die de Profeet ﷺ aanschouwde.
Van Ibn Abbas zijn daarnaast uitspraken overgeleverd waarin hij spreekt over een waarneming met het hart. Hij zei: “Hij zag Hem met zijn hart.” (Overgeleverd door Moeslim).
In een andere overlevering wordt vermeld dat het hart van de Profeet ﷺ tweemaal zag. Sommige geleerden begrepen dit als een innerlijke waarneming van Allah. Anderen verklaarden dat het om een bijzondere kennis en zekerheid ging die niet gelijkstond aan lichamelijk zien met de ogen.
De verschillende uitspraken hoeven niet allemaal op hetzelfde voorwerp van waarneming te slaan. De verzen van soera an Najm kunnen volgens een sterke uitleg betrekking hebben op het zien van Djibril, terwijl de uitspraken van Ibn Abbas een andere vorm van innerlijke waarneming of zekerheid beschrijven.
Zag de Profeet ﷺ Allah?
De vraag of de Profeet ﷺ Allah tijdens de hemelreis zag, werd al onder de metgezellen besproken. Aisja wees de opvatting dat hij Allah met zijn lichamelijke ogen zag krachtig af. Zij verwees naar Koranverzen waarin staat dat de blikken Allah niet kunnen omvatten en dat Allah tot mensen spreekt door openbaring, van achter een bedekking of door een boodschapper te zenden.
Aboe Dharr al Ghifari (Abu Dharr al Ghifari), moge Allah tevreden met hem zijn, vroeg de Profeet ﷺ rechtstreeks naar deze kwestie. Hij vertelde: “Ik vroeg de Boodschapper van Allah ﷺ: ‘Hebt u uw Heer gezien?’ Hij antwoordde: ‘Hij is licht; hoe zou ik Hem kunnen zien?’” (Overgeleverd door Moeslim).
In een andere authentieke formulering antwoordde de Profeet ﷺ: “Ik zag licht.” (Overgeleverd door Moeslim).
Een grote groep geleerden concludeerde hieruit dat de Profeet ﷺ Allah niet met zijn lichamelijke ogen zag, maar licht of een bedekking van licht aanschouwde. Zij brachten deze overleveringen samen met de uitspraken van Aisja en met de uitleg dat de verzen uit soera an Najm betrekking hebben op Djibril.
Andere geleerden aanvaardden op basis van de berichten van Ibn Abbas een waarneming met het hart. Volgens hen ontving de Profeet ﷺ een innerlijke waarneming en zekerheid die hoger waren dan gewone kennis, zonder dat zij gelijkstonden aan het zien van een geschapen voorwerp met de ogen.
Een kleinere groep bevestigde een werkelijke waarneming met de ogen. Zij beriep zich op algemenere uitspraken die aan Ibn Abbas zijn toegeschreven en op de bijzondere verheffing van de Profeet ﷺ. Tegelijk benadrukten zij dat het zien van Allah niet mag worden vergeleken met de manier waarop geschapen lichamen worden gezien.
Ook de betekenis van nabijheid werd besproken. Verzen over naderen en een afstand van twee booglengten werden door veel vroege uitleggers verbonden met Djibril en de Profeet ﷺ. Andere geleerden zagen daarin een bijzondere nabijheid tot Allah.
Islamitische theologen benadrukten daarbij dat Allah niet wordt omsloten door ruimte en niet op een meetbare afstand van een schepsel staat. Nabijheid tot Allah mag daarom niet worden voorgesteld als het verkleinen van een fysieke afstand tussen twee lichamen. Veel geleerden verklaarden haar als nabijheid in eer, rang, openbaring, kennis en goddelijke aanvaarding.
De teksten bevestigen dus dat de Profeet ﷺ bij de boom aan de uiterste grens grote tekenen aanschouwde. Over de precieze aard van het zien van Allah bestonden onder de metgezellen en latere geleerden verschillende verklaringen. Dat verschil verandert niets aan de zekerheid van de reis of aan de verheven rang die de Profeet ﷺ tijdens haar bereikte.
Waar eindigde de begeleiding van Djibril?
In veel preken wordt verteld dat Djibril bij de boom aan de uiterste grens stopte en tegen de Profeet ﷺ zei: “Als ik nog één stap verderga, zal ik verbranden.” De Profeet ﷺ zou daarna alleen verder zijn gegaan.
De authentieke kernoverleveringen bevestigen dat Djibril de Profeet ﷺ door de hemelen begeleidde en hem naar de boom aan de uiterste grens bracht. Daar zag de Profeet ﷺ grote tekenen, ontving hij openbaring en werden de dagelijkse gebeden verplicht gesteld.
De bekende uitspraak over het verbranden wordt in verschillende latere werken vermeld. Sommige geleerden namen zulke berichten op in uitvoerige beschrijvingen van de hemelreis. Andere hadithgeleerden beoordeelden de beschikbare ketens als onvoldoende sterk om de precieze woorden met zekerheid aan Djibril of de Profeet ﷺ toe te schrijven.
Het bericht hoeft daarom niet als verzonnen voorstelling te worden behandeld, maar het behoort evenmin zonder toelichting als vaststaande authentieke hadith te worden geciteerd. Nauwkeuriger is te zeggen dat sommige overleveringen en latere beschrijvingen een grens noemen die Djibril niet overschreed, terwijl de sterkste kernteksten de bekende zin over het verbranden niet bevatten.
Ook de formulering dat de Profeet ﷺ “de plaats van Allah binnenging” is onzorgvuldig. Allah bevindt zich niet in een ruimte die een reiziger kan binnengaan. De Profeet ﷺ werd tot een uitzonderlijke rang verheven, zag grote tekenen en ontving openbaring. De precieze werkelijkheid daarvan behoort tot het ongeziene.
De grenzen van menselijke kennis maken deel uit van dit onderwerp. Het feit dat een detail niet volledig is uitgelegd, geeft geen toestemming om de hiaten met dramatische gesprekken, ruimtelijke kaarten of lichamelijke voorstellingen te vullen.
Waarom liep de reis via Jeruzalem?
Wanneer Isra en Miraj uitsluitend worden voorgesteld als een opstijging naar de hemel, kan Jeruzalem gaan lijken op een toevallige tussenhalte. De Koran maakt de Verre Moskee echter tot een wezenlijk onderdeel van de gebeurtenis.
Jeruzalem en het omliggende heilige land waren verbonden met de geschiedenis van vele profeten. Ibrahim, Moesa, Dawud, Soelaiman, Zakaria, Jahja en Isa, vrede zij met hen, zijn ieder op een eigen manier met dit gebied verbonden. De reis van Mekka naar al Aqsamoskee bracht de laatste boodschapper naar een plaats die deel uitmaakte van dezelfde geschiedenis van openbaring en aanbidding.
Het gebed met de eerdere profeten liet de eenheid van hun boodschap zien. Zij riepen hun gemeenschappen op tot de aanbidding van Allah alleen, hoewel hun wetten en historische omstandigheden van elkaar verschilden. Het voorgaan van Mohammed ﷺ werd door veel geleerden begrepen als teken van zijn positie als laatste profeet en van de voltooiing van de profetische reeks.
Die voltooiing betekende niet dat de eerdere profeten terzijde werden geschoven. De hemelreis toont juist erkenning en verbondenheid. Zij verwelkomden de Profeet ﷺ, baden om het goede voor hem en namen een betekenisvolle plaats in zijn reis in. Moesa gaf bovendien advies dat rechtstreeks leidde tot verlichting voor de laatste gemeenschap.
Al Aqsamoskee was ook verbonden met de eerste gebedsrichting van de moslims. Na de emigratie naar Medina bad de gemeenschap nog een periode in de richting van Jeruzalem, totdat de gebedsrichting naar de Kaaba werd veranderd. De verandering maakte Mekka tot het blijvende middelpunt van het islamitische gebed, maar hief de religieuze betekenis van Jeruzalem niet op.
De nachtelijke reis, de eerste gebedsrichting en het gebed met de profeten vormen samen een diepe verbinding tussen Mekka en Jeruzalem. Die verbinding ontstond niet als reactie op moderne politieke conflicten. Zij behoort tot de vroege islamitische openbaring en tot de manier waarop de islam zichzelf binnen de geschiedenis van de profeten plaatst.
Voor moslims in Nederland, België en Vlaanderen is het belangrijk deze religieuze betekenis helder uit te leggen zonder haar te reduceren tot hedendaagse slogans. De verbondenheid met al Aqsamoskee is religieus en historisch. Zij verplicht tegelijk tot rechtvaardigheid, waardigheid en eerbied voor het leven en de rechten van anderen. Een heilige plaats wordt niet geëerd door onrecht in haar naam te rechtvaardigen.
Het gebed als blijvende gave van Isra en Miraj
De verplichting van de vijf dagelijkse gebeden werd volgens de breed aanvaarde overleveringen tijdens de hemelreis opgelegd. De eerste moslims kenden al vóór Isra en Miraj vormen van gebed, neerknieling en aanbidding, maar tijdens deze reis kregen de vijf dagelijkse gebeden hun blijvende verplichting voor de gemeenschap.
Daarmee kreeg het gebed een uitzonderlijke plaats binnen het islamitische leven. Andere voorschriften werden door openbaring op aarde bekendgemaakt, terwijl de vijf dagelijkse gebeden verbonden werden aan de verheffing van de Profeet ﷺ en het aanschouwen van de grote tekenen.
Soms wordt gezegd dat het gebed “zonder enige tussenpersoon” rechtstreeks werd gegeven. Die formulering wil de bijzondere eer van het moment uitdrukken, maar de teksten geven geen volledige beschrijving van de wijze waarop de openbaring daar plaatsvond. Nauwkeuriger is te zeggen dat Allah de vijf dagelijkse gebeden tijdens de hemelreis verplicht stelde.
De vermindering van vijftig naar vijf betekent niet dat Allah eerst een verplichting oplegde waarvan Hij de zwaarte niet kende. Allah kende de draagkracht van de gemeenschap volledig. De opeenvolgende vermindering maakte Zijn barmhartigheid zichtbaar en gaf tegelijk een eervolle plaats aan de ervaring van Moesa.
Moesa had zijn eigen gemeenschap geleid en kende de moeilijkheden waarmee mensen bij omvangrijke verplichtingen te maken konden krijgen. Zijn advies was geen bezwaar tegen het bevel van Allah, maar een vorm van zorg voor de gemeenschap van zijn broeder in het profeetschap. De Profeet ﷺ luisterde naar hem en vroeg om verlichting.
De uiteindelijke vorm verbindt verplichting en genade. De moslim verricht vijf dagelijkse gebeden, maar ontvangt volgens de authentieke overlevering de beloning van vijftig. Het aantal werd verlicht zonder dat de oorspronkelijke beloning verloren ging.
Bij de boom aan de uiterste grens ontving de Profeet ﷺ volgens een authentieke overlevering bovendien de laatste verzen van soera al Baqara en de vergeving van zware zonden voor degenen uit zijn gemeenschap die sterven zonder iets naast Allah te aanbidden.
Die vergeving betekent niet dat zonden onschadelijk zijn, dat berouw overbodig wordt of dat iedere gelovige verzekerd is van onmiddellijke vrijstelling van verantwoording. Geleerden legden uit dat iemand die zonder afgoderij (shirk) sterft onder de wil van Allah valt. Allah kan hem vergeven of hem voor bepaalde zonden ter verantwoording roepen, terwijl zijn uiteindelijke bestemming niet dezelfde is als die van iemand die bewust in afgoderij sterft.
De hemelreis bracht zo verplichting, draagkracht en hoop samen. De mens wordt geroepen tot dagelijkse aanbidding, maar niet boven zijn vermogen belast. Hij wordt gewaarschuwd voor zonde, maar de deur van berouw en vergeving blijft open.
Is het gebed de Miraj van de gelovige?
De uitspraak “het gebed is de Miraj van de gelovige” wordt vaak als hadith aangehaald. Zij drukt een begrijpelijke geestelijke vergelijking uit: de gelovige onderbreekt tijdens het gebed zijn dagelijkse bezigheden en richt zich tot Allah.
Sommige hadithgeleerden konden voor deze precieze formulering geen voldoende sterke overleveringsketen vaststellen. De uitspraak bleef echter in latere spirituele en educatieve werken bekend als beeldspraak voor de verheffende betekenis van het gebed.
Zij kan daarom als latere vergelijking worden genoemd, zolang niet zonder toelichting wordt beweerd dat de formulering met zekerheid een authentieke profetische hadith is. De gelovige onderneemt tijdens het gebed bovendien geen eigen lichamelijke hemelreis. Hij nadert Allah door aanbidding, nederigheid en gehoorzaamheid.
Ook het populaire verhaal dat de begroeting in het gebed een letterlijk gesprek zou weergeven tussen Allah, de Profeet ﷺ en de engelen tijdens Miraj, wordt in latere verhalen vermeld. Sommige geleerden namen het op als betekenisvolle uitleg, terwijl hadithgeleerden voor de precieze dialoog geen algemeen aanvaarde sterke keten vaststelden.
De gebedstekst is via de profetische leiding (soenna) onderwezen en bezit haar waarde zonder dat haar oorsprong afhankelijk wordt gemaakt van een betwiste beschrijving van een hemels gesprek.
Geloof en zorgvuldigheid horen bij elkaar
Isra en Miraj doorbraken de grenzen van de gewone menselijke ervaring. De afstand tussen Mekka en Jeruzalem, de terugkeer in dezelfde nacht en de reis door de hemelen werden niet bereikt met de gebruikelijke middelen van een reiziger uit de zevende eeuw. Zij vonden plaats door de macht en wil van Allah.
Geloof in deze goddelijke werkelijkheid betekent niet dat iedere later doorgegeven vertelling zonder onderzoek dezelfde status krijgt. Dezelfde islamitische wetenschap die Isra en Miraj bevestigde, ontwikkelde nauwkeurige methoden om overleveraars, ketens, teksten en historische ontmoetingen te onderzoeken.
Niet ieder detail heeft daarom dezelfde overleveringssterkte. De nachtelijke reis naar al Aqsamoskee wordt rechtstreeks in de Koran genoemd. De hemelreis, de ontmoetingen met de profeten, het Vaak Bezochte Huis, de boom aan de uiterste grens en de verplichting van de vijf dagelijkse gebeden zijn via meerdere authentieke overleveringen bewaard.
Daarnaast bestaan hadiths en andere overleveringen waarvan sommige hadithgeleerden de keten als zwak beoordeelden, terwijl andere geleerden aanvullende routes zwaarder lieten wegen, het bericht als ondersteunend beschouwden, het in hun werken vermeldden of de betekenis ervan aanvaardbaar vonden.
Een zwakke beoordeling is een wetenschappelijk oordeel over de mate waarin een tekst via een bepaalde keten met zekerheid kan worden toegeschreven. Zij betekent niet automatisch dat de overlevering verzonnen is of dat de beschreven gebeurtenis onmogelijk heeft plaatsgevonden. Evenmin betekent de opname in een historisch of spiritueel werk dat ieder woord dezelfde status heeft als een hadith uit de sterkste verzamelingen.
Daarom zijn nauwkeurige formuleringen nodig. Er kan worden gezegd dat sommige hadithgeleerden een keten zwak beoordeelden, terwijl andere geleerden het bericht vermeldden, ondersteund achtten of op grond van meerdere routes accepteerden. Zo wordt het verschil eerlijk weergegeven zonder één beoordeling als vanzelfsprekende einduitspraak te presenteren.
Naast zulke betwiste overleveringen ontstonden duidelijke latere voorstellingen. Al Buraq kreeg in afbeeldingen soms vleugels en een menselijk gezicht. De rots in Jeruzalem werd voorgesteld als een steen die achter de Profeet ﷺ wilde opstijgen en daarna in de lucht bleef hangen. Zulke visuele en literaire toevoegingen behoren niet automatisch tot de profetische beschrijving.
Ook verschenen lijsten waarin vrijwel iedere zonde aan een afzonderlijke straf tijdens de hemelreis werd gekoppeld. Sommige afzonderlijke scènes zijn via hadiths of andere overleveringen doorgegeven en door geleerden verschillend beoordeeld. De lange samengestelde lijsten die in populaire preken circuleren, vormen echter niet vanzelfsprekend één volledige authentieke profetische tekst.
Islamitische gedichten, verhalen en Mirajboeken ontwikkelden daarnaast een rijke literaire wereld. Vooral in Perzische, Turkse en Zuid-Aziatische tradities werden de reis, de engelen en de hemelen uitvoerig beschreven en soms afgebeeld. Deze werken zijn belangrijk voor de geschiedenis van islamitische literatuur en spiritualiteit, maar hun culturele invloed bepaalt niet op zichzelf de overleveringssterkte van ieder detail.
Een zorgvuldige behandeling maakt daarom duidelijk wanneer de lezer een Koranvers, een authentieke hadith, een anders beoordeelde overlevering, een uitleg van geleerden of een latere literaire voorstelling voor zich heeft. Dat onderscheid beschermt de verhevenheid van het oorspronkelijke wonder.
De zeven hemelen en de zichtbare kosmos
De zeven hemelen behoren volgens de Koran en de profetische overleveringen tot de geschapen werkelijkheid. Tegelijk behoren zij tot het ongeziene. De teksten geven geen astronomische coördinaten waarmee iedere hemel aan een bekende laag van het waarneembare heelal kan worden gekoppeld.
Door de eeuwen heen zijn verschillende pogingen gedaan om de zeven hemelen te identificeren met de lagen van de dampkring, de klassieke planeten, groepen sterrenstelsels of andere delen van de kosmos. Zulke verklaringen leggen echter een model in de openbaring dat daarin niet uitdrukkelijk wordt genoemd.
De Koran verbindt de dichtstbijzijnde hemel op verschillende plaatsen met sterren en lichten. Daaruit volgt niet dat de volledige structuur van alle zeven hemelen gelijkstaat aan de planeten uit een oud wereldbeeld of aan de bekende delen van het moderne heelal.
Klassieke geleerden gebruikten soms de natuurkundige en astronomische kennis van hun tijd om te verduidelijken dat een lichamelijke hemelreis niet onmogelijk is voor Allah. Andere geleerden vonden zulke verklaringen niet nodig en benadrukten dat een wonder niet volledig binnen de gewone oorzakelijke orde hoeft te vallen.
Hetzelfde geldt voor hedendaagse verwijzingen naar de snelheid van het licht, wormgaten, tijdvertraging of het buigen van ruimte. Zulke begrippen kunnen binnen de natuurkunde betekenisvol zijn, maar geen authentieke overlevering zegt dat de Profeet ﷺ via een wormgat reisde of dat een bepaalde natuurkundige techniek werd gebruikt.
Het geloof in Isra en Miraj rust daarom niet op een tijdelijk wetenschappelijk model. De gebeurtenis wordt bevestigd door de openbaring en de profetische overleveringen. Wetenschappelijke kennis kan bewondering voor de omvang van de schepping vergroten, maar zij bepaalt niet de waarheid van het wonder.
De meest zorgvuldige houding erkent beide grenzen. De zeven hemelen zijn volgens de islamitische bronnen werkelijk. Hun precieze verhouding tot de zichtbare kosmos is niet volledig geopenbaard. Wie ze zonder bewijs gelijkstelt aan bekende astronomische structuren zegt meer dan de teksten toestaan.
De zevenentwintigste nacht van Radjab
In veel moslimgemeenschappen wordt Isra en Miraj herdacht op de zevenentwintigste nacht van Radjab. Moskeeën organiseren lezingen, ouders vertellen de gebeurtenis aan hun kinderen en in sommige landen heeft de nacht een vaste plaats in de religieuze kalender gekregen.
Daarbij moeten drie vragen van elkaar worden onderscheiden: staat de precieze datum historisch vast, mag een moskee of gemeenschap een educatieve bijeenkomst organiseren en bestaat er een bijzondere vorm van aanbidding die specifiek voor deze nacht werd voorgeschreven?
Staat de datum met zekerheid vast?
De bronnen noemen verschillende jaren, maanden en nachten voor Isra en Miraj. Radjab werd later de bekendste maand en de zevenentwintigste nacht kreeg in veel gebieden een vaste plaats in het collectieve geheugen. Andere berichten noemen echter Rabi al Awwal, Ramadan of andere momenten.
Sommige geleerden namen de zevenentwintigste van Radjab over als de bekendste of binnen hun traditie aanvaarde datum. Andere hadithgeleerden stelden dat geen enkele precieze nacht met een beslissende authentieke overlevering is vastgesteld.
De onzekerheid betreft de datum, niet Isra en Miraj zelf. De gebeurtenis staat vast, terwijl de precieze kalenderdag onderwerp van historisch verschil bleef.
Mag een bijeenkomst over Isra en Miraj worden georganiseerd?
Geleerden namen hierover verschillende juridische posities in. Sommige geleerden beschouwen een jaarlijks terugkerende religieuze viering op een niet overtuigend vastgestelde datum als een religieuze vernieuwing (bidah). Zij wijzen erop dat de Profeet ﷺ, zijn metgezellen en de eerste generaties deze nacht niet als jaarlijks religieus feest vierden.
Andere geleerden en fatwa-instellingen maken onderscheid tussen het invoeren van een nieuwe aanbidding en het benutten van een bekend moment voor algemeen toegestane goede werken. Zij staan een lezing, Koranrecitatie, liefdadigheid of onderwijs over het leven van de Profeet ﷺ toe, zolang niet wordt beweerd dat de bijeenkomst zelf een vaststaande jaarlijkse profetische praktijk is.
Voor moskeeën en islamitische organisaties in Nederland, België en Vlaanderen is dit onderscheid praktisch belangrijk. Een educatieve lezing in Radjab hoeft niet te betekenen dat de organisatoren de zevenentwintigste nacht als historisch onbetwist beschouwen. Omgekeerd verkleint een moskee die geen jaarlijkse viering organiseert de betekenis van Isra en Miraj niet.
Een heldere aankondiging kan uitleggen dat de bijeenkomst bedoeld is voor onderwijs over de Koran, de profetische overleveringen, al Aqsamoskee en de betekenis van het gebed. Daarmee wordt voorkomen dat een educatieve activiteit ongemerkt wordt gepresenteerd als een verplichte of vaststaande rituele viering.
Bestaat er een bijzondere gebedsvorm of vastendag?
Er is geen breed aanvaarde authentieke hadith waarin voor de zevenentwintigste nacht van Radjab een vast aantal gebedseenheden, een bijzondere reeks Koranhoofdstukken of een specifieke smeekbede wordt voorgeschreven.
Over sommige overleveringen rond bijzondere aanbidding in deze nacht verschilden hadithgeleerden van oordeel. Een aantal van hen beoordeelde de ketens als zwak, terwijl andere geleerden dergelijke berichten vermeldden binnen bredere werken over de verdiensten van tijden en vrijwillige aanbidding. Daaruit ontstond echter geen algemeen aanvaarde specifieke gebedsvorm die met zekerheid aan de Profeet ﷺ kan worden toegeschreven.
Ook voor het afzonderlijk vasten van de zevenentwintigste dag vanwege Isra en Miraj bestaat geen breed aanvaarde sterke profetische basis. Wie op die dag vast omdat zij samenvalt met een maandag, donderdag of een andere algemene vrijwillige vastengewoonte, verricht een bekende vorm van vrijwillig vasten. Dat verschilt van de bewering dat de datum zelf een vaststaande bijzondere vastendag uit de profetische leiding is.
Algemeen vrijwillig gebed, Koranrecitatie, liefdadigheid en smeekbeden blijven goede daden. Het verschil gaat over het toeschrijven van een bijzondere tijd, vorm en beloning aan de profetische leiding wanneer de overleveringsbasis daarover niet algemeen als sterk is aanvaard.
Hoe leg je Isra en Miraj helder uit in een seculiere omgeving?
Voor moslims is Isra en Miraj verbonden met hun geloof in Allah, openbaring en profeetschap. In een seculiere omgeving kan de gebeurtenis worden uitgelegd zonder haar tot een natuurkundig experiment te maken en zonder haar te reduceren tot een symbolisch verhaal.
Een natuurwet beschrijft patronen die onder gewone omstandigheden opnieuw kunnen worden waargenomen. Een wonder is volgens het islamitische geloof een uitzonderlijke handeling van Allah. De Profeet ﷺ presenteerde de hemelreis niet als een techniek die mensen onder dezelfde omstandigheden konden herhalen.
De eerste vraag is daarom niet of een mens met de gewone vervoermiddelen uit de zevende eeuw in één nacht naar Jeruzalem kon reizen. Volgens de normale menselijke mogelijkheden kon hij dat niet. De islamitische overtuiging is dat de Schepper van ruimte, tijd en natuur Zijn dienaar op een uitzonderlijke wijze liet reizen.
Daarna kan worden uitgelegd hoe de gebeurtenis in de bronnen is bewaard. De nachtelijke reis naar al Aqsamoskee wordt rechtstreeks in de Koran genoemd. De hemelreis is via meerdere hadithroutes overgeleverd. De geleerden onderscheidden daarbij de authentieke kern, anders beoordeelde aanvullende overleveringen en latere literaire uitbreidingen.
Niet iedere vraag hoeft als vijandigheid te worden behandeld. Een leerling op een Nederlandse of Vlaamse school kan vragen hoe een lichamelijke hemelreis mogelijk was omdat hij de gebeurtenis voor het eerst hoort. Een buurman kan de zeven hemelen verwarren met planeten of lagen van de dampkring. Zulke vragen vragen om heldere uitleg.
Tegelijk hoeft een moslim Isra en Miraj niet tot een loutere metafoor om te vormen om haar in een seculiere omgeving bespreekbaar te maken. De reis heeft diepe geestelijke betekenissen, maar de meerderheid van de geleerden beschouwde haar als een werkelijk wonder met lichaam en ziel.
Een volwassen uitleg zegt daarom duidelijk wat moslims geloven, welke onderdelen vaststaan, waar geleerden verschillende verklaringen gaven en welke details niet met dezelfde overleveringssterkte zijn doorgegeven. Zo blijft de goddelijke werkelijkheid van de gebeurtenis centraal staan.
De reis keerde terug naar de aarde
De hemelreis bracht de Profeet ﷺ niet naar een bestaan waarin de verantwoordelijkheid op aarde ophield. Na de grote tekenen, de ontmoetingen met de profeten en de verplichting van het gebed keerde hij terug naar Mekka. De afwijzing, spot en vervolging waren daar niet verdwenen.
Isra en Miraj veranderden de zichtbare wereld niet in één nacht. De gebeurtenis plaatste die wereld binnen een grotere werkelijkheid. Het dagelijkse leven, met zijn zorgen, macht, verlies en menselijke grenzen, bleek niet het geheel van het bestaan te zijn.
Het gebed vormt de meest directe voortzetting van deze betekenis. Vijfmaal per dag verlaat de gelovige de aarde niet letterlijk. Hij onderbreekt wel de vanzelfsprekendheid waarmee werk, bezit, angst en menselijke waardering het hele leven lijken te vullen. Hij richt zich tot Allah en keert daarna terug naar zijn gezin, zijn werk en zijn verantwoordelijkheden.
Al Aqsamoskee bewaart tegelijk de verbinding met de eerdere profeten. De verandering van de gebedsrichting maakte de Kaaba tot het vaste middelpunt van het islamitische gebed, maar verwijderde Jeruzalem niet uit het religieuze geheugen. De laatste boodschap ontstond niet in een historisch vacuüm, maar bevestigde haar verbondenheid met de lange geschiedenis van profeetschap.
De geleerden waren het eens over de goddelijke werkelijkheid en de belangrijkste gebeurtenissen van Isra en Miraj. Hun verschillen betroffen onder meer de wijze van de reis, de uitleg van soera an Najm, het zien van Allah, de precieze datum en de beoordeling van enkele aanvullende overleveringen. Die verschillen plaatsten het wonder niet op losse schroeven, maar lieten zien hoe zorgvuldig zij de ontvangen teksten onderzochten.
De islamitische omgang met Isra en Miraj verbindt daarom geloof met nauwkeurigheid. Zij bevestigt het wonder zonder iedere latere toevoeging tot openbaring te maken. Zij respecteert het werk van geleerden zonder één beoordeling van een betwiste overlevering als vanzelfsprekend eindwoord te presenteren. En zij bewaart het gebed niet alleen als herinnering aan een uitzonderlijke nacht, maar als de dagelijkse verantwoordelijkheid waarmee de Profeet ﷺ naar zijn gemeenschap terugkeerde.
Bronnen en werkwijze: hoe onze artikelen worden opgebouwd.
Vind je dit interessant? Onze hoofdpagina is ingericht als een wegwijzer door de islam, cultuur en geschiedenis. Ontdek meer via de categorieën bovenaan of gebruik de zoekbalk voor specifieke vragen: BegrijpIslam










